‘Dit alles impliceert echter niet dat Nederland minder gelovig of spiritueel is geworden. Het betekent wel dat men niet meer exclusief een bepaalde stroming omarmt, maar dat men inspiratie haalt uit meerdere levensbeschouwelijke stromingen en bronnen. Zo komt het vaak voor dat men ooit gedoopt of ingeschreven is bij een christelijke gemeente, maar zich inmiddels daadwerkelijk betrokken voelt bij bijvoorbeeld het boeddhisme. Voor deze concessieaanvraag is dit van groot belang, omdat bij het aantonen van de kwantiteit van ‘daadwerkelijke affiniteit’ met het boeddhisme in de samenleving het onder meer deze ontwikkelingen betreft. Om die trend in kaart te brengen heeft de BOS opdracht gegeven aan de afdeling MediaOnderzoek & -Advies van de NPO om onderzoek te doen naar de stand van het boeddhisme in Nederland. (…) Als het Commissariaat voor de Media bij de beoordeling van zendtijdaanvragen voor de periode 2010-2015 haar beleid uit het verleden continueert en zij aan het tweede deel van de definitie van de Raad van State voor de bepaling van de omvang van de aanhang van een religie of levensbeschouwelijke stroming (“…, maar meer dan incidenteel…”), dezelfde betekenis hecht als in het verleden gedaan is voor de islam, het protestantisme en het katholicisme, dan toont dit onderzoek aan dat het boeddhisme een achterbangrootte heeft van 832.895 (dat deel van de Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder voor wie het boeddhisme op de eerste of tweede plaats de meeste inspiratie en richting biedt), de allochtone boeddhisten daarbij niet meetellend.’ (bron: Zendmachtigingsaanvraag BUN/BOS 2010-2015, 29 september 2009)
______________________________________________________________________________________
‘In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 2007 op de beroepen tegen de toekenning van zendtijd aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag voor de periode 2005-2010 wordt in alinea 2.19 overwogen dat een geschikte vraag om de achterban van een hoofdstroming te bepalen is tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering de respondent zich rekent. B.U.N. is van oordeel dat de geloofsbeleving in Nederland sinds 2005 zodanig is gewijzigd dat deze vraagstelling niet langer voldoet om de aanhang van een bepaalde hoofdstroming te bepalen. (…) Om die reden is het begrip “daadwerkelijke affiniteit” in het NPO-onderzoek in overleg met onder meer de hoogleraren Vroom (VU) en Oosterling (EUR) en met de heer De Hart van het SCP vertaald in vragen welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie biedt en welke stroming daarnaast inspiratie biedt. Deze vraagstelling doet meer recht aan de verschillende vormen waarop religies en levensbeschouwingen heden ten dage beleefd worden en verschaft een betrouwbaarder beeld van de stroming waar mensen daadwerkelijk affiniteit mee hebben dan de beantwoording van de vraag tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering men zich rekent. (…) Het antwoord op de vraag welke stroming eveneens inspiratie en richting biedt, geeft om voornoemde redenen dan ook wel degelijk een “daadwerkelijke affiniteit” met een bepaalde stroming.’ (bron: Bezwaarschrift Van Werven namens BUN, 9 februari 2010)
______________________________________________________________________________________
‘Kerkgenootschappen kunnen bijvoorbeeld cijfers uit hun ledenadministratie aanvoeren, terwijl de BUN moet aantonen welk aantal personen “daadwerkelijke affiniteit” met het boeddhisme heeft. Toepassing van hetzelfde “daadwerkelijke affiniteits-criterium” zal er mogelijk toe leiden dat (een deel van) de vermeende achterban van die kerkgenootschappen daar geen “daadwerkelijke affiniteit” mee heeft. Het is dan ook de vraag of de toepassing van deze verschillende criteria (het aantal inschrijvingen bij kerkgenootschappen en het criterium van “daadwerkelijke affiniteit”) functioneel gerechtvaardigd is en niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader verwijs ik ook ten overvloede naar hetgeen op pagina 8 van het definitieve NPO-rapport is vermeld: dat het lidmaatschap van een kerkgenootschap niet altijd bepalend is voor de affiniteit met bepaalde religieuze of levensbeschouwelijke stroming.’ (bron: Aantekeningen hoorzitting CvdM Van Werven, 29 april 2010)
______________________________________________________________________________________
‘De heer Van Werven licht, onder verwijzing naar het bezwaarschrift, toe dat de BUN op het standpunt staat dat zij -naar achteraf blijkt- een te strikte interpretatie heeft gehanteerd van het begrip “daadwerkelijk affiniteit”. Destijds is gesteld dat diegenen die een Boeddhistisch centrum financieel ondersteunden en participeerden in tenminste de helft van de activiteiten van een dergelijk centrum als aanhangers van het boeddhisme moeten worden gerekend. Die interpretatie is thans losgelaten op grond van de wijze waarop het begrip “daadwerkelijke affiniteit” door het Commissariaat is geïnterpreteerd bij andere levensbeschouwelijke stromingen. De BOS heeft de “daadwerkelijke affiniteit” laten onderzoeken door de afdeling MediaOnderzoek & -Advies van de NPO. (…) Op basis van het feit dat de interpretatie van “daadwerkelijke affiniteit” bij andere levensbeschouwelijke stromingen ruimer is, is in deze in overleg met deskundigen een andere vraagstelling geformuleerd. De vraag is gesteld welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie en richting biedt in het dagelijks leven en vervolgens de vraag welke stroming daarnaast ook inspiratie en richting biedt.’ (bron: Van Werven namens BUN in Verslag hoorzitting CvdM, 15 juni 2010)
______________________________________________________________________________________
‘Gertjan [Mulder, red.] geeft ook nog een korte samenvatting van het uitgebreide, wetenschappelijk goed gefundeerde onderzoek dat in opdracht van de BOS is uitgevoerd in verband met de nieuwe concessie aanvraag: Er zijn in Nederland 800.000 mensen met “affiniteit met het boeddhisme” (waarvan dit voor 300.000 een “tweede keus” is). Van deze 800.000 kiest 520.000 primair voor het boeddhisme, waarvan 260.000 zegt niet voor een stroming te kiezen; van de overigen is volgens dit onderzoek 65% tibetaans, 31% zen, 2% theravada en de rest “overig”.’ (bron: Verslag BOS Participatieraad, 1 december 2010)
______________________________________________________________________________________
‘Na de openingsronde wordt het verslag aangenomen nadat geconstateerd is dat de waardering voor het onderzoek naar de omvang van de achterban van de BOS de opinie van het BOS bestuur weergeeft.’ (bron: Verslag BOS Participatieraad, 1 juni 2011)
______________________________________________________________________________________
Geef een reactie