• onafhankelijk • onderzoekend • opiniërend •

Flanagan – Brengt boeddhisme geluk? En waar?

> Download hier: Owen Flanagan – Brengt boeddhisme geluk? En waar? 
_____

Brengt boeddhisme geluk? En waar?

Owen Flanagan

 

Mijn eerste echte kennismaking met boeddhisme kwam voort uit de uitnodiging die ik ontving voor een weeklange ontmoeting in Dharamsala in India. Daar zou ik met  vijf andere wetenschappers en boeddhistische denkers met de veertiende Dalai Lama discussiëren over het onderwerp destructieve emoties.

Waarom niet?, dacht ik. Ik wist iets van boeddhisme, en ik heb vergelijkende filosofie altijd belangrijk gevonden. Mocht wijsheid over de geest, de moraal en de zin van het leven werkelijk bestaan dan zou deze door het bestuderen van verschillende tradities toch te achterhalen moeten zijn?

Tijdens die achtste ‘Mind & Life’ ontmoeting in maart 2000 ontstonden (bij anderen dan mijzelf) enkele ideeën die later uitmondden in de veelbesproken hersenscans waarmee zou zijn aangetoond dat boeddhisten ongewoon gelukkig zijn.

Als deelnemer aan de discussies die we toen hadden gevoerd, onder meer over de heilzame uitwerking van boeddhisme – meer in het bijzonder bepaalde vormen van boeddhistische meditatie – op de hoofden en harten van degenen die het beoefenen, werd mij geregeld om commentaar op die experimenten gevraagd.

Volgens de media – de betrokken wetenschappers zelf waren terughoudender – toonden deze experimenten onomstotelijk aan dat het boeddhisme, misschien wel meer dan welke wijsheidstraditie ter wereld ook, gelukkig maakt.

Gelukkigste boeddhisten

Door het succes van Daniel Goleman’s boek over deze conferentie, Destructieve emoties: Een dialoog met de Dalai Lama (2003) raakte iedereen ervan overtuigd dat boeddhisten wel de gelukkigste mensen ter wereld moesten zijn.

Inmiddels schreef en sprak ik zelf vaak over het veronderstelde verband tussen boeddhisme en geluk, en verdiepte ik mij stevig in de boeddhistische filosofie (voor alle duidelijkheid: ik ben geen boeddhist).

Als filosoof wijdde ik het grootste deel van mijn leven aan het nadenken over de aard van de geest, het lichaam-geestprobleem en het verband tussen geest, moraal en de zin van het leven. Ook probeer ik de mensheid al jaren voor te bereiden op de komst van een volstrekt naturalistische visie op de geest.

Dat ik op de voorste rij zat tijdens een van die spaarzame momenten waarop cognitieve wetenschapfilosofie en religie (of wat daarop lijkt) samenkomen, intrigeerde en verheugde me zeer, maar verwarde me soms nog meer.

Zoeken naar geluk

Sinds die conferentie heb ik met open mond staan toekijken hoe met het grootste gemak voetstoots wordt aangenomen dat de neurowetenschappen in staat zijn empirisch aan te tonen dat de ene levende filosofische traditie (boeddhisme) meer geluk oplevert dan andere.

Ik zag hoe mensen die er zelf veelal een dualistische of immateriële opvatting van bewustzijn op na houden – boeddhisten, of mensen die geloven dat boeddhisme het juiste antwoord geeft op de vraag “Hoe moet ik zijn en hoe moet ik leven?” – in het brein op zoek gingen naar sporen van een goed en gelukkig leven.

In de discussie over boeddhisme en neurowetenschap nam ik de rol aan van een participerend-onderzoeker-epistemoloog, afkomstig van de planeten ‘analytische filosofie’ en ‘21ste eeuwse cognitieve wetenschappen’.

Het was op zijn zachtst gezegd interessant gade te slaan hoe een levende filosofische traditie probeert na te gaan hoeveel empirisch bewijs er voor haar werkzaamheid bestaat. Ik heb deze dialectiek nauwlettend gevolgd en breng in mijn boek The Bodhisattva’s Brain verslag uit van mijn bevindingen.

Geen deugdelijk bewijs

In kort bestek kwam ik uit op het volgende: er bestaat geen deugdelijk wetenschappelijk bewijs dat boeddhisten – doorsnee boeddhisten of boeddhisten die mediteren –  gelukkiger zijn dan andere mensen.

Los daarvan: sinds wanneer probeert het boeddhisme ons die loze belofte van geluk aan te smeren, en waarom?

Aristoteles zei dat ieder mens streeft naar eudaimonia: dit betekent voldoening of bloei, en dus niet  geluk. Eudaimonia is geen zuiver subjectieve toestand. Volgens Aristoteles kun je niet weten of een persoon eudaimon is tot je – mogelijk pas lang na zijn verscheiden – hebt gezien hoe het zijn kleinkinderen vergaat.

Trouwens, wat heeft geluk met zin en betekenis te maken? Was Socrates gelukkig? Confucius? Jezus? Boeddha? Net als de meeste andere grote spirituele tradities belooft ook het boeddhisme ons normaal gesproken een zin of doel, en dus geen geluk – althans niet in de alledaagse betekenis van het woord.

Netelige kwesties

Wie probeert na te gaan hoe het boeddhisme, of welke religie dan ook, zich verhoudt tot betekenis, zin, voldoening en bloei, of – en dat is niet hetzelfde – de hersenen scant op een positieve staat van geest, stuit al snel op enkele netelige kwesties.

Verschillende spirituele tradities beloven verschillende soorten bloei, en wijzen daarvoor ook verschillende vindplaatsen aan: in het hoofd, maar ook in de gedeelde ervaringswereld van hun aanhangers.

Indien die bloei – zoals ik vermoed – optreedt binnen een gedeelde ervaringswereld dan valt deze met hersenscans niet vast te stellen. Naar eudaimonia zoeken in de hersenen van een individu, is dan net zoiets als het zoeken naar een voetbalwedstrijd in de hoofden van elf spelers.

Waarschuwing

In mijn boek gebruik ik de recente golf van belangstelling voor boeddhistische meditatie en het veronderstelde effect daarvan als waarschuwing tegen een overdreven enthousiasme voor het gebruik van hersenscans in het onderzoek naar welzijn.

Daarnaast probeer ik ook deze vraag te beantwoorden: valt het boeddhisme te ontmythologiseren?

Het staat vast dat er hoogontwikkelde, niet-westerse filosofische scholen bestaan waar de meeste westerlingen, filosofen inbegrepen, niets van af weten: confucianisme, taoïsme, hindoeïsme, jainisme, en boeddhisme.  En ook bestaan er dode westerse scholen, zoals het stoïcisme, epicuranisme en cynisme.

Ik heb altijd geloofd dat de bestudering van deze tradities ons van verschillende, met elkaar verbonden blinde vlekken kan verlossen: ethnische vooringenomenheid – de opvatting dat niet-westerse tradities een kwalijk soort esoterie vormen louter omdat ze ons vreemd zijn; de gedachte dat religie (met een hoofdletter “R”) om psychische redenen onmisbaar is en een noodzakelijke voorwaarde vormt voor het bestaan van betekenis en moraliteit.

Zonder hocus pocus

Een tweede, constructieve reden voor het schrijven van The Bodhisattva’s Brain was dat ik mijn collega-filosofen, maar ook de talloze wetenschappelijk naturalisten die daarvoor net zo allergisch zijn als ik, kennis wilde laten maken met een van alle hocus pocus ontdane, seculiere vorm van boeddhisme, die ik aanduid met ‘genaturaliseerd boeddhisme’.

Net als de filosofie van Plato en Aristoteles is het boeddhisme veelomvattend. Het kent een metafysica – alles, mijzelf inbegrepen, is vergankelijk – en een epistemologie die empirisch van aard is: de Dalai Lama zegt dat boeddhisten zodra  wetenschappers erin slagen het te weerleggen wedergeboorte zullen moeten opgeven.

Ook kent het een in filosofische zin ontwikkelde ethiek – een eigen voorstelling van de menselijke staat, de aard van de mens en van het menselijk welzijn – die niet neerkomt op plat bijgeloof, een karmische vorm van morele dwang, of opium voor het volk.

Verantwoorde filosofie?

Is het mogelijk een klassieke, samenhangende filosofie zoals het boeddhisme van alle hocus pocus te ontdoen en een  wetenschappelijk verantwoorde filosofie met toegevoegde waarde voor 21ste eeuwse seculiere denkers over te houden?

Te midden van alle grote spirituele tradities die de wereld telt, komt het boeddhisme mij (net als het taoïsme en confucianisme, maar dat is stof voor een ander essay) voor als ethisch en politiek weinig riskant, en, in zijn redelijkste varianten, als filosofisch hoogontwikkeld en zelfs geloofwaardig.

De westerse geschiedenis werd en wordt beheerst door een reeks bloedbaden die deels moet worden herleid tot bespottelijke geloofsartikelen, terwijl het boeddhisme vriendelijker en zachtmoediger overkomt, zelfs al kent het net als het christendom en de islam een traditie van bekering.

Spiritueel, maar niet religieus?

Veel westerlingen voelen zich aangetrokken tot het boeddhisme (of in ieder geval de westerse varianten daarvan) omdat het hen in staat stelt ‘spiritueel maar niet religieus’ te zijn – het veelgegeven antwoord op vragen naar het gezindte op sociaal-netwerksites. Dat is een interessante ontwikkeling.

Historisch gezien is het boeddhisme atheïstisch of quiëtistisch ten aanzien van het bestaan van een god als schepper. Siddhartha (de geboortenaam van de Boeddha) legde de vraag naar de schepping, net als de meeste andere metafysische standaardvragen, naast zich neer als onpraktisch of onbeantwoordbaar, of beide.

Veel vormen van boeddhisme zijn echter polytheïstisch, in die zin dat zij overlopen van het geloof in schimmen, spoken, beschermgoden en kwade geesten. Boeddhisten in Oost- en Zuidoost-Azië geloven in dezelfde mate in wedergeboorte (reïncarnatie) als waarin de meeste Amerikanen in de hemel geloven.

Grappig genoeg vinden veel van de laatsten het geloof in wedergeboorte een belachelijk bijgeloof. Vanuit een bezonnen, naturalistisch perspectief komen beide echter dwaas over.

Seculier boeddhisme?

Is een volstrekt seculier, naturalistisch begrip van boeddhisme voorstelbaar? Zijn seculiere, naturalistische boeddhisten nog wel boeddhist? Er bestaat een grote verscheidenheid aan naturalismen, maar zelfs de lidmaatschapskaart van een beginner – de beroemde empirist David Hume is ons aller held – drukt steun uit voor het motto: “Zeg gewoon nee tegen het bovennatuurlijke.”

Naturalisten geloven niet in verschijnselen als wedergeboorte, hemels, hellen, God de Schepper, godenscharen, dorpsdemonen, wonderen, goddelijke vergelding in de vorm van plagen, aardbevingen en tsunami’s.

Wat er is, en alles dat er is, behoort tot de natuur, en alles dat gebeurt komt voort uit natuurlijke oorzaken – ook wanneer we die oorzaken nog niet kennen of begrijpen. Waarom zou men naturalist moeten zijn?

De wereldgeschiedenis toont aan dat naturalisme, hoe onbepaald het ook is, voortdurend bevestigd wordt terwijl het gebied waarvoor bovennatuurlijke ‘verklaringen’ bestaan, iedere dag kleiner wordt. Naturalisme is een goede gok.

Stel : geen wedergeboorte

Laten we ons een boeddhisme voorstellen zonder wedergeboorte, zonder karmisch stelsel dat de ultieme gerechtigheid waarborgt, zonder nirvana, zonder bodhisattva die rondvliegt op lotusbladeren, zonder boeddha-werelden, zonder immateriële staat van geest, zonder godheden, zonder hemelse en helse sferen, zonder orakels, en zonder lama’s die zelf weer de reïncarnatie van lama’s zijn.

Wat blijft erover?

Wat overblijft komt neer op een interessante en verdedigbare filosofische theorie met een metafysica, een theorie over wat er is en hoe het bestaat; een epistemologie, een theorie over hoe we weten wat we weten, en wat er te weten valt; en een ethiek, een theorie over deugden en ondeugden en hoe het leven geleid moet worden.

Deze filosofische theorie is de aandacht waard van analytische filosofen, wetenschappelijke naturalisten, en van iedereen die een goed leven wil leiden, omdat ze aannemelijk en filosofisch verdedigbaar is. Een genaturaliseerd boeddhisme, mocht dit bestaanbaar zijn, zou verenigbaar zijn met de neodarwinistische evolutietheorie en het wetenschappelijk materialisme.

Zo’n genaturaliseerd boeddhisme zou een volledige filosofie behelzen wanneer het zich, nadat het – hoe begrijpelijk de psychische en sociale functie ervan ook is – van bijgeloof en magisch denken is ontdaan, nog steeds op een geloofwaardige manier ‘boeddhisme’ kan noemen.

Genaturaliseerd boeddhisme

Een dergelijke theorie zou nieuw licht op de menselijke staat kunnen laten schijnen, op de vraag hoe eindige, stoffelijke wezens zoals de diersoort mens kunnen worden ingepast in het grotere geheel van de wereld van de materie.

Genaturaliseerd boeddhisme, mocht dit kunnen bestaan, maakt waar wat het boeddhisme, wellicht als enige spirituele traditie ter wereld, te bieden heeft: geen valse beloften,  geen waandenkbeelden, geen hersenschimmen. Valse voorstellingen uit eigenbelang – moha – zijn volgens boeddhisten verwerpelijk.

Net als van iedere andere grote spirituele traditie mag van het boeddhisme worden verwacht dat het een in onze tijd bruikbare, waarheidsgetrouwe filosofie te bieden heeft, die verenigbaar is met de overige kennis die we momenteel bezitten.

Kan het boeddhisme worden genaturaliseerd, getemd, verenigbaar worden gemaakt met een filosofie die zich empirisch ter verantwoording laat roepen, en die de epistemologische lat niet zo laag legt dat allerlei bijgeloof en onzin, en zelfs een moreel kwaad, wordt gelegitimeerd vanuit verdraagzaamheid, of – en dat is niet hetzelfde – vanuit een hogere spirituele staat die fanatisme rechtvaardigt?

Een goed leven

Ook de welbespraakte geesten die beweren dat wetenschap, in het bijzonder de neurowetenschap in staat is te bepalen waaruit waar geluk bestaat en hoe het boeddhisme (of welke andere filosofische traditie ook) dit kan voortbrengen, moeten ter verantwoording worden geroepen.

Zulke aanspraken zijn niet alleen voorbarig, maar ook filosofisch naïef.

Ons welbevinden en geluk bestaan niet in het hoofd, althans, niet alleen in het hoofd. Wellicht krijgen we ze zelf in de hand zodra we nauwlettend gadeslaan welke van talloze levenswijzen wel en niet goed blijken te werken.

Gelukkig zijn de geschiedkunde, sociologie, antropologie, gedragseconomie, vergelijkende filosofie, en zelfs wat ik vergelijkende neurofilosofie noem, voorhanden, als denkgereedschap dat ons in staat stelt beter te begrijpen of en hoe menselijke bloei mogelijk is.

Uiteindelijk is de vraag hoe een goed leven te leiden – hoe als sterveling betekenis te vinden in een stoffelijke wereld – het echte probleem, het grootste probleem van allemaal.

 

> Download hier: Owen Flanagan – Brengt boeddhisme geluk? En waar?

Lees ook

> Actueel: Boeddhisme zonder hocus pocus
> Profiel: Owen Flanagan

Geef een reactie