• onafhankelijk • onderzoekend • opiniërend •

Neuroscepsis neemt toe

fMRI (dode zalm)

De scepsis over claims -bijvoorbeeld over boeddhistische meditatie- op basis van neurowetenschappelijk onderzoek neemt toe. Critici wijzen op de maatschappelijke risico’s van onoordeelkundige en arbitraire interpretaties.

Dit valt op te maken uit een opiniestuk van Alissa Quart in The New York Times dat onder de titel ‘Neurowetenschap vervalt tot slordige breinporno’ werd overgenomen door NRC Handelsblad.

Deze ‘neuroscepsis’ heeft ook betrekking op de veel gepubliceerde berichten over het neurowetenschappelijk onderzoek naar boeddhistische meditatie. Op dit ogenblik (5 december 2012) levert het googelen van de zoekwoorden ‘hersenscans’ en ‘boeddhist’ alleen in het Nederlands taalgebied 4.260 hits op.

Quart, universitair docent journalistiek aan Columbia University in New York, stelt vast dat ‘pop neuroscience’ (gepopulariseerde neurowetenschap) steeds meer onder vuur komt te liggen.

Schrijvers zoals Naomi Wolf (Vagina, 2012) en Chris Mooney (The Republican Brain, 2012) wordt verweten dat zij misvattingen omtrent de werking van het brein verbreiden.

Neurobonkers

Blogs als The Neurocritic, Neuroskeptic, Neurobonkers en Mind Hacks stellen neurowetenschappelijke nonsens en de ‘populaire simplificering’ door journalistieke media aan de kaak.

Quart merkt op dat een team van Britse wetenschappers heeft vastgesteld dat Engelse dagbladen (Times, Daily Telegraph, Daily Mail, Sun, Mirror, The Guardian) wetenschappelijke studies veelvuldig onjuist weergeven.

De onderzoekers Cliodhna O’Connor, Geraint Rees en Helene Joffe bestudeerden 2.931 artikelen over neurowetenschap die tussen 2000 en 2010 in de Britse pers zijn verschenen.

Zij schreven onder meer dat ‘logisch irrelevante neurowetenschappelijke informatie een betoog een gezaghebbende, wetenschappelijke geloofwaardigheid schenkt’, aldus Quart.

Neurowetenschap in de publieke ruimte

Het artikel ‘Neuroscience in the Public Sphere’ verscheen op 26 april 2012 in het wetenschappelijke tijdschrift Neuron.

O’Connor en haar collega’s onderscheiden in de beeldvorming drie thema’s die regelmatig terugkeren: het brein als te optimaliseren hulpmiddel; het brein als aanwijzing voor de verschillen tussen soorten mensen; het brein als biologisch bewijs voor de echtheid van bepaalde verschijnselen of de juistheid van bepaalde overtuigingen.

Retoriek

De onderzoekers maken duidelijk dat het neurowetenschappelijke discours in onze cultuur een krachtig retorisch effect heeft dat (arbitraire) causale verbanden de schijn van gezag kan verlenen, en de houding van journalisten de schijn van objectiviteit kan geven.

De laatste jaren schrijven steeds meer journalisten over neurowetenschap. Zij voeden daarmee het publieke debat over een verscheidenheid aan verschijnselen en ontwikkelingen.

Beleidsdiscussies

Neurowetenschap wordt meer gangbaar, en begint tot ons vaste conceptuele en culturele repertoire te behoren, aldus de onderzoekers. Tegelijk proberen meer, door uiteenlopende belangen gedreven groepen in onze samenleving hun eigen agenda te dienen met de daaraan ontleende retoriek.

‘Het gebruik van neurowetenschappelijk bewijs in beleidsdiscussies moet nauwlettend worden gevolgd’, schrijven O’Connor, Reese en Joffe, opdat de bijdrage daarvan inhoudelijk is, en niet louter retorisch.

‘Alleen zo kunnen we ervan verzekerd blijven dat neurowetenschappelijk bewijs niet wordt gebruikt als drager van bepaalde normatieve, ideologische, of sociale voorkeuren.’

Dorothy Bishop

Tijdens een lezing voor de Association for Child and Adolescent Mental Health (9 maart 2012) maakte neurowetenschapper Dorothy Bishop (Oxford University) duidelijk waarom de berichtgeving over neurowetenschappelijk onderzoek kritisch moet worden benaderd.

Ze gaf tijdens haar lezing meerdere voorbeelden van ondeugdelijke interpretaties en conclusies.

Ook voert Bishop vier redenen aan waarom de via hersenscans verkregen informatie over ons brein vaak te weinig consistent en betrouwbaar is om over ‘verbeteringen’ van wat dan ook te spreken.

Niet statisch

Ten eerste is het menselijk brein niet statisch. De hersenen ontwikkelen zich ook zonder dat daaraan een specifieke interventie of behandeling vooraf is gegaan.

Daarnaast reageert het brein anders zodra iets nieuws wordt herhaald: wordt een test vaak genoeg opnieuw gedaan, dan verandert de hersenactiviteit vanzelf.

Het derde geval, een statistisch feit, doet zich nog het meest voor, zegt Bishop.

Zijn de metingen niet volmaakt betrouwbaar én worden deelnemers uitgekozen op grond van extreme scores, dan neigen de uitslagen van het onderzoek op de lange duur naar het gemiddelde.

Artefact en placebo

In dat geval, zegt Bishop, tekenen zich bij ‘laag’ scorende deelnemers ‘verbeteringen’ af die een artefact (bijverschijnsel) zijn van de onnauwkeurigheid van de test en het (ver) uiteenlopen van de scores.

Als laatste noemt Bishop het placebo effect. Er kunnen zich ‘verbeteringen’ voordoen als onbedoeld gevolg van de onderzoeksopzet – de hoeveelheid aandacht die onderzoekssubjecten krijgen, bijvoorbeeld.

Controlegroep

Bishop benadrukt het methodologische belang van de controlegroep: een op eendere wijze samengestelde groep willekeurig gekozen onderzoekssubjecten die de onderzochte interventie of behandeling níet ondergaan.

Een controlegroep stelt de onderzoekers in staat na te gaan of de bovenstaande gevallen zich daadwerkelijk voordoen. Zo wordt duidelijk welke betekenis aan de onderzoeksdata kan worden gehecht.

Bishop wijst er nog op dat de samenstelling van de groep deelnemers die het onderzoek voortijdig beëindigt, zelden toevallig is: vaak zijn het degenen die óf het gevoel hebben dat zij de behandeling niet nodig hebben óf de interventie of behandeling te belastend vinden.

Ook daarmee moeten onderzoekers rekening houden.

Pièce de résistance

Pièce de résistance van Bishop’s lezing is haar verwijzing naar het onderzoek van Craig Bennett et al, Neural Correlates of interspecies perspective taking in the post-mortem Atlantic Salmon (2009).

Met dit onderzoek illustreerden de onderzoekers hoe groot de foutmarge bij het interpreteren van data uit zogeheten ‘functional Magnetic Resonance Imaging’ (fMRI) onderzoek is.

Bennett en zijn collega’s onderzochten daartoe met een fMRI-scanner een dode vis (een Atlantische zalm).

Zij toonden aan dat het achterwege laten van de juiste statistische correctie op een veelheid aan tests tot onmogelijke ‘resultaten’ leidt: hersenscans van de dode zalm wijzen uit dat deze nog in staat is vrolijke van verdrietige gezichten te onderscheiden.

Bishop stelt vast dat veel wetenschappelijke tijdschriften verzuimen na te gaan of deze correctie (juist) is toegepast.

BishopBlog

Op haar BishopBlog schrijft Dorothy Bishop op 11 juni 2011 dat het lijkt alsof er iedere week wel een bericht verschijnt waarin wordt beweerd dat hersenscans iets over onze cognitieve of emotionele vermogens hebben aangetoond.

‘Om na te gaan of mijn indruk klopt, googelde ik de beweringen ‘hersenscans tonen aan’ en ‘hersenscans bewijzen’. Binnen een paar minuten had ik een lange lijst zoekresulaten. De meeste aanspraken waren ongefundeerd,’ aldus Bishop.

Meditatie

Bishop noemt uit deze lijst onder meer een bericht over het onderzoek Brain scans show meditation changes minds, increases attention (2007) van Richard Davidson, Julie Brefczynski-Lewis en Antoine Lutz (University of Wisconsin).

Daarin vergeleken Davidson en zijn collega’s pas met boeddhistische meditatie begonnen personen met mensen die daarmee tot 54.000 uur ervaring hadden.

Het onderzoeksverslag, ‘Neural correlates of  attentional expertise in long-term meditation practitioners’, verscheen op 3 jul 2007 in het Amerikaanse wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Science.

Bishop noemt het onderzoek van Davidson als voorbeeld van een studie die slechts aantoont dat ‘de hersenen iets doen’, en verder niets.

231.000

Wie vandaag (5 december 2012) via Google op de termen ‘brain scans show’ en ‘Buddhist’ zoekt, vindt 231.000 resultaten.

De titels van de berichten lopen uiteen van Meditation Alters Brain Structure, Functioning (2004), Brain Scans show Buddhists create their own good karma (2004) naar Brain Scans Tell Why Meditation Works (2007) en Brain Scans Show That Buddhists Really Are Happy (2010).

De zoektermen ‘hersenscans’ en ‘boeddhist’ leveren 4.260 resultaten op, met uiteenlopende titels als Lama in het lab (2004), Mindfulness: een brug tussen wetenschap en religie (2011), Hersenscan als biometrische identiteitscontrole (2009), Meditatie verandert het brein binnen acht weken (2011), Boeddhistische monnik is de gelukkigste man ter wereld (2012) en De kracht van compassie (2012).

Lees verder

> Actueel – Boeddhisme zonder hocus pocus
> Essay – Brengt boeddhisme geluk? En waar?
> Alissa Quart – Neuroscience: Under attack (New York Times, 23-11-2012)
> David Brooks – The Neural Buddhists (New York Times, 13-5-2008)
> O’Connor et al – Neuroscience in the Public Sphere (26-4-2012)
> Peter Reiner – Neuroscience in the Public Sphere (26-4-2012)
> Dorothy Bishop – Brain scans show that…. (11-6-2011)
> Bennett et al - Interspecies perspective taking in the post-mortem Atlantic Salmon (2009)
> Craig Bennett – The Story Behind the Atlantic Salmon (18-9-2009)
> Wired – Scanning Dead Salmon in fMRI Machine (18-9-2009)
> University of Wisconsin – Brain scans show meditation changes minds (25-6-2007)
> Brefczynski-Lewis et al – Neural correlates of attentional expertise (3-7-2007, pdf)

Kijk ook

> Dorothy Bishop – Emanuel Miller Lecture (9-3-2012, 59 min.)

3 Responses to “Neuroscepsis neemt toe”

  1. Bart Fievez

    ‘Bishop haalt het onderzoek van Davidson aan als voorbeeld van een studie die slechts aantoont dat “de hersenen iets doen”, en verder niets.’

    Dit staat niet in het stuk van Bishop. De serie weblinks die ze geeft, kwam blijkbaar naar voren toen zij zocht naar ‘Brains scans show’.

    En de titel van het stuk over het wetenschappelijk artikel begint daar inderdaad mee. Maar Bishop zegt niets over het wetenschappelijk artikel of het onderzoek van Davidson zelf.

    Jullie doen eigenlijk zelf wat bekritiseerd wordt. Journalisten schrijven over wetenschap, meestal door middel van wat andere journalisten schrijven.

    Beantwoorden
    • Redactie

      Dank voor de correctie; de strekking van deze bewering is door ons onvoldoende duidelijk gemaakt.

      Met ‘Bishop haalt het onderzoek van Davidson aan als voorbeeld…’ bedoelden we niet meer te zeggen dan ‘Bishop noemt het onderzoek van Davidson als voorbeeld…’

      Even daarvoor schreven we daarom ook ‘Bishop noemt uit deze lijst onder meer een bericht over…’

      Want dat is precies wat Dorothy Bishop doet. Om verdere misverstanden te voorkomen hebben we de zin aangepast.

      Bishop toont onder haar blogpost ‘Brain scans show that…’ een link naar de aankondiging van een publicatie over dit onderzoek door University of Wisconsin-Madison.

      Deze link verwijst dus niet naar een journalistiek medium maar naar een bekendmaking van Richard Davidson’s eigen universiteit.

      Bishop gaat inderdaad niet inhoudelijk in op het onderzoek van Davidson en zijn collega’s.

      Maar dat bedoelden we ook niet te zeggen: ze noemt het als voorbeeld, meer niet.

      Het onderzoeksverslag zelf verscheen op 3 juli 2007 in Proceedings of the National Academy of Science, onder de titel ‘Neural correlates of attentional expertise in long-term meditation practitioners’.

      We hebben een pdf van dit artikel aan de gerelateerde content toegevoegd.

      Ook hebben we daar de bronvermelding van het bericht ‘Brain scans show meditation changes minds, increases attention’ aangepast.

      Beantwoorden
  2. Ronald de Caluwé

    Interessant artikel en dito links!

    Ik stoor mij als mindfulnesstrainer ook al enige tijd aan dat wat ik de verneurologisering of verSwaabing van meditatie noem. (Dit laatste naar aanleiding van Dick Swaab’s boek ‘Wij zijn ons brein’.)

    De eerlijkheid gebiedt me ook te melden dat ik soms een onderzoek noem en meelift op de populariteit van mindfulness. Maar nooit als begin- of eindargument, en nooit zonder connectie met het boeddhisme te leggen.

    Prof. Paul Grossman, van het Department of Psychosomatic Medicine, University Hospital Basel, Zwitserland, hield een lezing die ik bijwoonde. De titel was ‘Mindfulness and its near-enemies: Opportunities and opportunism as psychology embraces the big M.’ Ofwel: Mindfulness en zijn naaste vijanden: kansen en opportunisme bij het omarmen van mindfulness door de psychologie.

    Grossman heeft onderzoek gedaan naar de onderzoeken op mindfulnessgebied. Hij komt tot de conclusie dat wat veel onderzoekers meten géén mindfulness is. Bij één bepaalde meetschaal die geregeld gebruikt wordt om metingen te doen, wordt zelfs onvoldoende onderscheid gemaakt tussen mindfulness en dissociatie.

    Ook heeft hij gevonden dat sommige onderzoeken andere (minder positieve) resultaten geven wanneer zij herhaald worden. Kortom: het wordt tijd om kritisch te zijn op de conclusies van onderzoekers.

    Ik mocht met toestemming een artikel van Ton Lathouwers op mijn website gebruiken dat mogelijk een interessante toevoeging is bij de links: deel 1 en deel 2.

    Dat geeft mooi weer wat ik zo mis in de huidige mediatiehype: het hart van liefde en mededogen.

    Je kunt iets met therapeutische effecten niet direct therapie noemen.

    Beantwoorden

Laat een reactie achter bij Redactie Reactie annuleren