• onafhankelijk • onderzoekend • opiniërend •

DAR ‘ordent’ klein deel boeddhisten

Zendo

De BUN waarvan nog geen 10% van de boeddhistische sangha’s in Nederland lid is, maakt niet duidelijk op welke basis en op welk gezag elf boeddhisten in de Dharma Advies Raad (DAR) gaan adviseren over de ‘ordening’ van ‘het’ boeddhisme.

De BUN vertegenwoordigt minder dan 10% procent van alle lokale sangha’s in Nederland. De DAR is met zijn infomele karakter daarom een interne commissie van advies en bijstand. Het boeddhisme kent geen centraal leergezag. Niet duidelijk is welke status het bestuur en de leden van de BUN aan DAR-uitspraken toekennen. Buiten de BUN hebben de oordelen van de DAR geen gelding.

Deze conclusie valt te trekken uit de BUN-nieuwsbrieven die voorzitter André Kalden over dit onderwerp verspreidt. De koepelorganisatie, tevens contactorgaan voor de overheid, laat zich voortaan gevraagd en ongevraagd door de DAR adviseren. De DAR komt in oktober 2013 bijeen.

De DAR is een idee van de Werkgroep Lotusbloem. Onder voorzitterschap van Matthijs Schouten suggereerde deze in zijn eindverslag (9 mei 2012) het BUN-bestuur een ‘raad van advies waarin leraren zitting hebben’ op te richten. Deze kan dan meedenken in de wenselijke ‘ordening’ van ‘het boeddhisme’, zoals Kalden deze op 9 juni 2012 tijdens de algemene ledenvergadering van de BUN omschreef. In de jongste uitgave (25 september 2013) stelt het BUN-bestuur de DAR aan de lid-sangha’s voor.

De elf boeddhisten behoren allen tot lid-organisaties van de BUN. Ze zitten er als leraren en sangha-oudsten in.

Het gaat om Matthijs Schouten (voorzitter; Sayagyi U Ba Khin Stichting, theravada), Bert van Baar (Rigpa, Tibetaans boeddhisme, lid van de curriculum commissie VU), Tenkei Coppens (Zen River, zen boeddhisme), Gunabhadri (Triratna Boeddhistische Beweging, non-denominatief), Jotika Hermsen (Sangha Metta, theravada), Jiun Hogen (Internationaal Zen Instituut Nederland, zen boeddhisme), Adi Ichsan (Dhammadipa Vipassana Meditatie Centrum Amsterdam, theravada), Paul Loomans (European  Zen Center, zen boeddhisme), Kaye Miner (Maitreya Instituut Amsterdam, Tibetaans boeddhisme), Nico Tydeman (Zen Centrum Amsterdam Kanzeon, zen boeddhisme) en Han de Wit (Shambhala Centrum Leiden, Tibetaans boeddhisme).

Het ledenbestand van de BUN vormt geen goede afspiegeling van het landelijke beeld dat het georganiseerde boeddhisme levert. De landelijke verhouding tussen Tibetaans boeddhisme en zen, bijvoorbeeld, wordt binnen de BUN vrijwel omgedraaid. Het Tibetaans boeddhisme wordt binnen de BUN landelijk gezien oververtegenwoordigd, het aandeel zen wordt ondervertegenwoordigd. In de DAR is zen boeddhisme (gemeten naar het ledenbestand van de BUN) oververtegenwoordigd. Op bestuurlijk niveau wordt de BUN gedomineerd door Tibetaans boeddhisten.

Dit betekent dat het zen boeddhisme door vier, theravada en Tibetaans boeddhisme door elk drie personen en het non-denominatieve boeddhisme door één persoon worden vertegenwoordigd. De DAR kent geen etnische vertegenwoordigers van boeddhistische stromingen uit onder meer Vietnam, Thailand, Japan en Tibet.

Informeren door Kalden

Omdat de DAR een startende commissie is, laten de leden zich door BUN-voorzitter Kalden informeren over twee ‘vraagstukken’: de rol van de BUN binnen de boeddhistisch geestelijke verzorging (BGV) en het bestaansrecht van de unie. Kalden vindt dat de DAR moet nadenken en adviseren over onder meer ‘de (on)wenselijkheid van uitbreiding van de centralistische rol van de BUN in relatie tot de overheid en BGV’ en de zogeheten ‘veracademisering van het beroep van boeddhistisch geestelijk verzorgende’.

De BUN-voorman kwalificeert deze vraagstukken als ‘geen eenvoudige onderwerpen’. Hij vindt echter deze van ‘groot belang voor zowel de beroepsgroep als de wijze waarop we als BUN het boeddhisme in onze maatschappij willen organiseren, of juist niet willen organiseren.’

In het verlengde daarvan ligt het tweede vraagstuk waarover de DAR de BUN moet adviseren: zin en nut van de koepelorganisatie.

Volgens Kalden ‘speelt o.m. de vraag tot welke grens de BUN het recht heeft bepalend voor die organisatie in Nederland te zijn daar waar het boeddhisme zich kenmerkt door decentrale organisatie’. Opvallend is dat deze bezinning achteraf moet plaatshebben. De BUN heeft zich al laten aanwijzen als  formeel contactorgaan, zendende instantie én zendmachtigingshouder, de BUN legt al beslag op de algemene middelen die hiervoor beschikbaar zijn, de BUN is al verantwoordelijk voor de plichten die hieruit voortvloeien. De sangha’s van de aangewezen DAR-leden stemden tot op heden ook altijd in met dit beleid.

Discussie bestaansrecht

De discussie die Kalden hierover binnen de DAR wenst, heeft de BUN-voorzitter al eerder publiekelijk gevoerd: zijn BUN-nieuwsbrief van 5 mei 2012. Daarin stelt hij het bestaansrecht van de BUN ter discussie in reactie op het besluit van Anca Ansink geen BUN-bestuurslid te worden. Kalden vond toen dat de BUN-leden zich in 2012 moesten uitspreken of de unie in de huidige vorm moet blijven bestaan.

Tijdens alle algemene ledenvergaderingen van de BUN sinds de publicatie van Kalden’s oproep stond dit onderwerp niet op de agenda en is niet besproken.

Ansink is in het dagelijks leven hoofdinspecteur curatieve gezondheidszorg bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Als boeddhiste is ze verbonden aan Stichting Inzichts Meditatie, ze is bestuurslid van de BOS, en voorzitter van de Stichting Meditatie- en Studiecentrum ‘Vipassana Nederland’.

Ansink wilde geen BUN-bestuurslid worden. Ze stelde dat de unie over ‘gevaarlijk weinig’ mensen beschikt. Daarbij kwam dat Ansink betwijfelt of de koelporganisatie in het soort organisatie kan worden veranderd waarvoor zij zich kan en wil inzetten. De bevindingen van de BUN-werkgroep Lotusbloem sterken haar in haar besluit, schreef Kalden. Ansink: ‘Misschien is de conclusie wel dat aan een BUN, anders dan voor een uitzendlicentie, geen behoefte is.’

De BUN houdt zich met voorzitter Kalden onbereikbaar voor commentaar.

Voorgeschiedenis DAR
De DAR vloeit voort uit de werkzaamheden van de BUN-werkgroep Lotusbloem. Deze werkgroep werd in 2011 ingesteld om de oorzaken van opeenvolgende bestuurlijke crises binnen de BUN te onderzoeken. Onder aanvoering van voorzitter Matthijs Schouten (hoogleraar natuurbeheer, Wageningen UR) werd onder meer de oprichting van een ‘lerarenraad 0.1’ voorgesteld. De term is afkomstig van BUN-voorzitter Kalden.

‘Formeer een raad van advies waarin leraren zitting hebben. Aan die raad kunnen dan door BUN, BOS en BZI vragen worden voorgelegd’, schrijft Schouten. De huidige DAR geeft daaraan uitvoering, Schouten zelf is tot voorzitter benoemd. De aangewezen leraren en sangha-oudsten mogen ook ongevraagd advies geven. Niet duidelijk is welke status deze adviezen hebben. Of een negatief DAR-oordeel over de ‘bepalende’ en ‘centralistische’ rol van de BUN meebrengt dat de koepelorganisatie deze rol opgeeft is onbekend.

Status aparte
Staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) heeft in december 2012 de BUN definitief  als boeddhistische zendende instantie erkend, en daarmee ook als officieel contactorgaan met de overheid. Binnen het georganiseerde boeddhisme in Nederland neemt de unie een status aparte in. Ons land kent ruim 450 georganiseerde lokale sangha’s en meer dan 360 personen die als boeddhistisch leraar fungeren. Van deze sangha’s zijn 39 lid van de BUN. Dat is minder dan 10%.

Het overgrote deel van alle boeddhisten, sangha’s en leraren in Nederland (met name niet-georganiseerde en ethnische boeddhisten) is niet aangesloten bij de BUN. Onderzoekscentrum Kaski (Radboud Universiteit Nijmegen) betwijfelt of de BUN in voldoende mate de boeddhistische gemeenschap in Nederland vertegenwoordigt. Voorzitter André Kalden kondigt sinds 2012 geregeld aan dat de BUN het toelaten van niet-georganiseerde boeddhisten overweegt. Een concrete besluit daarover is sindsdien herhaaldelijk uitgesteld.

Geef een reactie