Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen

zondag 8 maart 2015

Mindful America, en waarschijnlijk ook Nederland, of ik het leuk vind of niet – Bespreking van een recent verschenen boek over wat meer dan alleen maar een techniek is in de Amerikaanse (spirituele) cultuur

Ten opzichte van de seculiere mindfulness heb ik steeds een ambivalente houding gehad. Enerzijds vond ik het een soort 'diefstal van de Dharma' (en hier speciaal de vipassana-meditatie als onderdeel van het boeddhistische pad) voor een wereldlijk doel; anderzijds zag ik wel het positieve effect er van op mensen die bv een achtweekse cursus hebben gevolgd. Zie vroegere blogs van me,  hier  en  hier
Al weer drie jaar geleden, daarna heb ik me er niet zo gericht mee bezig gehouden.
Eerlijk gezegd dacht (en hoopte) ik ook een beetje dat 'mindfulness' als hype al weer over haar hoogtepunt heen was, en opgevolgd is (bv in het programma van Frits Koster in Nederland) door 'heartfulness', de seculiere methode gebaseerd op de eerste twee van de Brahmavihara's: liefdevolle vriendelijkheid en compassie.
Wellicht moet ik m'n oordeel wat wijzigen, of althans milder maken, na het lezen van een nieuw boek.

Verleden jaar verscheen bij de OUP van Jef Wilson het boek 'Mindful America: The Mutual Transformation of Buddhist Meditation and American Culture '
Om eerlijk te zijn, ik heb het nog niet gelezen, alleen een uitgebreide en overwegend positieve review er van door de bekende boeddholoog Franz A. Metcalf in H-Net Reviews.
Zie  deze link  of  als pdf 
Maar ik wil niet met het rustig gelezen hebben van dit bijna 300 pagina's bevattende boek wachten, voor ik in deze blog er aandach aan wil besteden.
Daarom hier een vertaalde selectie uit de bespreking door Metcalf, d.w.z. hier en daar licht geparafraseerd en hier en daar een paar alinea's (m.n. citaten van Wilson) onvertaald latend.

" In 'Mindful America' neemt Wilson ons echt mee op een rondleiding door de mindfulness-beweging in Amerika. We kunnen dit verwachten in een onderzoek van een nieuw veld, maar wat me het meest stimuleerde was toen ik merkte dat Wilson meer dan dit heeft gedaan. In deze review zal ik onevenredige aandacht te besteden aan 'the books beyond' vooral het nawoord.

Direct al in de inleiding zet Wilson zet het Amerikaanse binnenhalen en de aanpassing van mindfulness in context: 'An important guiding thesis for 'Mindful America' is that this is actually how Buddhism moves into new cultures and becomes domesticated: in each case, members of the new culture take from Buddhism what they believe will relieve their culture-specific distresses and concerns, in the process spawning new Buddhisms (sometimes, crypto-Buddhisms) that better fit their needs (p. 3) '.
Wilson behandelt de geschiedenis van het Boeddhisme als een geschiedenis van aanpassing en verandering in reactie op wereldlijke behoeften.
De structuur van het boek is gebaseerd op deze visie, omdat in elk hoofdstuk wordt ingegaan op een aspect van het proces van aanpassing van mindfulness (en van het Boeddhisme).

Een verdere commentaar op de inleiding: Wilson zegt onomwonden: 'At no point in this book do I address or attempt to tackle the issue of whether mindfulness actually works–that is to say whether it delivers any of the benefits suggested herein by my subjects, from nirvana to weight loss. I have no idea whether it works, and it is not a question I am interested in answering (pp. 10-11) '.
Hoewel ik sympathiseer met Wilson's wens om de misschien onbeantwoordbare vraag van de werkzaamheid van mindfulness te omzeilen, zet ik vraagtekens bij zijn desinteresse erin. Hij schrijft dat hij ontelbare uren mindfulness heeft beoefend, maar beweert niet over een persoonlijke mindfulness-praktijk te beschikken, net zo min als die uren die hij aan onnoemelijke aantallen christelijke gebeden heeft besteed een rol hebben gespeeld in ander onderzoek van hem': 'for my purposes here, it simply doesn't matter whether mindfulness works (p. 11)'. Ik geloof niet dat een belijdend boeddhist kan beweren dat deze acties parallel zijn of dat de vragen van de werkzaamheid van mindfulness niet belangrijk voor hem is. Hier zit, in mijn ogen, is een façade van objectiviteit, een façade die endemisch is in religieuze studies en een objectiviteit die, zo beweer ik, niet bestaat en niet kan bestaan.

Hoofdstuk 1, 'Mediating Mindfulness ', onderzoekt de middelen en vormen waarin mindfulness naar Amerika is gekomen. Uiteraard, dit is het meest historisch georiënteerd hoofdstuk, het verplaatsen van de vertaling van Sati om mindfulness in premoderne boeddhistische culturen naar twintigste eeuwse vormen. Het richt zich vooral op de Insight Meditation Society, Thich Nhat Hanh, en Jon Kabat-Zinn, de meest vooraanstaande pioniers van de Amerikaanse mindfulness (afgezien van mogelijke allochtone vormen). Het hoofdstuk brengt ons op de hoogte van de expansie van de mindfulness in door niet-monniken geleide vormen, voorbij zelfs door lekenboeddhisten geleide vormen, in de zelfhulp beweging en journalistieke reportage.

Hoofdstuk 2, 'Mystifying Mindfulness ', begint met Wilson's onderzoek van Amerika's consumptie van mindfulness. De titel is eigenlijk het antwoord op de vraag uit de subtitel:
'How Is Mindfulness Made Available for Appropriation? '
'Americans alter, diminish, obscure, eliminate, or simply ignore the historic connection between Buddhism and mindfulness (p. 44) '.
Kosmologie wordt metafoor, de monastieke context wordt verwijderd, en Aziaten worden vervangen door blanken. In de negentiende en vroege twintigste eeuw wordt mindfulness gebruikt om het boeddhisme te verkopen. In de late twintigste eeuw is het boeddhisme van mindfulness verwijderd om mindfulness te verkopen. In het begin eenentwintigste eeuw is 'opmerkzaamheid zo aantrekkelijk en gedenatureerd dat het kan worden gebruikt om andere producten te verkopen (blz. 73)'.

Hoofdstuk 3, 'Medicalising Mindfulness ', 'continues the theme of mystification of Buddhist mindfulness … by examining a very specific type of mystification and reapplication: the recontextualization of mindfulness as a psychological technique (p. 76) ' . Hier ligt de focus op het werk van Kabat-Zinn. …
Kabat-Zinn en de mindfulness-beweging in het algemeen houden er aan vast dat het boeddhisme fundamenteel de Dharma is, en dat de Dharma fundamenteel mindfulness is; dat mindfulness fundamenteel universeel is , en dat het dus een upaya is om mindfulness brengen aan de massa door welke middelen dan ook als ze maar werken. Maar tegelijkertijd is dit programma zo succesvol, dat het het Boeddhisme naar eigen beeld heeft herschapen. Is Wilson nu wel of niet kritisch over deze modificatie? Dit is een van de momenten van verwarring waar ik
[Metcalf dus] van sprak.

Van de zes hoofdstukken richt hoofdstuk 4, 'Mainstreaming Mindfulness ', zich het duidelijkst op wereldse voordelen. Belangrijk is dat Wilson hier niet denigrerend over doet. Integendeel, ziet hij een fascinerende ommekeer in dit proces van mainstreaming: 'In the American context, this means that mindfulness – historically associated with the transcendent, renouncing side of Buddhism, as well as in a more minor way with attainment of monastically-desired superpowers – is assimilated instead to an alternate but equally venerable strand of Buddhist tradition: the quest for practical, worldly benefits by lay Buddhists (p. 109) ' .
Let op twee belangrijke elementen in de observatie van Wilson. Ten eerste, de omkering: mindfulness, oorspronkelijk ingebed in de kloostercontext en en transcenderende kant van het boeddhisme, wordt opnieuw geworteld in haar wereldlijke en praktische kant. Ten tweede is er Wilson's aanvaarding hiervan: hij oordeelt niet het eerstgenoemde aan 'echte' of 'goede' boeddhisme. Elke zijde is gelijk om zijn woord te gebruiken 'eerbiedwaardige'. Hoewel ik lichtjes Wilson's tegenzin heb bekritiseerd om vormen van mindfulness te evalueren, waardeer ik hier een vrucht van zijn positie: een vrijheid van hypostasizing of reïficering van een bepaald geliefd aspect van het boeddhisme als de essentie.
Dus wat zijn de (vermeende) wereldse voordelen van mindfulness? Wilson besteedt aandacht aan haar aspect van een 'geest genezen', om zijn hulp bij de bestrijding van eetverslaving en accepteren van het lichaam....
De mindfulness beweging is niet de onthulling van het oorspronkelijke Boeddhisme, voordat culturele aanwassen het hebben bedorven en vervormd. Veeleer is het gewoon een andere culturele aanpassing aan de wereldse voordelen. 'Thus the immense popularity of mindfulness does not represent, as its proponents sometimes allege, a universal noncultural Buddhism', but 'another creative reinterpretation to meet local needs and anxieties (p. 131) '.

Voor degenen onder ons die zich de zestiger jaren herinneren of die zelf verschijnen in Wilson's bibliografie in een niet-wetenschappelijke vermomming, zal hoofdstuk 5, 'Marketing Mindfulness ', waarschijnlijk een beetje verontrustend zijn. De pijler is de scherpe observatie dat 'the promoters of mindfulness in America … know mindfulness is highly valuable and they know that they cannot actually sell the thing itself. Given this conundrum, peddlers of mindfulness must take two indirect approaches: they must either sell auxiliary products designed to introduce or augment mindfulness, or sell their expertise at teaching mindfulness and delivering the benefits of mindfulness (p. 136)'.

Wilson's zorg is hier, net als elders, niet om het aanbod zelf te evalueren; in plaats daarvan evalueert hij de marketing zelf van de aangeboden producten.
Wilson beschrijft (een beetje te uitgebreid) de uiteenlopende marketing van drie boeken voor vrouwen en citeert voorstellen van Kozo Hattori's om mindfulness (ook) voor mannen interessanter te maken, waaronder het doen van mindfulness in het leger en in gevangenissen.

Na de grondige bespreking van commercialiteit in hoofdstuk 5, bespreekt het laatste hoofdstuk (6) , 'Moralising Mindfulness ', de ethische aspecten, zowel voor individueel gedrag en politieke veranderingen. De sectie 'Amerikaanse boeddhistische klaagzangen', citeert Wilson veel fragmenten, sommige rijkelijk lang.
In de rubriek "Mindfulness, Human Nature, en Values ', krijgt de lezer een glimp van wat volgens mij Wilson's diepgewortelde opvatting is: dat mindfulness is niet verrassend stevig in lijn met de boeddhistische opvattingen en waarden is. Bijvoorbeeld over het werk van Jan Chozen Bays op bewust eten, schrijft Wilson: ' This emphasis on strict self-discipline is partially a trace of the monastic origins of these practices –seemingly, rigorously applied mindfulness during eating and other daily activities develops into a sort of lay, fully secularized neomonasticism in the American context (p. 174) ' .

Wilson merkt nadrukkelijk op dat 'in mindfulness movement writings the present moment becomes both savior and heaven: the vehicle for salvation and salvation itself (p. 174)'. Dit proces kan volgens mindfulness-enthousiastelingen leiden tot het aanbreken van een nieuwe beschaving, getransformeerd door de opmerkzaamheid van individuen en geleidelijk leiden tot fundamentele verandering in alle dimensies van de samenleving. Dit zijn grote claims en ook typisch Amerikaanse.

Na 175 pagina's van beschrijvende aard wordt Wilson analytisch in een tien pagina's lang nawoord (postscript). Hoewel tien pagina's alleen maar diepe analyse vluchtig kunnen aanraken, bevatten ze wel zeer stimulerende hints.
Wilson begint met het aansluiten van mindfulness op drie categorieën in de Amerikaanse religieuze geschiedenis: metafysische religie, spiritualiteit, en liberale religie, krachtig mindfulness aan elk ervan koppelend.
Ten eerste, de Amerikaanse religieuze geschiedenis. Wilson beweert dat mindfulness voldoet aan alle vier kenmerken van metafysische religie...
[Dit begrijp ik misschien als ik het boek zelf lees, hier niet, Joop]

Ten tweede beweert Wilson dat de Amerikaanse spiritualiteit, in ieder geval sinds het begin van de negentiende eeuw, meditatie verwelkomt. In eerste instantie als een verbinding met de kosmische; dan als een onderbreking van de moderniteit. Dit leidt tot een opvallende claim:
'The genius of mindfulness is that it takes this trajectory all the way to the end-point…. The goal is no longer detachment but thorough inhabitation of the moment, the better to enliven the activity and spiritualize it. The distance between the spiritual and the everyday, between the religious act and the mundane, has been completely collapsed and erased (p. 192). '
Ik geloof Wilson gelijk heeft en ik wou dat hij ons zijn evaluatie gegeven zou hebben van deze prestatie, omdat ik geloof dat dit baanbrekend is in de geschiedenis van de Amerikaanse religie. Maar nogmaals, hij begint gewoon het gesprek, de evaluatie overlatend aan anderen.

Ten derde, …. Hetzelfde proces lijkt in het spel als liberale boeddhisten werken om de Amerikaanse samenleving meer mindful te maken. Als ze slagen, 'Buddhism not only loses control over mindfulness but potentially comes to be extraneous, lacking any meaningful role in mindfulness and failing to shape the further trajectories that mindfulness takes in American culture (p. 193)'.
Wilson benadrukt nog eens dat 'All Things to All People,” and that this is not a pretense but an expression of the adaptability of the technique (pp. 194-195). Voor Wilson dit 'demonstrates the central Buddhist insight that all things are empty of self-nature (p. 195).'
Misschien verklaart dit zijn weigering om mindfulness of haar legitimiteit als boeddhisme te beoordelen. Wat immers is dat?

Tenslotte stelt Wilson over mensen die weerstand hebben tegen het gebruiken en veranderen van mindfulness door niet-boeddhisten, de scherpe vraag: 'What about the perspectives of Buddhists who attempt to resist these processes–how and why do they do so?' (p. 197).”


Hieronder de eerste vier plus de laatste pagina's van Wilson's 'Postscript ', er op klikken maakt ze leesbaar.



Of ik (hier spreekt Joop weer) het er helemaal mee eens bent, weet ik niet. Ik reken me de laatste vraag van bovenstaand citaat ook aan. Mindfulness heeft ook zo kunnen groeien in Amerika omdat het de religieuze Boeddhistische veren heeft afgeworpen en daarmee niet langer een concurrent van het Christendom als dominante religie in de V.S. was en daarmee ruimte kreeg.
Bovendien is mindfulness voor de consumptiemaatschappij ongevaarlijk geworden omdat de ethische dimensie en de voorgeschreven sobere leefwijze (ik heb het uiteraard vooral over de Theravada, want daaruit is mindfulness afkomstig) uit deze boeddhistische religie is gestript.
Maar misschien behandelt Wilson deze aspecten ook wel.
Ik heb het boek inmiddels besteld en kom er misschien nog wel een keer op terug.

woensdag 11 februari 2015

Zen punt Ennel zegt het boeddhisme definitief vaarwel

'Zen' is steeds al een merkwaardig kind van de boeddhistische familie geweest. Vooral omdat boeddhisme voor veel of sommige (aantallen zijn moeilijk te geven) dogma's betekent, opvattingen dus, en daar zijn ze tegen. Dat is met name het geval bij Zennies die een katholieke jeugd hebben gehad, en dat zijn de meesten.

Alleen kwamen daar bij de beoefening van Zen vaak weer andere opvattingen, en andere rituelen, voor in de plaats, of ze zich dat nu realiseerden of niet.
Dat van die opvattingen realiseren ze zich vaak niet; één voorbeeld: het celebreren van het 'niet weten ' is òòk een opvatting.
Met die rituelen is het gecompliceerder. Het is altijd zo: door de voordeur gaan de rituelen er uit, door de achterdeur komen ze weer binnen, al dan niet gewijzigd. Elke groep - en zeker een groep met een min of meer permanent karakter - heeft rituelen.

Bij Zen.Nl gaat dat er steeds nogal geforceerd aan toe. Zen.nl is een paar jaar geleden negatief in de publiciteit gekomen doordat hun CEO, Rients Ritskes, de banden met z'n Japanse leraar had doorgesneden, volgens hemzelf; of er uit gesmeten was, volgens anderen. Met name het ritueel 'overdracht door of namens een Japanse leraar' is verdwenen, en vervangen door 'overdracht door Rients Ritskes', degene die bepaalt wie een opleiding tot lokaal Zen-leraar mag volgen.

Zen.nl maakt zich ook 'schuldig' aan een speciaal ritueel: dat van het Cijferfetisjisme. Ze denken het effect van hun meditatie, en dan speciaal iets gevaarlijks als 'geluk' te kunnen meten met grote nauwkeurigheid; en - ook wantrouwen oproepend - onveranderlijk met hoge positieve resultaten.
Zie bv www.zen.nl/nl/evaluatie.php. Dat begint met: '98% van onze cursisten beveelt ons aan '; zelfs verkiezingen in het communistische Oostblok destijds haalde zulke cijfers niet.

Maar er wordt opnieuw een stap verder gegaan. In een artikel in de Volkskrant van 11 februari 2015 - gewoon gratis reclame -  hier te lezen
In dit artikel wordt ene Hans Wanningen geciteerd, met als functies 'filosoof, zen-leraar en zen-publicist '. Hij stelt dat het nieuwe zen (volgens mij hoeft dit in de geest van dit artikel 'zen' niet meer met een hoofdletter geschreven te worden) 'geen oosterse ver-van-mijn-bed-show meer '.
Wat een ouwerwetse uitdrukking, te spreken over een 'ver-van-mijn-bed-show'.

Het gaat verder: 'Bij een succesvolle zenschool zoals zen.nl is het Japanse gedachtengoed goeddeels van esoterische en cryptische elementen gestript. In zijn eigen meditatietrainingen aan deHogeschool Arnhem/Nijmegen gaat Wanningen nog verder: hij ontdoet het vergaand van de Japanse elementen en verbindt het met inzichten uit de moderne gelukswetenschap'

Ah, 'GELUK'. Nu komen we bij het unique selling point van zen.nl, in hun eigen opvattingen althans.
Ik stel daar tegenover: geluk is op zich niets waard, het is zeker niet iets waarnaar gestreefd moet worden. En boeddhistisch is het al helemaal niet. Het boeddhisme kenmerkt het menselijk bestaan (en dat van dieren trouwens ook) door de begrippen dukkha, anicca en anatta.
Ik citeer uit het Wikipedia-artikel   hierover.
'1.Alle geconditioneerde dingen zijn anicca (Pali): impermanent, inconstant, veranderlijk van aard.
2.Alle geconditioneerde dingen zijn daarom ook dukkha: pijnlijk, brengers van ongemak en oncomfortabel. Dukkha verwijst ook naar de inherente stress die veranderlijke dingen beleven.
3.Omdat ze inconstant en veranderlijk zijn en ongemak brengen, is het niet passend om ze als iemands bezit of als 'zelf' te beschouwen. Ze zijn anatta: niet-zelf of zonder zelf, zonder eigenaar, bezitter.
'

Misschien wordt dit ook wel bedoeld met 'esoterisch en cryptisch'?
Zen.nl en ook Wanningen hebben deze drieslag vervangen door: succes, groei en geluk. Bah.
Wat dat betreft hecht ik meer waarde aan de 'Voetnoot' in dezelfde Volkskrant van Arnon Grunberg: 'Alles wat echt is, blijft verborgen '

Het zal de lezer duidelijk zijn: ik neem zen.nl cum suis niet zo serieus.
Maar ik wil nog wel een serieuze opmerkingen maken bij een citaat (van Wanningen) dat als tussenkop een nogal prominente plaats in het artikel inneemt:
                                    ' Het zien dat gedachten afdwalen, dàt is de kern '

Voor mij is dat helemaal niet de kern (van het leven, van de meditatie). De kern is dat het niet erg is dat gedachten afdwalen, want in dit citaat zit de opvatting (van veel meditatieleraren) verstopt dat gedachten niet zouden moeten afdwalen in de meditatie.
Ik zet daar de opvatting van Jason Siff tegenover dat het heel goed is gedachtenstromen tijdens het meditatieproces te volgen, zo dat men zich die ook achteraf herinnert, want dat is het meest leerzaam.
Dat is dan ook de titel van zijn meest recente boek: 'Thoughts are not the enemy ' Zie het tweede besproken boek in m'n blog van begin december 2014


PS 1:
Een artikel van Hans Wanningen in het laatste nummer van BoeddhaMagazine, met als titel 'Geluk is maakbaar (gedeeltelijk dan) ', bevat ook weer de schijnexactheid van: 'geluk wordt voor 40% bepaald door je eigen attitude' etc. Van hem wordt hier ook vermeld dat hij momenteel een boek schrijft over zenmeditatie en geluk en dat dat zomer 2015 bij Asoka verschijnt.
Ik denk dat dat niet gaat gebeuren.

PS 2:
Zen.nl is net zo als Soka Gakkai  een van de nieuwe BUN-leden. Van je vrienden moet je het maar hebben.

dinsdag 13 januari 2015

Bhikkhu Bodhi, Theravada monnik en geleerde, schetst drie stappen naar echte vrede; en de rol van onze spirituele beoefening in het bereiken ervan

In het blad Tricycle verscheen verleden week een artikel van de hier vooral als vertaler bekende Bhikkhu Bodhi onder de titel   ' Fostering Peace, Inside and Out
  A Theravada monk and scholar outlines three steps toward real peace,

  and the role of our spiritual practice in achieving it '.      Zie  Tricycle 7 jan.

De stijve en ogenschijnlijk wereldvreemde monnik heeft zich de laatste jaren ontpopt tot een geëngageerd boeddhist en activist, gericht op de grote vraagstukken vrede, armoe, honger en ecologie. Omdat het nodig is.
Ik ben het met z'n betoog eens, al heb ik als scepticus wel eens moeite met z'n 'grote woorden'. Wat ik met name bewonder is dat het tegelijk 'hard' (politiek, economie) en 'zacht' (meditatie, vredelievendheid) is; tegelijk idealistisch en (in filosofische zin) materialistisch.

Hieronder mijn vertaling van dit artikel, waarbij ik dicht bij het origineel blijven belangrijker vind dan fraai Nederlands.
Bhikkhu Bodhi is ook een wetenschapper, dat blijkt wel uit de strenge opbouw (3 paragrafen, ieder weer ingedeeld met 3 onderdelen). Ik houd daar wel van, warrigheid lijkt voor sommigen geëngageerder want meer uit 'het hart' komend, maar dat is een misverstand.
Hij is ook Amerikaan, sommige van zijn uitspraken zijn nadrukkelijk vanuit de Amerikaanse optiek gemaakt. Ik heb niet geprobeerd die naar Nederlandse verhoudingen om te zetten; een aantal van zulke passages heb ik weggelaten.

========================================================================

" Het bevorderen van de vrede, binnen en buiten

Aan het begin van een nieuw jaar is het gebruikelijk voor ons om onze hoop op vrede uit te drukken voor het komende jaar en elkaar vrede toe te wensen. Maar vrede daadwerkelijk te realiseren is geenszins een gemakkelijke taak. Echte vrede is niet alleen de afwezigheid van een gewelddadig conflict, maar een toestand van harmonie: harmonie tussen mensen; harmonie tussen mens en natuur; en harmonie in onszelf. Zonder harmonie liggen de zaden van conflict en geweld altijd klaar om te ontkiemen.

Als ik nadenk over de uitdaging van het bereiken van vrede in de wereld van vandaag, vind ik het nuttig om het onderwerp onder drie grote rubrieken te behandelen: (1) de belemmeringen voor het bereiken van vrede – de barrières die de spanningen handhaven en de conflicten voeden;
(2) de vereisten van de vrede – de doelen die we moeten nastreven om vrede te bereiken;
en (3) de middelen om dit te realiseren.
Elk van dit drietal kan op zijn beurt worden geanalyseerd in drie secundaire aspecten.

De belemmeringen voor het bereiken van vrede

(1) Het streven naar winst-optimalisering: Gedreven door de drang tot winst overspoelen multinationals en andere mammoet bedrijven de markt met schadelijke of frivole goederen. Ze besteden miljarden aan reclame, verzieken de natuurlijke omgeving met giftig afval, en ontduiken wetten die werknemers en consumenten beschermen. Ze nemen wilde risico's die, wanneer succesvol, profijt betekenen voor het management en de aandeelhouders; en bij mislukking afgewenteld worden op het publieke domein. De neoliberale economie heeft geleid tot grotere ongelijkheid van de inkomens en rijkdom. Uit recente cijfers blijkt dat de rijkste 70 mensen nu zelf meer bezit hebben dan de armste helft van de wereld. Hoge niveaus van inkomensongelijkheid worden geassocieerd met economische instabiliteit en crisis, terwijl meer gelijke samenlevingen de neiging hebben meer stabiel te zijn en langere periodes van aanhoudende groei te veroorzaken. Meer ongelijke samenlevingen vertonen hogere aantallen van gewelddadige criminaliteit en lagere niveaus van sociaal vertrouwen; meer gelijke samenlevingen hebben lagere misdaadcijfers en een hechter sociale vertrouwen. Grotere economische gelijkheid draagt zo bij aan de vrede.

(2) Plundering: Sinds het begin van het industriële tijdperk hebben we de schatten van de natuur met roekeloze overgave geplunderd. Vandaag drijft deze leeghalende gemoedstoestand ons steeds dichter bij de rand van een calamiteit; want deze roofzuchtige economische activiteit verstoort de natuurlijke klimaat cycli waarop het menselijk leven gebaseerd is. De grote fossiele brandstoffen corporaties plunderen de aarde van olie, kolen en gas, oude bossen vernietigend, bergen aan stukken opblazend, en diep in de zeebodem borend. Ze vervoeren de stoffen die ze halen over grote afstanden van de bron naar de raffinaderij op de markt. Fabrieken vullen de hemel met kooldioxide, fijn stof en schadelijke toxines. Ze lozen giftig afval in rivieren en meren, een vergiftiging van de watervoorraden waarvan hele gemeenschappen afhankelijk zijn.

Cumulatieve uitstoot van koolstof verwarmt de planeet en de zeeën. We hebben al een voorproefje van de toekomst in de vreemde weer-gebeurtenissen die zich voordoen met een grotere frequentie: droogte, overstromingen, hittegolven en misoogsten. Als grote gebieden van de aarde verdorren, zullen we geconfronteerd worden met massale migraties die spanningen kunnen verhogen en gewelddadige confrontaties ontsteken. Staten kunnen mislukken, ontketenen chaos en brengen tirannen aan de macht en de lanceren veroveringstochten. [Ik vermoed dat Bhikkhu Bodhi het hier over de IS heeft, Joop R]

(3) Machts-uitoefening: Gedreven door beperkte economische belangen, proberen de machtige landen hun macht te vergroten door het projecteren van de strategieën van de volledige dominantie over de hele wereld. Ze financieren steeds geavanceerdere wapensystemen, besteden miljarden aan bewapening, en bespioneren hun burgers. Ze manipuleren internationale protocollen in hun voordeel, verhogen spanningen tussen oude rivalen. Wapensfabrieken gedijen op de spanningen, die zij beschouwen als nieuwe kansen voor de winst. Globale vijandelijkheden koken over en in bepaalde hotspots ontploffen periodiek uitbarstingen van dodelijk geweld.


De vereisten voor het bereiken van vrede

(1) Bescherming: Om echte vrede te bereiken hebben we een wereldwijde inzet nodig voor het overal beschermen van mensen tegen schade en ellende. Dit engagement moet geworteld zijn in een universeel perspectief dat ons in staat stelt om alle mensen als broeders en zusters te zien, die zorg en respect waardig zijn, ongeacht hun etnische, nationale en religieuze identiteit. Als Amerikanen wij kunnen we niet door gaan met de manier van denken dat Amerikaanse levens belangrijker zjn dan de levens van mensen elders – in Irak en Afghanistan, in Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië. We kunnen niet denken dat alleen het leven van de middenklasse mensen telt, maar niet het leven van de zwarte jongeren in Chicago, herders in Ethiopië, rijstboeren in de Filippijnen, of fabrieksarbeiders in Bangladesh. In plaats daarvan moeten we juist alle mensen beschouwen als begiftigd met intrinsieke waarde, die we moeten bevestigen door het waar maken van een grotere economische, sociale en politieke rechtvaardigheid.

(2) Verduurzaming. De grootste uitdaging van onze tijd is om de klimaat-chaos te voorkomen. De aarde is ons onvervangbare thuis, en als we dit vernietigen, zullen we geen andere plek hebben om te gaan. Met de snelheid waarop we nu broeikasgassen uitstoten, zal binnen enkele decennia de temperatuur op aarde verhoogd zijn tot het punt waar de planeet onherbergzaam voor het menselijk leven wordt. Al het geld in de wereld zal waardeloos zijn op een planeet, waar de graanvelden verdord en de oceanen dodelijk verzuurd zijn.

We moeten beginnen met het maken van een snelle en volledige overgang naar een nieuwe economie aangedreven door schone en hernieuwbare energiebronnen. De zon, de wind en de aardwarmte zijn in staat om ons te voorzien van alle energie die we nodig hebben. Het belangrijkste obstakel tot op heden is het gebrek aan politieke wil, waarbij een band van machtige bedrijven, lobbyisten, en inschikkelijke politici de harde door de wetenschap geleverde waarheden ontkennen of verwerpen terwijl juist het inzien ervan rationeel eigenbelang betekent.

We moeten opstaan tegen geld-gedreven belangen en druk op onze regeringen en maatschappelijke groepen uitoefenen om de overgang naar een toekomst met schone energie te versnellen. Onze 'window of opportunity' is zich aan het sluiten, en we moeten snel handelen voordat die dichtklapt. We hebben behoefte aan een gevoel van urgentie, alsof onze kleren in brand staan, een drang om te handelen om deze kostbare planeet – een wonder in een zee van kosmisch stof – te behouden, een blauw-groene parel vol met levende vormen.

(3) Welvaart. Terwijl extreme rijkdom van enkelen het leed voor vele anderen betekent, is 'welvaart' een maatschappelijk goed waarin we allen zouden moeten kunnen delen. Er is zeker genoeg rijkdom in de wereld om ervoor te zorgen dat iedereen voldoende voedsel, kleding, huisvesting en medische zorg zou kunnen krijgen. Het probleem is niet het gebrek aan rijkdom, maar de ongelijke verdeling ervan.

Om de fundamenten voor echte vrede te leggen, moet zowel nationaal beleid als internationale instellingen voorrang geven aan de verbetering van de situatie van mensen met de ergste extreme armoede. In de huidige wereld leven 900 miljoen mensen in voortdurende voedselonzekerheid, terwijl ten minste twee miljard lijden aan ondervoeding. Zes miljoen mensen per jaar, meer dan de helft van hen kinderen, sterven aan chronische honger en ziekten. De VN schat dat het zo'n 30 miljard dollar per jaar zou kosten om de honger in de wereld op te lossen, een kleine fractie van de 737 miljard dollar die de VS in 2012 aan defensie besteedt. De aanpak van honger in de wereld is niet alleen een morele en ethische verplichting, maar een beleid dat positieve economische effecten moet hebben en wereldwijde solidariteit bevordert. Het zou een enorme stap in de richting van vrede in de wereld zijn.

De VS, als de rijkste land ter wereld, kan gemakkelijk voorzien in de basisbehoeften van al onze burgers. Maar dit zal nieuwe waarden vereisen. In plaats van individualisme en ambitie te bevorderen, moeten we samenwerking en mededogen aanprijzen. In plaats aan te zetten tot concurrentie moeten we harmonieuze gemeenschappen en sociale solidariteit voeden.


De middelen om dit te realiseren

(1) Gebed, meditatie en contemplatie. Mensen van het geloof moeten hun transformatieve actie wortelen in de geestelijke disciplines van gebed, meditatie en contemplatie. Terwijl traditioneel dergelijke praktijken dienden als stapstenen naar de realisatie van een transcendent doel, hebben we vandaag de dag behoefte aan een bredere spirituele visie die zowel het goddelijke als het alledaagse, zowel het transcendente als het immanente, aan elkaar voegt in een integraal geheel. Door ons in innig contact met de transcendente grond van gerechtigheid en liefde te brengen, kunnen beoefeningen zoals meditatie en contemplatief gebed ons de kracht geven om meer rechtvaardigheid en liefde in de wereld te brengen. Door de giftige stoffen van hebzucht, haat en egoïsme uit ons hart te spoelen, kunnen we ons door deze beoefeningen openen naar de universaliteit van het lijden, onze compassie laten ontwaken en ons inspireren om een bron van het goede voor anderen te worden.

(2) Vrede. Vrede is niet alleen het doel van onze inspanningen, maar ook een middel voor het bereiken van dat doel. Vrede behoort tot de middelen want om vrede te stichten, moeten we rustig in onszelf zijn. Als onze geest geagiteerd is door woede en wrok, lopen onze inspanningen om vrede te bevorderen kans om juist meer conflicten te creëren en misschien meer geweld te ontsteken. Een boze geest is niet een betrouwbaar instrument voor het bevorderen van vrede. Maar als onze geest rustig is, zullen onze lichamelijke handelingen rustig zijn, en zullen we een sfeer van liefde, zorg en barmhartigheid bevorderen, die zal helpen om vreedzame betrekkingen aan te knopen.

(3) Participatie. Terwijl het nastreven van meditatie en andere spirituele beoefening als privé zoektocht naar innerlijke bewustwording en bevrijding gepast kan hebben in het wereldbeeld van tijdperken in het verleden, moet in de wereld van vandaag onze nadruk verschuiven naar een meer participatieve vorm van spiritualiteit. Een vorm die de zoektocht voor innerlijke vrede verenigt met de inzet voor vrede in de wereld, menselijke eenheid en het voortbestaan van onze planeet. Onze toewijding aan contemplatieve beoefening kan ons inspireren tot een sterker streven om sociale en economische rechtvaardigheid te bevorderen, om vitale ecosystemen van de planeet te behouden, en om langdurige vijandschappen te genezen. Op hetzelfde moment kan onze actieve inzet voor het welzijn van anderen onze eigen spirituele groei voeden, onze compassie verdiepen en onze morele integriteit versterken.

Er zijn vele podia waarop we participatieve spiritualiteit in actie kunnen realiseren. We kunnen organisaties steunen die pleiten voor armoedebestrijding, klimaatverandering benoemen, en het bevorderen van de ethische behandeling van dieren, immigratie-rechten, en een betere beloning voor fast-food werknemers. We kunnen schrijven naar onze volksvertegenwoordigers, het uiten van onze visie op de problemen die ons het meest diep raken. Ons geluid laten horen als uiting van onze waarden en ons geweten. Hoewel het verkiezingsproces in dit land ernstig scheef is gegroeid, in het voordeel van het Grote Geld, tellen onze stemmen nog steeds en kunnen we het verschil maken.

Om aan het geweten in actie uiting te geven, kunnen we petities ondertekenen, aan marsen en aan demonstraties deelnemen [Bhikkhu Bodhi verwijst o.a. naar 'marsen tegen de honger' , najaar 2014 in de VS gehouden; Joop R].

Terwijl het streven om vrede te bereiken vaak frustrerend kan zijn, moeten wij ons er van bewust zijn dat niets van waarde kan worden bereikt zonder inspanning. De komst van vrede en van gerechtigheid gaat langzaam, we zullen ze nooit zonder slag of stoot verkrijgen.

Laat ons 2015 tot een jaar maken waarin we ons stevig inzetten voor het streven naar echte vrede. Dan, een jaar vanaf nu, kunnen we terugkijken op 2015 en en zien dat we onze tijd goed hebben besteed. "

vrijdag 2 januari 2015

Inzichts Meditatie de komende veertig jaar (in de VS)

Bijna de helft van de leraren Inzichts Meditatie is zestig jaar of ouder. Een groot deel - met name degenen met een gezin of met gezondheids/pensioenzorgen - heeft moeite met dana als (enige) vorm van inkomen.

Dit zijn enkele van de conclusies van een onderzoek dat is gedaan onder deze leraren waarvan er ruim honderd reageerden op een vragenlijst over de huidige en toekomstige situatie van de Inzichts Meditatie. ('Veertig jaar' vind ik daarbij rijkelijk overdreven, tien is al veel)
In het Westen welteverstaan: de enquete is gestuurd aan individuele leraren, deelnemers aan een grote vipassana-leraren-meting in 2013, aan leraren verbonden aan de grote instituten in de Verenigde Staten zoals  Spirit Rock  en  IMS  (in het artikel 'Councils' genoemd),
en aan leraren verbonden aan  Gaia House (Engeland) en  Beatenberg (Zwitserland).
Overwegend gaat het wel om de antwoorden van (blanke) Amerikanen, ongeveer evenveel vrouwen als mannen.

Over dit onderzoek is gerapporteerd in een voorjaar 2014 gepubliceerd rapport  'Insight Retreat Teacher Survey '. Een samenvattend artikel hierover is afgelopen najaar verschenen in het tijdschrift 'Inquiring Mind '; het is dit artikel dat ik hieronder samenvat en waarvan ik de resultaten probeer te vergelijken met de situatie in Nederland.

'Insight Meditation ' is de boeddhistische traditie met overwegend Theravada-wortels die zo'n veertig jaar geleden in de VS is gaan groeien met pioniers als Joseph Goldstein, Jack Kornfield, Sharon Salzberg, Christina Feldman, Christopher Titmuss, Ruth Denison en anderen.
Een soort jubileum dat aanleiding was voor de vraag: Hoe gaat het de volgende veertig jaar ?

In Nederland wordt vaak de term 'vipassana ' voor deze traditie gebruikt, in veel gevallen verbijzonderd tot 'vipassana volgens de methode Mahasi Sayadav' (en zijn ook andere methoden, bv de vipassana à la Goenka). Toch is dat te beperkt, in bovengenoemde centra worden ook retraites met andere methoden gegeven, bijvoorbeeld gericht op samatha of op metta en 'Insight Dialogue'. In de meeste gevallen dan wel in relatie tot of samen met inzichts meditatie. Maar niet altijd: de Zen-achtige retraites van Martine Batchelor worden ook gewoon 'insight meditation' genoemd.

Van de Nederlandse leraren hadden ook degenen die voorkomen op de lijsten van de SIM of Sanghametta het enquete-formulier gekregen kunnen hebben, of de groep van veertien Mettavihari-leerlingen, maar voorzover ik weet is dit niet het geval geweest (misschien zijn we wel te marginaal).
Van 'de veertien' is duidelijk wie er bij hoort en wie niet; de lijsten van SIM en Sanghametta hebben (in mijn opvatting) echter onduidelijke criteria. Zie bijvoorbeeld onderaan m'n blog van 8 sept onder het kopje 'Kunnen we hier van leren?'

Opvallend is verder dat de enquete uitsluitend gericht is op de leraar die een meerdaagse retraite (in een gebouw waar de mediterenden ook overnachten) begeleidt. Wekelijkse sessies van min of meer vaste groepen mediterenden met een leraar een dagdeel in een gehuurd of (soms eigen) gebouw is niet het onderwerp. Mogelijk komt dat in landen met grotere (reis)afstanden dan in Nederland relatief minder voor (maar het komt wel voor, diverse boeken van Amerikaanse leraren gaan deels daarover).
Nog een mogelijk verschil: retraites in Nederland, bv die georganiseerd door de SIM of Sanghametta, worden deels gegeven door naar ons land gehaalde Aziatische monniken (waarvan een deel wel weer van Westerse origine is); in het survey rapport heb ik daar niet over gelezen. Het is denkbaar dat de VS een paar jaar voor is en dat dit in Nederland een afnemend verschijnsel wordt.

Het onderzoek van begin 2014 is uitgevoerd door de BIN (Buddhist Insight Network); een in 2010 opgerichte vrijwilligersorganisatie van leraren, leiders en sangha's die zich rekenen tot de “Insight Meditation movement”. In feite gaat het om de VS, Engeland, Canada en Zwitserland. Ze noemen zichzelf ook wel meta-sangha. Hier hun website www.buddhistinsightnetwork.org .

=====================================================================

Samenvatting van de onderzoeksresultaten

Het artikel in Inquiring Mind - titel 'The Next Forty Years' begint met een citaat van de grand old man van de Inzichts Meditatie, Jack Kornfield:
"It looks like the next generations of teachers will need to figure out how to create systems that better support themselves and also keep the Dharma available... while the older ones have to figure out how to handle the growing needs of old age. With our non-village culture, and being non-monastic lay teachers in a Western materialistic society, it’s a new game. Good luck to us.” "

Wat 'non-village culture' is weet ik niet, maar hier komen wel de centrale thema's kort aan de orde: de pioniers zijn oud geworden en (sommigen van) van hen maken zich zorgen over hun oude dag, het stokje moet worden overgedragen de komende decennia; en het gaat en zal blijven gaan om leken-leraren in een niet-klooster-setting.
'Inzicht meditatie' is in dit citaat (en de rest van het rapport) expliciet 'Dharma', 'boeddhisme' dus, naast (niet tegenover) de seculiere 'mindfulness'. Dit is wel het opmerken waard want van in Nederland aangeboden vipassana wordt het boeddhistische aspect ervan wel eens onduidelijk gehouden.

Demografische karakteristieken
Vierenveertig procent van de leraren is zestig jaar of ouder; dertig procent is jonger dan vijftig jaar. Slechts 47% van de leraren in opleiding is jonger dan vijftig jaar. Van de volledig opgeleide leraren is 89% wit (ik volg het Amerikaanse politiek correcte taalgebruik); bij de leraren in opleiding is 81% wit.

Activiteiten en inkomen uit retraites
Gemiddeld is het aantal dagen per jaar dat men retraites geeft, achtendertig. Bij volledig opgeleide leraren, met name bij degenen die lid zijn van een 'Council' ligt dit gemiddeld hoger; zij halen ongeveer de helft van hun jaarinkomen uit meerdaagse retraites; bij leraren die geen lid zijn van een 'Council' is dit gemiddeld 10%.
Degenen die niet bij een 'Council' horen, maken zich zorgen over de kansen die ze krijgen om een retraite te kunnen geven in een residentiële setting.
Sommige leraren geven ook seculiere mindfulness (bv MBSR, meditatie op scholen etc), maar de meerderheid (76%) van de leraren verwerven minder dan 20% van hun inkomen uit seculiere mindfulness cursussen.

Tevredenheid met het op dana gebaseerde systeem
Van het totale aantal respondenten is 74% tevreden met het op dana gebaseerde systeem van vergoeding voor de leraar. Van de 'witte' leraren is slechts 8% ontevreden, van de 'gekleurde' is het 33%; er is geen duidelijke verklaring voor dit grote verschil gevonden.

Verzekeringen en pensioen
Vanwege de grote verschillen tussen de regelgeving in de VS en Nederland wat betreft ziektekostenverzekering en AOW beperk ik me tot de conclusie dat leraren Inzichts Meditatie deze thema's (die in samenhang met elkaar worden beleefd) in toenemende mate als zorgwekkend zien.
Suggesties worden gedaan als een gezamenlijk pensioenfonds en een fonds voor ziek geworden collega's, gevoed met een toeslag van een paar dollar op de inschrijvingskosten van retraites per deelnemer.

Factoren die het retraites geven beperken
Op de vraag 'hoe vaak heeft in de afgelopen drie jaar de capaciteit van het retraitecentrum de deelname aan uw retraites beperkt?' antwoordt 46% van de leraren met 'frequent' of soms'; bijna de helfst dus.
Maar liefst tweederde van de leraren zien de hoogte van de registratiekosten - inclusief betaling voor eten en onderdak neem ik aan - als een ernstige beperking voor deelname aan de retraite!

Kijken naar de toekomst, een aantal vragen ter reflectie
Ik maak hier niet alleen gebruik van het artikel in Inquiring Mind maar ook van de formuleringen in het volledige rapport. De m.i. belangrijkste vragen, ter wille van de precisie niet vertaald, zijn:
  • It would be easy to pit the pragmatic and aspirational views of teaching against one another, either treating teaching solely as a professional career or idealizing the monastic model and failing to adequately support teachers. What might an integration of the pragmatic and aspirational aspects look like? Have we achieved this with the current dana model? Are there alternatives or enhancements we might consider? Can we envision the emergence of an Insight Network that might provide additional support for teachers, thereby honoring the sanctity of Dharma teaching as an activity and relieving some of the financial pressures?
  • Enhancing the ethnic diversity of the teacher community would bring copious benefits both internally and to those seeking Dharma teaching. Numerous efforts, some initiated many years ago, are attempting to bring this about. Are further institutional efforts necessary to enhance the ethnic diversity of retreat teachers?
  • How will the Insight Movement situate itself in relation to the secular mindfulness movement? What is it that distinguishes the Insight tradition from secular approaches that are integrating Dharma in substantial and meaningful ways? What advantages might come from having a lineage of religious teachings? What leadership might Insight teachers and institutions take in the dissemination of secular mindfulness practice? In what ways might the emergence of secular mindfulness and scientific cross-fertilization actually change how we understand the Dharma?

Tenslotte een thema dat niet aan de orde komt: het betalen van (inkomsten)belasting over de ontvangen dana. Dit speelt kennelijk geen enkele rol bij vraagstelling of antwoorden. Of ik begrijp de belastingstelsels in de betreffende landen niet of men denkt dat dit hen niet betreft, omdat de dana bijna altijd in contant geld wordt gegeven. Hoor ik hier iemand het woord 'zwart' gebruiken?

=====================================================================

Een poging tot vergelijking met de situatie in Nederland

Vergeleken met de VS is Nederland met haar ziektekostenverzekering en AOW nog steeds een verzorgingsstaat, al zakt het niveau ervan voortdurend en al is alleen leven van een AOW-uitkering na het 66e jaar geen vetpot. Maar de problemen met verzekering en pensioen zoals de Amerikanen die hebben, kunnen hier buiten beschouwing blijven.

Bij de andere thema's van het onderzoek lijkt een vergelijking me wel zinvol.
Toch is er nog een ander verschil te noemen: de centra IMS, Spirit Rock en Gaia House zijn in hun methoden behoorlijk eclectisch, terwijl in Nederland er met de erfenis van de Eerwaarde Mettavihari een vrij sterke monocultuur is ontstaan, al zijn er ook hier retraites met een andere methode dan die van Mahasi Sayadaw.

Wat vooral vergelijkbaar is:
  • de steeds hoger wordende gemiddelde leeftijd van de leraren in Nederland; m.i. het probleem met stip;
  • het vrijwel ontbreken van andere dan 'witte' leraren; dit wordt echter hier zelfs (nog) niet als een probleem gezien;
  • het zoeken naar een verhouding tussen de (boeddhistische dus religieuze) vipassana met de (seculiere) mindfulness;
  • twijfel over de houdbaarheid van het dana-principe, met name voor leraren die niet of nauwelijks een andere bron van inkomsten hebben en/of een gezin te onderhouden hebben;
  • relevant met betrekking tot het verkrijgen van een eigen centrum (=gebouw) voor de vipassana in Nederland is de ervaring dat bijna de helft van de geënquêteerde leraren de capaciteit van centra en tweederde de inschrijfprijs als een beperkende factor zien.

Wellicht zouden SIM, Sanghametta en 'De veertien' zich ook kunnen aansluiten tot de BIN. Daardoor zouden wat denkramen opengezet kunnen worden. Wel vind ik het verwarrend dat het tegelijk een organisatie van leraren en een organisatie van sangha's is, en het verschil daartussen niet helder wordt benoemd.
Leraar-loze retraites voor gevorderde meditatoren, in Nederland een enkele keer (door Sanghametta) georganiseerd, passen niet in het model, of ze zijn alleen maar in dit onderzoek buiten de orde.

Hoe dan ook is lezen van het onderzoeksrapport door bovengenoemde Nederlandse organisaties (leraren en bestuursleden) de moeite waard; hopelijk met openbare conclusies zoals de BIN heeft gedaan.


dinsdag 23 december 2014

De boeddhistische elite in Nederland is nogal beperkt maar ik hoor er wel bij - Over ongelijkheid, elites en bescheidenheid; naar aanleiding van SCR 2014

Vooraf  hulde aan de drie PvdA Eerste Kamerleden Guusje ter Horst, Marijke Linthorst en Adri Duivesteijn die mede de nieuwe Zorgwet van minister Schippers hebben weggestemd.
Het gaat niet alleen om vrije artsen keuze. Het gaat om beperken van de macht van de zorgverzekeraars, met hun trawanten zoals Roger van Boxtel (D66 tevens Menzis) en Frank Kalshoven (die in de Volkskrant de verzekeraars als belangeloze tegenmacht ziet)
Die verzekeraars met hun ordinaire reclamecampagnes deze weken. Noodzakelijk misschien maar wel een noodzakelijk kwaad. Dan toch liever de overheid als tegenmacht. Zie ook de NRC

Ook vooraf: mijn adviezen aan de BUN, zoals verwoord in m'n vorige twee blogs, zijn niet door hen overgenomen. Sterker nog: ze zijn me niet in dank afgenomen. So be it.

========================================================================

Dan die elite. Laat ik maar met de conclusie van deze beschouwing beginnen.
DE elite bestaat niet (meer), net zo als HET boeddhisme niet bestaat.
Ik heb geen zin mee te doen aan de bescheidenheid - die in veel gevallen onwaarachtig is - van 'ik ben ook maar een eenvoudige ...'
Nee, ik behoor tot elites, tot de boeddhistische elite en tot de intellectuele elite (ik lees bv graag moeilijke boeken); en mindere mate, tot m'n pensioen, tot de politiek-bestuurlijke elite. En daar schaam ik me niet voor.
In zekere zin is dit een 'uit de kast komen' van een elitair mens.
Maar niet echt een kerstboodschap.
Maar wat is de (een) elite? En wat is in godsnaam 'de boeddhistische elite'?


Dit naar aanleiding van het uitkomen van 'Verschil in Nederland  -  Sociaal en Cultureel Rapport 2014' en de publiciteit daarover de afgelopen weken. M'n intellectuele principes getrouw ben ik begonnen met het lezen van het SCP-rapport zelf, en me dus niet beperkt tot meningen in de media.
Het hele rapport (353 pagina's) lezen hoefde niet, het blijkt vooral te gaan om de hoofdstukken 1, 2, 6 en 7 .
Joep de Hart, de auteur van hfst 7 (De eenzame elite), heeft dit voor NieuwWij in een korter artikel samengevat, dat ik aan het eind van deze blog citeer (BIJLAGE).

In het Sociaal en Cultureel Rapport gaat het - naast het onderscheid tussen de machtselite en 'de bevolking - ook over verschillen, tussen hogeropgeleiden en laagopgeleiden, tussen autochtonen en migrantengroepen, (tussen gezonden en ongezonden), tussen arm en rijk, (tussen stad en platteland) en tussen mannen en vrouwen.
Sommige van de verschillen zijn dualistisch (je bent of behoort of tot de een of tot de ander), andere gradueel. Het zijn ook politieke thema's: het boek 'Kapitaal in de 21ste eeuw' van Piketty speelt ook een rol in het rapport.
Het zijn daarmee ook morele thema's: zijn de verschillen (in kansen) te rechtvaardigen? Het feit dat de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer duidelijk niet. Aan het 'karma'-concept heb ik wat dit thema betreft niets.

========================================================================

Hebben wij daar ook iets van ?

Verschillen in opleidingsniveau, in bezit, in werkzekerheid, in gezondheidstoestand, maar ook verschillen tussen jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, autochtonen en allochtonen; en verschillen in opvattingen tussen Nederlanders die groter lijken te zijn geworden.
Allemaal verschillen die er tussen boeddhisten onderling ook bestaan, en waar 'we' het in het algemeen liever niet over hebben; misschien wel omdat we denken geestelijk autonoom te zijn en miskennen dat sociologische krachten ook op ons inwerken.
Persoonlijk: het feit dat ik blank en welvarend en man ben, beïnvloed me meer dan ik altijd wil toegeven.
En meer algemeen: zeker de (blanke) zelfbekeerders van de Nederlandse boeddhisten behoren in meerderheid tot het welvarende, gezonde, goedopgeleide en goed gehuisveste deel van de bevolking. (Natuurlijk zijn er uitzonderingen maar ik heb het over de trend)

Globaal laat ik die thema's (behalve degene die ik tussen haakjes heb geplaatst) de revue passeren.
Daarbij gebruik ik met opzet de term 'tegenover' of 'versus' - een term die boeddhisten liever niet gebruiken - om extra het mogelijk bestaan van taboe's zichtbaar te maken.
Voor boeddhisten voeg ik er nog één verschil aan toe: beginner versus gevorderde op het pad ; een beladen thema waar ik straks subtiel op in probeer te gaan.

* hogeropgeleide tegenover laagopgeleide boeddhisten
Meestal gaat het dan over schoolopleiding.
Maar specifiek interessant is het onderscheid: degenen die zich verdiepen in de Dhamma/Dharma, (hier bedoeld als schriftelijke teksten) versus degenen die dat niet doen, wat vaak betekent: degenen die minachtend doen over Dharma-studie.

* autochtone versus allochtone boeddhisten (het SCP spreekt van 'migrantengroepen')
De kloof tussen de beoefening door allochtone boeddhisten (afkomstig uit bv Thailand, Vietnam, China etc) en zelfbekeerders uit het Westen wordt eerder groter dan kleiner. Waarbij soms genant is dat de Westerlingen stellen dat hun boeddhisme het 'echte' boeddhisme is, mindful en liefdevol, mediterend zonder bijgeloof en zonder agressie richting andere religies zoals in Birma of Sri Lanka plaatsvindt.

* arme tegenover rijke boeddhisten
Eén aspect slechts: de prijzen van cursussen en retraites stijgen snel, onder andere omdat ze meer door professionele organisaties worden aangeboden, zonder vrijwilligers. Voor sommigen onbetaalbaar, ondanks hardheidsclausules.

* mannelijke tegenover vrouwelijke boeddhisten
Daar wordt met regelmaat over geschreven, zelfs in Nederland, maar een echt gezaghebbend artikel of boek zou ik niet kunnen noemen.

* beginnende versus gevorderde boeddhisten
Soms krijg ik de indruk dat er alleen maar beginners zijn, gezien het percentage aandacht voor hen in cursussen etc. Verdwijnen ze daarna? Of moet iedereen zich permanent beginner noemen. In ieder geval in ik het jammer dat er niet meer bijeenkomsten zijn die leraar-arm zijn en de eerste beginselen van het boeddhisme als bekend worden verondersteld.

* tot 'de elite' tegenover niet tot 'de elite' behorende boeddhisten
Er zijn wellicht een paar boeddhisten die ook behoren tot wat het SCP de machts-elite noemt. Maar dat is niet zo relevant als zodanig. Wel is dat het geval bij de vraag of er een boeddhistische elite in de zin van een hecht netwerk van elkaar informatie en functie toespelende groep personen die als zodanig onderdeel is van de machtselite van een land.
Zo'n vijftig jaar geleden was er nog wel een katholieke elite (bisschoppen, bankiers, politici etc) en was er een protestante elite die deel uitmaakten van de bredere machtselite. In sommige landen is dat nog wel zo.
Niet meer in ons land, in Nederland wachten bestuurders niet in spanning af wat een hoge katholiek of protestant leider (wat dat dan ook is) van een politiek-maatschappelijk thema vindt; laat staan wat een 'top-boeddhist' (let op de aanhalingstekens) daarvan vindt. In Thailand, Burma, Sri Lanka en (misschien in het verleden) Tibet wel.

David Loy kan wel graag willen dat het anders is, (zie Diana Vernooij in BD ), maar maatschappijkritiek hebben is toch nog aan de kant staan, toeschouwerssolidariteit wordt dat wel genoemd. Meer zie ik in Nederland niet gebeuren (en dat geeft niet, want zoveel vertrouwen in het vernuft en democratische vermogen van mijn boeddhistische Nederlandse medemens heb ik niet; een boeddhistische politieke partij is dan ook niet gewenst).

========================================================================

De diverse betekenissen van 'boeddhistische elite'

De vraag is natuurlijk: moeten we dat willen? Het politiek en spiritueel correcte antwoord is: nee. Maar wat doen we dan met degenen die dat toch willen?
Boeddhistische 'leiders' zoals Jean Karel Hylkema en Varamitra hebben in het verleden diverse pogingen ondernomen om een boeddhistische zuil op te tuigen met bv eigen omroep, eigen school, eigen instituut voor geestelijk verzorgers etc. En het kenmerk van een zuil in Nederland is nu juist dat deze een top, een elite dus, heeft die overlegt met de elites van andere zuilen. Dat deze verzuiling achterhaald is, is helaas wat langzaam tot deze ex-bestuurders doorgedrongen.

Er is ook nog een andere verschijnsel die beetje in de richting gaat van elite-denken: 'de boeddhistische leider '. De VU probeert de studenten postdoctorale ambtsopleiding boeddhistisch chaplain dat ook bij te brengen; volgens mij is dit geen goede route, als er al een route voor deze kwadratuur van de cirkel (boeddhistisch leiderschap) is.
Een aspect daarvan: het zijn van 'Bekende Boeddhist', zoals er de Bekende Nederlander is. Degene die steeds weer in de media opduikt, gevraagd wordt zijn of haar mening te geven 'als boeddhist' over een verschijnsel of nieuwtje. Daar zijn er niet zoveel van; Varamitra lijkt het een tijdje te zijn geweest (vaste rubriek in Trouw etc), maar dat is voorbij; Han de Wit wordt nogal eens opgetrommeld, of die andere aardige jongens zoals ik ze laatste noemde (zie m'n blog van 15 juni )
Of een BUN-voorzitter die, met nadruk op persoonlijke titel, met een minister mag praten.
Nog een ander aspect hiervan: 'de deskundige', de boeddholoog bv of deskundige van een boeddhistisch land, bijvoorbeeld Tibet.
Tenslotte: opinie beïnvloeder ('opinion leader' is wat ouderwets woord), in sociale media bv.

Een andere term die in de literatuur over het boeddhisme ook voorkomt, is elitisme, een attitude van superioriteit.
Eén van de boeddhistische tradities die het sterkst het kenmerk 'elitistisch' krijgt, is Nichiren. Andere tradities worden door hen (in sommige geschriften) ronduit inferieur genoemd, niet alleen Theravada aka hinayana, maar ook Zen. Het zal duidelijk zijn dat ik daar niets van moet hebben (en niet begrijp dat de BUN dat niet is nagegaan toen ze Soka Gakkai als lid accepteerden).

========================================================================

Het omgekeerde elite-begrip

Getrouw aan mijn Theravada-wortels ben ik natuurlijk nagegaan wat over het elite-verschijnsel in het vroege boeddhisme (de Pali Canon) geschreven is. Twee lijnen:
1.  De Boeddha en de machtselite van zijn tijd

Uit The Sociology of Early Buddhism door Greg Bailey & Ian Mabbett; pag. 47/48
"It is necessary tot say something about the meaning of the word 'elite' in the context of early Buddhist literature. Most of the secondary literature dealing with ancient Indan society uses notions of an 'elite' or 'elite status' implicitly, without defining in any precise sense what is meant by either term. Gokhale, in a much cited article, defines the the Buddhist elite using two criteria:
'In the first instance the person's intellectual attainments and/or organizational skills would be the most obvious qualifications for his inclusion among the elite. Such is the case with Sariputta and Moggallana, Ananda … The other is the attribution of an elite status to the person either by the Buddha himself or some of his eminent disciples or the redactors of the Pali Canon who thought it fit tot include information on them or their utterances in parts of the Pali Canon.'

(B.G. Gokhale, 'The early Buddhist elite', Journal of Indian History 42, p. 392 )
This is sarcely adequate as an evaluation of elite status as it includes only the sangha. This in itself makes it too narrow to enompass elite gropups in the wider society.  …
The social categories pertaining to the religious, political and economic spheres, even if they overlap constantly, strike us continually when reading the early Buddhist texts. Reflections on the interactions between representatives of the groups defined within these categories and monks form a large part of the content of this book. Statistical analysis of the vanna ranking status of all the named individuals, populating the Sutta and Vinaya Pitakas … suggest that the Buddha interacts mostly with members of three particular groups: brahmins, prominent politicans (i.e., kings) and the wealthy. We cannot be certain how much he interacted with other groups, even though the lower raking groups would have formed the majority of the society. Here too, once more, the texts are limiting in their focus on the Buddha himself, who originally anme from a noble background.


2.  De ware Brahmaan zoals de Boeddha die beschreef

De historische Boeddha ging dus veel met de elite van zijn tij om: met koningen, rijken en Brahmanen. Hij bekritiseerde hen tegelijk wel, hoewel hij met koningen voorzichtig omging en graag giften van rijken ontving. (Vergelijk bv passages uit Batchelor's 'Confession of a Buddhist Atheist')
Veel Sutta-teksten hebben als boodschap: de ware Brahmaan is niet degene die de rituelen precies juist uitvoert en uit de juiste familie/kaste afkomstig is; nee, de ware Brahmaan is degene die alles heeft weten los te laten. Bijvoorbeeld heel hfst 26 van de Dhammapada (Brāhmaṇavagga) heeft die strekking:
396
Ik noem niet iemand een Brahmaan
Door geboorte of afkomst uit een moeder.
Hij wordt een hooghartig man genoemd,
Indien hij nog iets in bezit heeft.
Maar wie niets heeft, en nergens aan hecht:
Hem verklaar ik een Brahmaan.


We zijn nu wel ver van het Sociaal Cultureel Rapport afgedwaald, maar kunnen dit toch sociologisch plaatsen. Dan gaat het over 'religieuze virtuosi ' zoals de beroemde socioloog Max Weber sommige beoefenaren van een religie heeft genoemd:
" Introduced in the work of Max Weber, the concept of the religious virtuoso is that of someone who strives for perfection within an existing religious tradition. The virtuoso strives to fulfill to the utmost the demands of his or her religion.
Strictly speaking, virtuoso religiosity is the polar opposite of charismatic religiosity, in that the charismatic introduces a "new thing" or a distinctive "gift," while the virtuoso is set on a course toward embodying the received traditions of a faith community.
In practice, the virtuoso may at times go to such extremes that she or he unwittingly becomes a charismatic leader, particularly if the constituted authorities of his or her tradition reject the virtuoso's claims to legitimacy."
     
Bron: Weber
De ware Brahmaan van de Boeddha is de virtuoso van Max Weber, ook degene van wat nederiger afkomst.
Het is niet persé de boeddhistische leraar, laat staan de boeddhistische leider, die de meest uitgesproken virtuoso hoeft te zijn; misschien is de functie leraar of leider juist wel een belemmering daarvoor.

========================================================================

Zelf elitair zijn: de middenweg

De Dalai Lama zegt vaak van zichzelf I'm just a simple monk. Iets te vaak, zodat het een gimmick is geworden, niet langer meer een uitspraak die een glimlach oproept. Want hij is dat niet, hij is een 'geshe' (Tibetaans boeddhistisch geleerde) en spiritueel leider.
Ook in andere boeddhistische tradities, bv bij het Zuivere Land, staat het goed, jezelf een 'sukkel' te noemen. Mooi als het gemeend is, maar ik proef nogal eens valse bescheidenheid en spirituele correctheid in deze zelfomschrijving.

Meer algemeen is het ongebruikelijk jezelf als behorend bij de boeddhistische elite te typeren, of van welke elite dan ook.
Dit past trouwens ook wel goed bij de instelling van de (echte) Nederlandse machtelite zoals die in hfst 7 van SCR2014 beschreven is: ontkennen of relativeren er deel van uit te maken en benadrukken in zijn eentje nauwelijks iets te kunnen bewerkstelligen.

Toegevend dat ik bepaald niet volledig ontwaakt ben en niet altijd 'zuiver spreek', wil ik toch wel stellen tot de kleine Nederlandse boeddhistische elite te behoren. Ik weet er het een en ander van (veel gelezen), ben een klein beetje een virtuoso (behoorlijk veel gemediteerd) en ben een beetje (in dit kleine wereldje) met mijn blog een opinion leader met enige nuisance value
(met excuses voor het vele Engels in deze tekst).

Ik kies de middenweg tussen superieur voelend elitisme en valse bescheidenheid ergens de positie: ik behoor toch wel minstens een beetje tot de Nederlandse boeddhistische elite.
Maar veel heb ik daar niet aan.


========================================================================

BIJLAGE

DE EENZAME ELITE
       door     Joep de Hart

Samenvatting van hoofdstuk 7 van het Sociaal en Cultureel Rapport 2014
Geciteerd uit NieuwWij 14 dec

Samen met Pepijn van Houwelingen schreef ik een hoofdstuk over de Nederlandse elite voor het Sociaal en Cultureel Rapport 2014 , dat dinsdag 9 december j.l. verscheen. Het begrip elite verwijst doorgaans naar een groep die op een gebied domineert of excelleert en over naar verhouding veel invloed of macht beschikt. In ons hoofdstuk hebben we ons geconcentreerd op wat de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills ooit heeft aangeduid als The power elite (1956). Dat wil zeggen: de mensen die aan de touwtjes trekken in de politiek, het bestuur en de economie, omdat ze belangrijke institutionele posities bekleden. Het gaat om mensen met topfuncties in het openbaar bestuur en captains of industry. Dat sluit aan bij de opvatting van de bevolking, zoals blijkt uit een enquête die speciaal voor dit SCR is gehouden onder de Nederlandse bevolking. Bij ‘elite’ denken Nederlanders vooral aan de economische, de politiek-bestuurlijke en de wetenschappelijke top, en daarnaast aan de adel. Topsporters bijvoorbeeld, of toonaangevende mensen in de sfeer van cultuur en de media, rekenen ze er doorgaans niet toe. Hoe men verder ook over de elite denkt, haar rol wordt niet onderschat. Van de Nederlanders die vinden dat het met ons land de verkeerde kant op gaat (65%), vindt 85% dat de elite daarvoor verantwoordelijk is. Anderzijds schrijft ook driekwart van hen die juist optimistisch zijn over Nederland (35%) de vooruitgang aan de elite toe.

De politiek-bestuurlijke en economisch elite telt naar verhouding veel autochtone mannen van 50 jaar of ouder met een academische opleiding die vooral woonachtig zijn in de Randstad (en dan vooral de vier grote steden, Wassenaar, Aerdenhout en het Gooi). Voor een hoge politiek-bestuurlijke functie komt daar bij dat je doorgaans lid moet zijn van een politieke partij die bestuursverantwoordelijkheid heeft gedragen; bij de economische elite is de adel duidelijk oververtegenwoordigd. Dit alles zal niet als een verrassing komen. Toch is het bepaald niet zo dat maatschappelijke veranderingen aan de elite voorbij gaan.
Deel uitmaken van een traditioneel old boys netwerk bijvoorbeeld, helpt als je tot de economische elite wilt doordringen, maar dat netwerk lijkt wel aan het verzwakken te zijn. Onder andere doordat er steeds vaker via headhunters wordt gezocht naar externe en buitenlandse kandidaten en doordat het aandeel vrouwen in raden van commissarissen en raden van bestuur groeit (het gaat daarbij trouwens in de helft van de gevallen om nieuwe topvrouwen uit het buitenland). Ook de invloed van studentendisputen neemt af: ze zijn minder elitair geworden (hbo’ers en vrouwen treden eveneens toe) en in de nieuwe sectoren van de economie – zoals internetbedrijven – doen die disputen er nauwelijks toe. De elite vertoont tekenen van meer openheid, ze is meritocratischer geworden – dat vinden althans de door ons geïnterviewde experts. Langdurig disfunctioneren is volgens hen moeilijker geworden. De media spelen daar zeker een rol in; de pers zit tegenwoordig veel dichter op de elite. Vergelijk bijvoorbeeld de wijze waarop PowNed politici ondervraagt met de wijze waarop dat ten tijde van bijvoorbeeld Joseph Luns gebeurde. En vergeet de invloed van de social media niet: berichten van schandalen verspreiden zich veel sneller en breder dan vroeger onder de bevolking. Van hun kant zijn ook de burgers kritischer en assertiever geworden.
Tot op zekere hoogte maken deze dingen deel uit van een bredere ontwikkeling die je informalisering zou kunnen noemen. De omgangsvormen zijn veranderd, ze zijn veel minder hiërarchisch geworden. Tegenwoordig moet een politicus ‘benaderbaar’ zijn; eigenlijk moet het iemand zijn waarmee je wel eens een avondje bij zou willen praten. Maar die trend naar informelere omgangsvormen zie je niet alleen in de politiek. Kinderen tutoyeren hun ouders, een onderwijzer heet meester Kees, je baas is vooral een aanstuurder van je activiteiten en in de kerk is de dominee meer een organisator en manusje van alles geworden dan een man die spreekt met het onfeilbare gezag van de Bijbel.

De boze burger
Aan ons hoofdstuk gaven als titel mee: De eenzame elite. Dat is een knipoog naar ‘de eenzame massa’ waarover David Riesman in 1950 schreef, maar we willen er ook mee uitdrukken dat er tekenen zijn dat de elite – in elk geval in de beleving van veel Nederlanders – het contact met de gewone bevolking steeds meer lijkt te zijn kwijt geraakt. In zijn studie richtte Riesman zich destijds op de bakens die gewone burgers hanteren als ze hun koers in het leven uitstippelen: eerst was dat vanuit de macht der gewoonte en de traditie, vervolgens vanuit het innerlijke kompas dat ze in hun opvoeding hadden meegekregen, tenslotte vanuit hun omgeving en wat daar in tel is. Het zelfbeeld van moderne Amerikanen werd volgens Riesman steeds meer bepaald door hoe anderen leefden en dachten. Valt iets dergelijks ook voor de Nederlandse elite waar te nemen?
Het vertrouwen onder de bevolking in de Nederlandse machtselite is gering. Vooral de politiek-bestuurlijke elite is het mikpunt van onvrede. Uit onze kwalitatieve gegevens blijkt dat veel Nederlanders het woord ‘elite’ associëren met arrogantie, bekaktheid, verwaandheid. Er vallen kwalificaties als ‘egoïstisch’, ‘graaiers’, ‘klaplopers’, ja zelfs: ‘schurken’. Meer dan de helft van de door ons ondervraagden vindt dat de elite vooral oog heeft voor haar eigen belangen; slechts 13% vindt dat de elite haar bijzondere positie zelf eerlijk heeft verdiend. Meer dan vier op de tien Nederlanders vindt dat het verschil tussen de elite en de bevolking de laatste jaren is gegroeid. Onze gegevens geven geen uitsluitsel over de vraag of dat laatste ook werkelijk het geval is; mogelijk valt de kloof, die al langer aanwezig was, tegenwoordig meer op. Maar hoe dan ook: in de beleving van een fors deel van de bevolking is de kloof in elk geval wel verbreed. De genoemde opvattingen leven bij bijna alle bevolkingsgroepen (zij het wat minder scherp onder hoogopgeleiden, hoge inkomens en vrouwen).
Kortom: de machtselite worstelt met een legitimiteitprobleem. Zij is duidelijk in het defensief. Volgens de door ons geinterviewde experts hebben ze dat voor een deel ook over zichzelf afgeroepen. Zij verwijzen dan naar onder andere de zelfverrijking in de private en publieke sector, schandalen bij banken en woningcorporaties, gebrek aan verantwoordelijkheidszin voor het algemeen belang, het breken van politieke beloften. ‘We hebben de plank op allerlei fronten reusachtig misgeslagen’, zegt oud-Rabobank-topman en voormalig SER-voorzitter Herman Wijffels in het onderzoek. Hij noemt de 1000 euro die de VVD iedereen in de laatste campagne beloofde, ‘belazerij van het allerslechtste soort’, en een vorm van ‘zedenverwildering’. Volgens Hans Clevers, de president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), leggen wetenschappers het af tegen ‘een bestuurslaag van generalisten’. ‘Spinozawetenschappers worden nooit geraadpleegd in Den Haag.’ De besluitvorming in Nederland is volgens Clevers stroperig en behoudend geworden. ‘Alles middelt uit in Nederland. Grote beslissingen worden niet meer en in ieder geval niet snel genomen.’ CDA-senator en oud-minister Elco Brinkman merkt op dat mensen zich niet meer willen verdiepen in de argumenten van de elite.  ‘Ik moet nu veel meer uitleggen dan twintig jaar geleden.’ Het falen van de elite is maar één kant van de medaille. Wat ook meespeelt is dat de burgers mondiger en veeleisender zijn geworden, de media kritischer. Gezag spreekt veel minder vanzelfsprekend dan vroeger en is ook veel minder automatisch gegeven met iemands maatschappelijke positie.

Plus ça change?
Trappen we hier de tijdsgeest op zijn staart of hebben we met iets te maken dat helemaal niet nieuw is? Dat hebben we niet uitgezocht. De gegevens die we hebben verzameld bieden een momentopname, via een eenmalige enquête. Als je kijkt naar de literatuur en historische bronnen, dan gaat het bij de elite in elk geval om een universeel verschijnsel. Elites hebben er altijd bestaan – van de dagen van het oude Athene en Rome tot het hedendaagse Den Haag. Elke samenleving kent nu eenmaal mensen die er bovenuit steken – qua talent, qua rijkdom, qua macht. Een feest als Carnaval of figuren als de hofnar of de cabaretier spelen met dit gegeven: de machtigen worden voor even op hun nummer gezet, even worden de rollen omgekeerd. Tot zover niets nieuws. Wat wel erg van deze tijd lijkt is de zure toon waarmee er massaal over de elite wordt gesproken. Om niet te zeggen: de regelrechte verbittering, de boosheid. Vooral de politieke en de bestuurlijke elite is daarvan het mikpunt.
Waar komt die afkeer, waar komt die kloof vandaan? Het lijkt te gaan om een samenspel van ontwikkelingen. Daartoe behoren onder andere de volgende. Om te beginnen de ontzuiling en ook wat vaak wordt aangeduid als individualisering: veel traditionele verbanden die ons vroeger in het gareel hielden zijn weggevallen. Een van de gevolgen daarvan is ook geweest dat de elites niet meer op een vanzelfsprekende manier vanuit dezelfde waarden en normen als hun achterban handelen (zoals in de tijd van de verzuiling doorgaans nog wel het geval was). Individualisering betekent dat burgers het vandaag de dag veel meer zelf moeten uitzoeken en dat doen ze dan ook. Minder dan ooit accepteren ze op een vanzelfsprekende wijze wat hen door de elite wordt voorgehouden of houden ze hun mond als de elite aan het woord is. Daarnaast is er de ontwikkeling in de richting van een ‘diplomademocratie’ of ‘meritocratie’. Dat jij iets in je mars hebt, moet nog maar blijken: waar is je getuigschrift, wat zijn je prestaties, hoe ziet jouw staat van dienst er precies uit? Verder leven wij meer dan ooit in een tijd met internationale netwerken en informatiestromen. Wat betekent dat de elite vaak zijn lokale en nationale wortels heeft verloren. In menig opzicht heeft zij zich te conformeren aan wat er vanuit het buitenland op ons afkomt. Ook niet onderschat mag worden dat de media zich anders zijn gaan opstellen, veel minder dan vroeger als een doorgeefluik van de visie van de elite. Zeker de sociale media spelen daarin een rol. Internet is veel meer van onderop georganiseerd dan de traditionele nieuwsrubrieken. Zo zijn er nog wel een paar verklaringen te verzinnen. In de media heeft het onderwerp de afgelopen jaren snel aan populariteit gewonnen, maar empirisch onderzoek naar de elite(s) is dun gezaaid in ons land. Hopelijk komt daar snel verandering in.

zondag 14 december 2014

De BUN en de negenhonderdduizend boeddhisten

Een aanvulling op mijn blog van 11 december . Daarin geef ik (onder andere) weer, aan voorzitter Michael Ritman van de BUN het volgende advies te hebben gegeven:

*  Ik adviseer het BUN-bestuur om alsnog excuses aan te bieden aan het CvdM
   (Commissariaat voor de Media) voor het feit dat de BUN in 2009 mee is gegaan
   met de claim van de BOS als zouden er 900.000 boeddhisten in Nederland zijn.
   En eerst te onderkennen dat de BUN daar destijds en bij het bezwaarschrift
   in 2010 echt in mee is gegaan.
   Dit los van de huidige rechtszaak, maar als morele zaak.

Goede aanleiding voor me, het bezwaarschrift uit 2010 nog eens in de schijnwerper te zetten.
Deze brief van (de advocaat van) de BUN van 9 februari 2010 is door het Commissariaat voor de Media openbaar gemaakt. Ik heb het destijds van hun website gedownload maar kan het er nu niet meer vinden.
Omdat het ook nu nog van betekenis is, geef ik het hieronder, zonder bijlagen, weer.

Het was destijds duidelijk dat het de BOS (in de persoon van directeur Gertjan Mulder) was die verantwoordelijk was voor de claim van 900.000 boeddhisten. Het bestuur van de BUN heeft de concessieaanvraag van 29 september 2009 aan het CvdM, waarin deze claim stond, eenvoudig en zonder veel reflectie overgenomen (d.w.z. voor haar verantwoordelijkheid genomen). Ik denk dat ze het wel mooi vonden: het zou verdubbeling van de zendtijd van de BOS betekenen. En ze zagen er geen kwaad in.

Hoe intensief de BUN-bestuursleden zomer 2009 bij de aanvraag betrokken waren, is mij niet duidelijk. Ik moet uitgaan van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid; zeker in morele, dat is intentionele zin. Uit het verslag van de (openbare) 'Hoorzitting' bij het CvdM d.d 20 oktober 2009 over de aanvraag: "De heer Ten Kate [destijds BOS-voorzitter] : ... De besturen van BUN en BOS hebben een serieus onderzoek uitgevoerd naar het Boeddhisme in Nederland. Daarmee werd in maart gestart. De resultaten daarvan werden in de zomer verwerkt. Parallel aan dat onderzoek werd de zendtijdaanvraag voorbereid."

Officieel heeft de BUN zich nooit van het cijfer van 900.000 gedistantieerd. Wel werd halfslachtig gezegd: het ging om boeddhisten of mensen met affiniteit tot het boeddhisme in de definitie van Commissariaat, daar konden wij ook niets aan doen, zelf gebruiken we lagere cijfers.

Tot een maand geleden; toen zette het bestuur een 'Inventarisatie' op hun website. Met in feite een eerste duidelijk aantal sinds de concessieaanvraag van 2009. Een beleidsdaad van het nieuwe bestuur, waarmee de discussie hoeveel (ongeorganiseerde) boeddhisten er zijn, overigens niet definitief beslist is.
Korte samenvatting: het getal van 900.000 is gecorrigeerd; tot 57.500 (dat kan je wel een correctie noemen), maar dat getal wordt in de 'inventarisatie' wat verdekt genoemd ("352.000 Nederlanders in de eerste plaats inspiratie en richting aan het boeddhisme. Bovendien ontlenen nog eens 495.000 mensen, naast hun eerste keuze, op de tweede plaats inspiratie en richting aan het boeddhisme.", dat is samen 847.000 mensen, waarbij in de aanvraag nog eens ruim 50.000 allochtonen zijn opgeteld, zelf ook weer een zeer twijfelachtig getal en twijfelachtige handeling dit er bij op te tellen.)

Uiteraard (ik zat er destijds met m'n neus bovenop) komt in dit 'bezwaarschrift' ook het NPO-onderzoek aan de orde, ik citeerde hierboven al dhr. ten Kate.
Nog eens voor de duidelijkheid: het gaat me er hier niet om welk deel van het NPO-onderzoek gebruikt is om tot de 900.000 boeddhisten te komen, en of de BOS dit had mogen declareren, het gaat me er hier om dat de BUN achter dit getal is gaan staan.
Natuurlijk is het de BOS geweest die destijds het NPO-onderzoek heeft geëntameerd en is het Gertjan Mulder geweest die, toen hij de concesieaanvraag schreef, de resultaten ervan gekoppeld aan z'n (vooraf geformuleerde) wens boven de 500.000 boeddhisten te komen, dit onderzoek heeft gebruikt.
Het gaat me er om dat de BUN-bestuursleden, als ze hadden nagedacht, hadden kunnen weten dat dit getal niet kón kloppen, (toch) met deze claim zijn meegegaan. Van zomer 2009 tot voorjaar 2010, inclusief de hoorzitting over dit bezwaarschrift vier keer tegenover het CvdM.
Ik ben geen jurist of boekhouder, eerder moralist, ik beschouw dit als moreel onjuist.
Daarom alsnog excuses. Want in feite was het bewust bezijden de waarheid (heb ik dat niet aardig gezegd?)

Het is vervelend dat Michael Ritman en zijn BUN-bestuur hier nu mee worden geconfronteerd, want hoewel ik in dogmatische zin niet geloof in het bestaan van collectief karma (zie blog van 26 september, par. 4.2 ), is deze term in meer dagelijkse zin wel op het BUN-bestuur van toepassing.


=======================================================================

Het bezwaarschrift

"Versteeg wigman sprey advocaten


PER AANGETEKENDE POST
Commissariaat voor de Media
Postbus 1426
1200 BK HILVERSUM

Datum 9 februari 2010
Kenmerk Uw kenmerk: 19752/2009019245
Betreft Bezwaarschrift besluit op aanwijzingsaanvraag ex art. 2.42 Mediawet 2008

BEZWAARSCHRIfT
Geacht Commissariaat,

Namens mijn cliënte, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Boeddhistische Unie Nederland, gevestigd te (1031 XS) Amsterdam aan de Ranonkelkade 13 I (verder: "B.U.N.") maak ik hierbij bezwaar tegen het besluit van het Commissariaat voor de Media ("het Commissariaat") inzake de aanwijzingsaanvraag ex artikel 2.42 Mediawet 2008, d.d. 31 december 2009 onder kenmerk 19752/2009019245 ("het Besluit"). Een kopie van het Besluit is aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 1. Het Besluit is genomen naar aanleiding van de door B.U.N. ingediende (concessie-) aanvraag in de zin van artikel 2.42 Mediawet 2008 ("de Aanvraag"). Een kopie van de Aanvraag is aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 2.

Inleiding

De Aanvraag betreft een aanvraag van B.U.N. om te worden aangewezen als rechtspersoon voor het verzorgen van media-aanbod op geestelijk terrein voor de landelijke publieke mediadienst.
De Aanvraag is gedaan voor grootteklasse B zoals gedefinieerd in artikel 4 lid 1 van de Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015 (artikel2.42 van de Mediawet) (hierna: de "Beleidsregels"). Het corresponderende aantal aanhangers van de desbetreffende religieuze of geestelijke stroming voor grootteklasse B dient minimaal 500.000 en maximaal twee miljoen personen te omvatten.

B.U.N. beroept zich voor de schatting van het aantal aanhangers van het desbetreffende stroming, het boeddhisme, op de volgende onderzoeken:
a. de eerste resultaten van het door de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de Nederlandse Publieke Omroep ("NPO") uitgevoerde kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar boeddhisme inNederland (het "NPO- onderzoek");

b. het door het Centraal Bureau voor de Statistiek ("CBS") uitgevoerde onderzoek naar de aanhang van het boeddhisme onder eerste en tweede generatie immigranten, aan de Aanvraag gehecht als bijlage 3;

c. het onderzoek "God in Nederland" 1 uit 2006, dat in opdracht van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap (RKK) door het Sociaal en Cultureel Planbureau ("SCP") en het aan de Radboud Universiteit Nijmegen verbonden Kaski-instituut is uitgevoerd, en

d. het onderzoek van het SCP getiteld "Culturele veranderingen in Nederland (2002)".
Uit het onder a. bedoelde onderzoek blijkt dat het boeddhisme onder Nederlanders een aanhang heeft van 832.895 personen. Indien het aantal boeddhisten onder eerste en tweede generatie immigranten daarbij wordt opgeteld (blijkens het onder b. genoemde onderzoek van het CBS op 1 januari 2007 minstens 113.000 personen), heeft het boeddhisme in Nederland circa 900.000 aanhangers (rekening houdend met een overlap tussen beide groepen). Uit het onder c. bedoelde onderzoek blijkt dat meer dan 500.000 Nederlanders zich het meest verwant voelt met het boeddhisme. Uit het onder d. bedoelde onderzoek volgt, zoals tevens onder 2.2 van het NPOonderzoek is vermeld, dat l,S miljoen Nederlanders zich enigszins tot sterk verwant voelen met het boeddhisme.

Het Commissariaat heeft B.U.N. tijdens een hoorzitting op 20 oktober 2009 gehoord met betrekking tot de Aanvraag.
In het Besluit zijn onder het kopje "uren" onder meer de volgende overwegingen opgenomen:
overweging 34: "Op de bij gelegenheid van het bovengenoemde onderzoek [het NPOVerslag] gestelde vraag welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie en inrichting biedt, antwoordden, omgerekend naar de gehele bevolking van 18 jaar en ouder, ruim 370.000 mensen met Boeddhisme. Uit de beantwoording van de daaropvolgende vraag welke stroming op de tweede plaats komt als het gaat om inspiratie en richting kan, naar ons oordeel, niet een daadwerkelijke affiniteit worden afgeleid met die stroming."
Overweging 35: "Tijdens de hoorzitting op 20 oktober 2009 kwam voorts naar voren dat op de in het kader van dat onderzoek [het NPO-verslag] tevens gestelde vraag of men zich Boeddhist noemt, circa 200.000 mensen antwoordden zich Boeddhist te voelen maar zich niet tot een stroming te rekenen."
Overweging 36: "Ten behoeve van de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 heeft de BUN aangegeven dat de omvang van haar achterban 250.000 mensen bedraagt. ( ... ) Wij achten het evenwel niet aannemelijk dat de achterban van de BUN binnen 5 jaar meer dan
verdrievoudigd is."
Overweging 37: "Wij zijn van oordeel dat de door de BUN gepresenteerde cijfers aantonen dat het Boeddhisme een aanhang heeft van meer dan 100.000 mensen, maar ruim minder dan 500.000 personen."

1 T. Bernts, G. Dekker en J. De Hart, God in Nederland, Kampen: Uitgeverij Ten Have 2006

Overweging 38: "( ... ) Ons zijn geen feiten en omstandigheden bekend en gezien het bovenstaande heeft de BUN ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zijn ( ... ) de indeling van de BUN in grootteklasse C (bij de hoofdstroming van minder dan 500.000 personen) te wijzigen."

Het Commissariaat heeft vervolgens in artikel II van het Besluit als volgt besloten: "Het Commissariaat stelt voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015 per jaar 69 uur en 30 minuten beschikbaar op de algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst en per jaar 23 uur en 6 minuten beschikbaar op de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst. "

Gronden van het bezwaar
B.U.N. kan zich met het Besluit niet verenigen, omdat zij ten onrechte niet is ingedeeld igrootteklasse B en haar ten onrechte niet de haar op grond van die grootteklasse toekomende hoeveelheid zendtijd is toegekend. Het Besluit is om die reden in strijd met de Beleidsregels. Het bestreden besluit is daarnaast in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu bij de toekenning van zendtijd aan andere omroepen andere maatstaven zijn gehanteerd.

Hiernavolgend zal dit standpunt nader worden uitgewerkt en toegelicht.
Toelichting - De onderzoeken
B.U.N. stelt zich op het standpunt dat het boeddhisme in Nederland meer dan 500.000 aanhangers heeft. Dit volgt onder meer uit het onderzoek "God in Nederland" uit 2006. Een afschrift van het relevante gedeelte van dit onderzoek is aan dit bezwaar gehecht als bijlage 3.
Uit dit onderzoek blijkt dat 4,2% van de Nederlanders van 17 jaar en ouder in 2006 zich het meest verwant voelden met het boeddhisme. Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek waren er in 2006 12.947.770 Nederlanders met een leeftijd van 17 jaar en ouder.
Daarmee komt de voornoemde 4,2% neer op meer dan 543.000 personen Nederlanders van 17 jaar en ouder die zich in 2006 het meest verwant voelden met het boeddhisme. In bijlage II bij de brief van de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de NPO d.d. 5 februari 2010, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 4, is onder 1.2 het voornoemde aantal Nederlanders van 17 jaar en ouder in 2006 genoemd.

Aan de uitkomsten van het onderzoek 'God In Nederland' wordt in het Besluit geheel voorbij gegaan. Dit terwijl bijvoorbeeld het besluit, waarbij aan de Stichting Humanistische Omroep zendtijd voor de periode 2010-2015 wordt toegekend, wel op dit onderzoek is gebaseerd. Door in het bestreden Besluit voorbij te gaan aan de uitkomsten van dit onderzoek, handelt het Commissariaat in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Ook uit een eerder onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau "Culturele veranderingen in Nederland" (2002) onder Nederlanders van 16 jaar en ouder blijkt dat 12% van hen zich enigszins tot sterk verwant voelt met het boeddhisme. Dit komt omgerekend neer op iets meer dan 1,5 miljoen personen. Deze cijfers en de bron daarvan zijn tevens vermeld onder 2.2 van de Aanvraag.
Uit de eerste resultaten van het onderzoek dat op verzoek van B.U.N. in 2009 door de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de Nederlandse Publieke Omroep is uitgevoerd naar de omvang van de aanhang van het boeddhisme in Nederland blijkt dat er anno 2009 meer dan 830.000 Nederlanders van 18 jaar en ouder daadwerkelijk affiniteit hebben met boeddhisme. Aan deze personen is vervolgens gevraagd met welke boeddhistische stroming zij zich het meest identificeren.
De uitslag van dit deel van het onderzoek is in de onderstaande tabel weergegeven. Dit overzicht was nog geen onderdeel van het aan de Aanvraag gehechte NPO-onderzoek en geldt als aanvulling op die "eerste resultaten" van het "grootschalig onderzoek naar de achterban van de BOS". Hoewel de afdeling MediaOnderzoek & - Advies het onderzoek op de datum van dit bezwaar nog niet volbracht heeft, heeft zij op verzoek van de B.U.N. dit overzicht wel alvast toegestuurd om zo nadere informatie te geven die van belang is voor de beoordeling van de Aanvraag. In de als bijlage 4 aan dit bezwaarschrift gehechte brief van de voornoemde afdeling MediaOnderzoek & - Advies wordt gemeld en toegelicht. In bijlage I van die brief is de onderstaande tabel toegelicht.

Andere boeddhistische stroming 0,7% 6
Mahayana (Zen) boeddhisme 11,1% 94
Theravada boeddhisme 0,7% 6
Tibetaans boeddhisme 23,7% 200
Voel me boeddhist, maar identificeer me niet met een bepaalde stroming 24,7% 210
Weet niet 38,4% 325
Geen antwoord 0,7% 6
Totaal 100,0% 847
Deze vraag is gesteld aan alle respondenten die hebben aangegeven daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme te hebben. N=278

2 Overigens heeft de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de NPO, in overleg met TNS NIPO, na het uitbrengen van de 'eerste resultaten' besloten "het bereik van de gebruikte wegingsfactoren te verkleinen, waardoor de weging binnen de gangbare normen valt". Uit de hiervoor bedoelde herberekening volgt overigens dat het absolute aantal personen dat 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft 847.000 is.

Uit dit overzicht blijkt dat 36,2% van de respondenten (absoluut: 306.000 personen) die hebben
aangegeven 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme te hebben zich met een specifieke
stroming van het boeddhisme identificeert. 24,7% van de respondenten voelt zich wel boeddhist,
maar identificeert zich niet met een bepaalde stroming. Absoluut komt dit neer op 210.000
personen. Het totaal van het aantal respondenten dat zichzelf als boeddhist beschouwt is daarmee 60,9%, hetgeen neerkomt op een absoluut aantal van 516.000 personen. Ook op basis van deze cijfers zou de B.U.N. in aanmerking komen voor indeling in grootteklasse B.
In overweging 35 van het Besluit is overwogen dat tijdens de hoorzitting op 20 oktober 2009 naar
voren kwam dat op de in het kader van het NPO-verslag tevens gestelde vraag of men zich
boeddhist noemt, circa 200.000 mensen antwoordden zich boeddhist te voelen maar zich niet tot
een stroming te rekenen. Daarmee wordt gerefereerd aan het aantal van 210.000 mensen uit
bovenstaand overzicht.
Indien het Commissariaat met overweging 35 heeft willen aangeven dat voor de bepaling van de
omvang van de aanhang van het boeddhisme slechts relevant is of de respondenten zich tot een
bepaalde stroming rekenen, en dat de voornoemde 210.000 personen dientengevolge niet als aanhanger van het boeddhisme beschouwd dienen te worden (hetgeen niet door het Commissariaat is gemotiveerd), dient het volgende te worden opgemerkt.
Het feit dat een deel van de respondenten heeft aangegeven zich niet tot een specifieke stroming
binnen het boeddhisme te rekenen is een kenmerk van het Westers boeddhisme (en van de huidige beleving van religie). Kenmerkend voor het Westers boeddhisme is immers, zoals ook uiteengezet in de Aanvraag, dat daarin elementen uit de traditionele substromingen van het boeddhisme en van andere levensbeschouwelijke stromingen worden overgenomen, geïntegreerd en dat daaraan soms een andere vorm wordt gegeven. Daarnaast wordt het boeddhisme gekenmerkt door een hoogopgeleide, kritische en mondige achterban met grote weerzin tegen institutionalisering.
Het is dan ook juist typerend voor het (westerse) boeddhisme dat de aanhangers van deze
overtuiging zichzelf niet gauw tot een stroming rekenen en voor zover zij dit al doen zich niet
beperken tot een specifieke stroming binnen het boeddhisme. De verklaring voor het feit dat een
deel van de respondenten van het NPO-onderzoek aangeeft niet een bepaalde stroming van het
boeddhisme aan te hangen is dan ook dat deze groep het Westers boeddhisme aanhangt.
Daarnaast is het zo dat de hedendaagse West-Europese beleving van geloofsovertuigingen in de loop van de twintigste eeuw informeler is geworden. In het artikel in NRC Handelsblad d.d. 23 december 2007, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 5, meldt godsdienstsocioloog professor M. Ter Borg dat de "herinnering aan de soms dwingende religieuze gezagsstructuren" "verwaaid" is. Blijkens het artikel is volgens peilingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau ongeveer 70 procent van de Nederlandse bevolking gelovig. Slechts 25 procent van hen is echter lid van 'traditionele religieuze instellingen'. In het artikel wordt dan ook gesproken van de "de-institutionalisering" van religie waardoor men minder vasthoudt aan de traditionele stromingen. Ook dit is een verklaring voor het feit dat een deel van de Nederlanders die zichzelf als boeddhist beschouwt, zich niet tot een (geïnstitutionaliseerde, traditionele) stroming van het boeddhisme rekent.
Bovendien dient erop te worden gewezen dat het Commissariaat, gelet op de vrijheid van Godsdienst en de scheiding tussen kerk en Staat, "zich niet [mengt] in theologische discussies of een substroming, richting of school, behoort tot de zuivere leer van de hoofdstroming." Zo heeft het Commissariaat besloten in onder andere overweging 47 van haar besluit d.d. 29 december 2009 op concessieaanvraag van de Stichting Verenigde Moslim Omroep. Indien overweging 35 van het Besluit dan ook zo gelezen dient te worden, dat het Commissariaat daarmee heeft bedoeld dat het aantal mensen dat zich boeddhist voelt, maar zich niet tot een stroming rekent, niet als een aanhanger van het boeddhisme dient te worden beschouwd, is dit in strijd met voornoemde vrijheid van Godsdienst en scheiding tussen kerk en Staat.
Ten slotte dient met betrekking tot overweging 35 het volgende te worden opgemerkt. Ook indien de 210.000 personen die zich niet tot een stroming rekenen in mindering zouden worden gebracht op het totale aantal personen dat blijkens het NPO-rapport 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft (meer dan 840.000), resulteert dit in een aantal van meer dan 630.000. Zelfs indien uit het rapport zou blijken dat er slechts circa 630.000 aanhangers van het boeddhisme zouden zijn in plaats van het door B.U.N. gestelde aantal van meer dan 840.000, dan zou B.U.N. alsnog dienen te worden ingedeeld in grootteklasse B.

De vraagstelling
In overweging 34 van het Besluit is overwogen dat "uit de beantwoording van de ( ... ) vraag welke stroming op de tweede plaats komt als het gaat om inspiratie en richting" naar het oordeel van het Commissariaat "niet een daadwerkelijke affiniteit" met die stroming kan worden aangetoond.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 20073 op de beroepen tegen de toekenning van zendtijd aan kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag voor de periode 2005-2010 wordt in alinea 2.19 overwogen dat een geschikte vraag om de achterban van een hoofdstroming te bepalen is tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering de respondent zich rekent.
B.U.N. is van oordeel dat de geloofsbeleving in Nederland sinds 2005 zodanig is gewijzigd dat deze
vraagstelling niet langer voldoet om de aanhang van een bepaalde hoofdstroming te bepalen. Zoals
in het voorgaande reeds is uiteengezet, is slechts 25% van de Nederlandse bevolking lid van
traditionele religieuze instellingen, terwijl 70% van de bevolking wel gelovig is. Als men de in 2005 gehanteerde vraagstelling in 2010 zou hanteren, zou dit dan ook een heel ander beeld van de aanhang van de verschillende hoofdstromingen geven.

Om die reden is het begrip "daadwerkelijke affiniteit" in het NPO-onderzoek in overleg met onder
meer de hoogleraren Vroom (VU) en Oosterling (EUR) en met de heer De Hart van het SCP vertaald in vragen welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie biedt en welke stroming
daarnaast inspiratie biedt. Deze vraagstelling doet meer recht aan de verschillende vormen waarop
religies en levensbeschouwingen heden ten dage beleefd worden en verschaft een betrouwbaarder
beeld van de stroming waar mensen daadwerkelijk affiniteit mee hebben dan de beantwoording van
de vraag tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering men zich rekent.
Overigens volgt ook uit onderdeel 3d van de 'Beleidslijn zendtijdaanvragen van kerkgenootschappen
en genootschappen op geestelijke qrondslaq'" dat 'daadwerkelijke affiniteit' ook blijkt uit 'adhesie betuigingen' aan een bepaalde stroming. Daarvan is sprake als men behalve aan één hoofdstroming ook inspiratie en richting ontleent aan een andere hoofdstroming.
Het is tegenwoordig dan ook wel degelijk mogelijk dat een persoon 'daadwerkelijke affiniteit' heeft met meer dan een stroming. Dit blijkt tevens uit het antwoord op de vraag uit het NPO-onderzoek naar de stroming die naast de stroming die het meeste inspiratie en richting biedt, de meeste inspiratie en richting biedt. De respondenten konden immers ook kiezen voor het antwoord: 'geen tweede stroming'. Indien het publiek zich enkel zou oriënteren op één religie of levensbeschouwing zou dan ook 'geen tweede stroming' zijn geantwoord. Dat is echter niet het geval geweest.
Bovendien luidde de vraagstelling welke stroming 'daarnaast' de meeste inspiratie en richting biedt.
Het antwoord op de vraag welke stroming eveneens inspiratie en richting biedt, geeft om
voornoemde redenen dan ook wel degelijk een 'daadwerkelijke affiniteit' met een bepaalde stroming weer.

Deze visie wordt overigens niet alleen gedeeld door de afdeling MediaOnderzoek & -Advles van de Nederlandse Publieke Omroep. Blijkens het eerder genoemde onderzoek 'God In Nederland' hebben ook het Sociaal en Cultureel Planbureau en het aan de Radboud Universiteit Nijmegen verbonden Kaski-instituut gemeend dat de vraag welke religieuze of levensbeschouwelijke stroming eveneens inspiratie en richting biedt wel degelijk relevant is in het kader van het bepalen van de
geloofsovertuiging. Dit wordt mede aangetoond door het feit dat aanhangers van het Westers
boeddhisme vaak niet alleen affiniteit met slechts één levensbeschouwelijke stroming hebben. In het Westers boeddhisme worden immers elementen van andere levensbeschouwelijke stromingen
overgenomen, geïntegreerd of wordt daaraan een andere vorm gegeven. Dit is de verklaring voor
het feit dat juist de aanhangers van het Westerse boeddhisme met meer dan één stroming daadwerkelijke affiniteit hebben.

De aanvraag voor 2005-2010
De reden dat B.U.N. ten behoeve van de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 heeft
aangegeven dat de omvang van haar achterban slechts 250.000 mensen bedroeg, is erin gelegen
dat de B.U.N. destijds voor de berekening van de omvang van haar aanhang een - naar achteraf
blijkt - te strikte interpretatie van het begrip 'daadwerkelijke affiniteit' heeft gehanteerd. Destijds zijn immers alleen tot de aanhang van het boeddhisme gerekend diegenen die een boeddhistisch centrum financieel ondersteunden en participeerden in tenminste de helft van de activiteiten van een dergelijk centrum. Dit is een te streng criterium dat derhalve ook niet houdbaar is. Het feit dat op basis van dit criterium de omvang van de aanhang werd vastgesteld op 250.000 mag om die reden dan ook niet als argument worden gebruikt waarom het onwaarschijnlijk is dat die aanhang nu meer dan 500.000 personen zou bedragen.
Bovendien is een verklaring voor het gestegen aantal boeddhisten in de periode van de
zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 en de huidige Aanvraag, dat het aantal boeddhisten in
Nederland juist in de afgelopen jaren exponentieel is gestegen. Deze stijging wordt aangetoond door onderstaand overzicht uit bijlage I van het door de afdeling MediaOnderzoek& - Advies van de NPO toegestuurde brief, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 4. In dit overzicht wordt antwoord gegeven op de vraag onder de respondenten uit het NPO-onderzoek die hebben aangegeven 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme te hebben, hoe lang ze het boeddhisme beoefenen.
Uit dit overzicht blijkt dat een aanzienlijk deel van de huidige boeddhisten (475.000) pas de laatste vijf jaren het boeddhisme beoefenen, hetgeen aldus de stijging in de omvang van de aanhang van het boeddhisme verklaart.

Minder dan 1 jaar 21,3% 181
1 t/rn 2 jaar 16,2% 138
3 t/rn 5 jaar 18,4% 156
6 tjm 10 jaar 9,0% 77
Meer dan 10 jaar 19,1% 162
Weet niet 15,2% 129
Totaal 100,0% 847
Deze vraag is gesteld aan alle respondenten die hebben aangegeven daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme te hebben. N=278

Bovengenoemde omstandigheden verklaren de discrepantie tussen de opgave van het aantal
aanhangers van het boeddhisme zoals die is gedaan in de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-
2010 en in de Aanvraag voor de periode 2010-2015.
De enkele overweging dat het Commissariaat het niet aannemelijk acht "dat de achterban van de
BUN binnen 5 jaar meer dan verdrievoudigd is", is gelet op het bovenstaande dan ook niet
overtuigend.

Conclusie

Het bovenstaande samenvattend kom ik, namens B.U.N. tot geen andere conclusie dan dat, anders dan het Commissariaat in alinea 38 van het Besluit overweegt, er door B.U.N. wel degelijk feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aanleiding zijn om de indeling van B.U.N. in grootteklasse C te wijzigen. Aangezien uit de gehouden onderzoeken volgt dat het aantal Nederlanders dat een 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft meer dan 500.000 bedraagt, dient de B.U.N. in grootteklasse B te worden ingedeeld.
B.U.N. verzoekt het Commissariaat dan ook het bestreden Besluit te herroepen en alsnog de zendtijdaanvraag van de B.U.N. voor grootteklasse B te honoreren en haar de corresponderende hoeveelheid zendtijd op de algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst en op de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe te kennen.

Hoogachtend,

B.M. van Werven
advocaatnrc