Na het bestuderen van het reeds voltooide evaluatierapport van de Nederlandse Hindoe Raad en als geïnterviewd niet-BUN-lid in de evaluatie van de BUN denk ik dat het methodologische probleem een ander is dan Lex Olivier van de MOA construeert.

Het bevragen van de BUN-leden is een nogal marginaal onderdeel van het beleidsonderzoek van het Kaski. Ik neem aan dat de lage respons en het veel op elkaar lijken van antwoorden de betekenis van het resultaat daarvan nog verder verzwakken, ook in de analyse van de onderzoekers.

Maar hoe groot is die betekenis?

Want het grootste probleem is: hoe heeft het Kaski bepaald dat het functioneren van de Hindoeraad als zendende instantie voldoende is? Dat is namelijk de slotconclusie in hun rapport.

De oorspronkelijke voorwaarden van de voorlopige erkenning door het ministerie van Justitie ruim drie jaar geleden zijn verfijnd tot 16 criteria. Op elk daarvan zou het Kaski in theorie een cijfer kunnen geven, tussen zeer goed en zeer onvoldoende. En dan zou met een bewerking van die 16 cijfers een eindoordeel bepaald kunnen worden. Die werkwijze was er misschien wel maar heb ik niet ontdekt in het rapport.

Wogen ze alle 16 even zwaar? Dat zou niet terecht zijn, vind ik, want nogal wat criteria gaan over het functioneren van de geestelijke verzorging binnen Justitie en maar een enkele over de kwaliteit van de zendende instantie terwijl juist die geëvalueerd moest worden.

Voor mij zou de vraag aan het Kaski daarom moeten zijn: hoe worden de 16 deelresultaten bepaald en hoe worden ze omgezet in een gewogen eindadvies?

Ik ga er van uit dat het Kaski in de rapportage over de BUN-evaluatie (die laat nog wel ruim een maand op zich wachten) op deze vragen uitvoeriger in zal gaan dan zij in de rapportage over de Hindoeraad heeft gedaan.

Het Kaski-rapport over de Hindoeraad is hier te vinden: http://www.ru.nl/publish/pages/645632/rapport_nr_623_evaluatie_hindoe_raad_nederland.pdf

Kennisname ervan is nuttig, ook om de MOA-vragen beter te begrijpen.