Posts tonen met het label ervaring. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ervaring. Alle posts tonen

vrijdag 11 november 2011

Wat is "kritisch boeddhisme"? - En geloof ik dan in de "BoeddhaNatuur" ? Deel 2

M’n vorige blog over BoeddhaNatuur (en critisch boeddhisme) kan ik samenvatten met:
Volgens sommige Mahayana-verdedigers is het begrip ‘BoeddhaNatuur’ niet strijdig met de anatman-gedachte. Want dit begrip moet niet ontologisch begrepen worden. Het is bedoeld als vaardig hulpmiddel (skilful means, upaya), vooral bestemd voor boeddhisten die bang zijn voor de leegte (sunyata).
Sommige Mahayana-teksten en sommige (Zen-)boeddhisten gaan veel verder, bij hen is ‘BoedhaNatuur’ niet louter een conceptueel en didactisch hulpmiddel maar een positieve realiteit.

Nu is boeddhisme volgens mij niet voor bange mensen. Ik ben in ieder geval minder bang voor de leegte dan voor de idee, cosmisch met alles verbonden te zijn. Voor mij werkt kennelijk deze upaya niet.
Met dit in het achterhoofd ga ik terug naar het vroege boeddhisme en m’n vipassana meditatie.
Theravadins zijn het er niet over eens of de Boeddha (d.w.z. de Pali Canon) het over BoeddhaNatuur heeft gehad; hoogstens in andere woorden dan.

Er is één tekst die éénmaal – in de duizende pagina’s Sutta-teksten – voorkomt en er een beetje op lijkt, in Anguttara Nikaya 1:49

Pabhassara (Helder)

"Helder, monniken, is de geest (citta). En het is bevuilt door inkomende bezoedelingen."

"Helder, monniken, is de geest (citta). En het is bevrijdt van inkomende bezoedelingen."

"Helder, monniken, is de geest (citta). En het is bevuilt door inkomende bezoedelingen. De ongeïnstrueerde doorsnee persoon onderscheidt dat niet, als het aanwezig is, daarom zeg ik jullie dat - voor de ongeïnstrueerde doorsnee persoon - er is geen ontwikkeling van de geest (citta)."

"Helder, monniken, is de geest (citta). En het is vrij van inkomende bezoedelingen. De goed geïnstrueerde leerling van de Nobelen onderscheidt dat, als het aanwezig is, daarom zeg ik jullie dat - voor de goed geïnstrueerde leerling van de Nobelen - dat er ontwikkeling is van de geest (citta)
."

(Nederlandse vertaling door Django Vaal naar de Engelse van Thanissaro Bhikkhu)

Met name Thaise woudmonniken zien ´citta´ hierin een betekenis die veel lijkt op ´BoeddhaNatuur´
Ajahn Chah bijvoorbeeld in zijn talk , ´A Taste of Freedom´ :
"Our practice is simply to see the Original Mind. So we must train the mind to know those sense impressions, and not get lost in them. To make it peaceful. Just this is the aim of all this difficult practice we put ourselves through.
...
The human mind, the mind which the Buddha exhorted us to know and investigate, is something we can only know by its activity. The true 'original mind' has nothing to measure it by, there's nothing you can know it by. In its natural state it is unshaken, unmoving. When happiness arises all that happens is that this mind is getting lost in a mental impression, there is movement. When the mind moves like this, clinging and attachment to those things come into being.
”

Andere Theravada-monniken menen van niet. Bhikhu Bodhi wijst bv op de kontekst van deze tekst; hij zegt “... The fact that this expression ´luminous mind´ does not signify any ´eternal and pure mind-essence´ is evident from the preceeding text, in which the mind is said to be extremely fleeting and transitory “

Thanisarro Bhikkhu gaat een stap verder; bij zijn vertaling geeft hij als voetnoot:
”This statement has engendered a great deal of controversy over the centuries. The commentary maintains that ´mind´ here refers to the bhavanga-citta, the momentary mental state between periods when the mental stream adverts to objects, but this statement raises more questions than it answers.
...
A more reasonable approach to understanding the statement can be derived from taking it in context: the luminous mind is the mind that the meditator is trying to develop. To perceive its luminosity means understanding that defilements such as greed, aversion, or delusion are not intrinsic to its nature, are not a necessary part of awareness. Without this understanding, it would be impossible to practice. With this understanding, however, one can make an effort to cut away existing defilements, leaving the mind in the stage that MN 24 calls ´purity in terms of mind.´ This would correspond to the luminous level of concentration described in the standard simile for the fourth jhana:...
From this state it is possible to develop the discernment that not only cuts away existing defilements but also uproots any potential for them to ever arise again. Only in the stages of Awakening that follow on those acts of discernment would ´consciousness without feature´ be realized.
”

In een essay genaamd ‘Freedom from Buddha Nature' gaat hij daar nader op in.
Ook de blogger Jayarava – waarbij ook het Pali-origineel te vinden is, zegt hier verstandige dingen over.

Het is opvallend dat sommige Westerse vipassana-leraren, ook degenen die een duidelijk Theravada-achtergrond hebben, de duidelijk niet in de Pali Canon voorkomende term BuddhaNatuur toch gebruiken.
Paul Boersma - in het tijdschrift Simsara (mei 2008)- zegt: “Boeddhanatuur werd vanaf de derde eeuw na Christus in het Mahayana boeddhisme een belangrijk begrip, niet alleen voor de theorie maar ook voor de praktijk.
De Vipassana-meditatie die wij allen beoefenen is afkomstig uit de Theravada traditie, maar ik behoor niet tot degenen die zich uitsluitend willen beroepen op de zogenaamde oorspronkelijke ware leer. Integendeel, ik ben me ervan bewust dat sommige aspecten veel beter uitgewerkt worden in Mahayana geschriften dan in wat we nu nog over hebben van het vroege boeddhisme (voornamelijk Theravada). Dat geldt met name voor de metafysische aspecten van de boeddhistische leer
.”

Een boek van een van degenen die vipassana (insight meditation) in het westen hebben geïntroduceerd, Jack Kornfield heeft zelfs als titel 'Your Buddha Nature' Zo zijn er tal van voorbeelden te vinden.
Veel van deze auteurs/leraren wijzen erop dat deze kern, dit ‘goddelijk principe’ welhaast, in de meditatie kan worden ervaren.

Ik kan niet veel meer dan zeggen dat ik deze ervaring niet heb; dat roept wel de interessante vraag op of je in iets moet geloven om het te ervaren ? Het zou me niets verbazen als dat zo is.
In ieder geval ervaar ik wel – een enkele keer – de leegte als vorm van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Dat komt mogelijk mede doordat ik veel over deze ‘Middenweg’ (Madhyamaka) heb gelezen en gecontempleerd; van Nagarjuna maar ook van een Theravadin zoals Buddhadasa Bhikkhu trouwens, zie bv z´n tekst over Emptiness.

Resteert de vraag of het verstandig is naar Westerse boeddhisten of vipassana-meditatoren toe de term BoeddhaNatuur te gebruiken. Ik denk van niet; niet omdat het de vraag is of ziets als BoeddhaNatuur objectief bestaat, maar omdat het het vertrouwen geeft dat er grond onder de voeten mogelijk is of te bereiken is. En ik denk dat dat vertrouwen een illusie is.
Wellicht krijg ik met deze voorkeur van ‘Leegte’ boven ‘BoeddhaNatuur’ het verwijt dat dit een kille benadering is. Waar blijft de compassie, het besef van het inherent goede in mij, in alle levende wezens?
Liever dan deze begrippen stel ik de empathie centraal. Daar wil ik binnenkort over schrijven, waarbij ook de betekenis van spiegel-neuronen aan de orde komt. Empathie voor de door anderen voortdurend ervaren dukkha, als fundamenteel niet-non-dualistisch begrip.

Joop

zondag 30 oktober 2011

Nog steeds Stephen Batchelor - Boeddhisme zonder geloof, althans in reïncarnatie

Ik heb aan drietal retraites van Stephen (en Martine) Batchelor gevolgd, in Zwitserland en in Nederland, en heb de meeste van z’n boeken gelezen. Daardoor ben ik erg aan hem gewend geraakt, misschien iets teveel want ik merkte een beetje op hem uitgekeken te zijn.
Anderen duidelijk niet
Zoals Glenn Wallis schreef (http://speculativenonbuddhism.com/2011/05/12/ted-meissner-responds-to-b-alan-wallace/): “Do you want to liven up a group of somewhat staid western Buddhists? I have just the thing: say “Stephen Batchelor”! It’s happening again over at Sujato’s Blog: http://sujato.wordpress.com/2011/06/11/discussion-on-secular-buddhism “
Alleen al de verwijzing van (Theravada-bhikkhu) Sujato naar een discussie met Alan Wallace riep maar liefst 372 reacties op.
Ook in Nederland was er dit voorjaar een heftige discussie over het boeddhistische karakter van Batchelor.

Toch zijn de opvattingen van Batchelor helemaal niet zo schokkend. En dan heb ik het over één aspect van z’n werk, namelijk z’n agnostische houding ten opzichte van de idee van reïncarnatie. Eigenlijk denk ik dat z’n opvatting niet puur agnostisch is: hij gelooft er niet in.
Laat ik dan maar voor mezelf spreken: ik geloof er niet in. Het is een variant op het leven-na-de-dood idee.
Jaren heb ik welwillend ten opzichte van dit idee gestaan, vanuit de redenering: ik ben boeddhist en een boeddhist (zeker in de Theravada-traditie) gelooft in reïncarnatie, dus ik geloof er in.
Maar eigenlijk niet dus, om eerlijk voor mezelf te zijn.

Voor weinigen van degenen in Nederland die zich boeddhist noemen of zeggen er affiniteit mee te hebben, zal dit een schokkende uitspraak zijn. De meesten – zo is mijn indruk – beschouwen het boeddhisme (alle tradities bij elkaar) als een soort menukaart waaruit men vrij kan kiezen wat er van z’n gading is, desnoods alleen maar drie toetjes en een voorgerecht; zij zullen zeggen: als je het reïncarnatie-idee niet lekker of ‘leuk’ vindt, dan kies je het toch niet?.
Voor mij is het in ieder geval een minder vrijblijvende zaak.

De vraag – voor mij – is dus: kan men boeddhist zijn zonder in reïncarnatie te geloven ?
Veel van wat het boeddhisme, en dan heb ik vooral over de Pali Canon, leert kan als metaforisch gelezen worden, bijvoorbeeld de hele cosmologie erin hoeft niet letterlijk te worden genomen.
Maar dat is toch wat lastiger met het leerstuk van de reïncarnatie zelf; de Sutta’s zijn tamelijk duidelijk, en de relatie met dhukkha en het leven in samsara ook. En cultuurrelativisme (het is niet echt boeddhisme maar de cultuur uit India van 2500 jaar geleden) helpt ook niet echt. Evenmin als een meer mystieke verklaring dat ik elke seconde sterf en opnieuw geboren wordt: poëzie waar ik van houd, maar met weinig verklaringskracht.
Het voorlopige antwoord op mijn vraag of het kan: het moet wel.

Het grootste probleem dat ik heb met het reïncarnatie-idee, is van filosofische aard.
Namelijk dat de basis ervan een dualisme is van lichaam versus bewustzijn (of welk woord men daarvoor ook gebruikt). ´Dualisme´ hier begrepen als `het aannemen van het bestaan van twee tegenover of naast elkaar staande, niet verder meer te herleiden grondbeginselen´, zoals bijvoorbeeld gesteld door René Descartes.
Er wordt bij de reïncarantie-idee niet alleen van de tegenstelling uit gegaan, er wordt ook een hierarchie tussen die twee gesteld: het lichaam is het lagere, is hooguit de drager van de geest. Dit is dus tegelijk een reductionistisch idee: de wisselwerking lichaam-bewustzijn wordt gereduceerd tot dat wat er met het bewustzijn gebeurd.

Het is lastig, hier afstand van te nemen omdat ik ook niet tot het andere reductionische kamp wil behoren, dat van de materialisten, van het stellen dat bewustzijn een product van de materie (van de hersenen) is.

Kortom: ik kom toch weer uit op de agnostische benadering à la Stephen Batchelor; so be it.
Ik heb genoeg te doen met de kern van het boeddhisme: dukkha (lijden, onbevredigendheid) en het beëindigen van dukkha. Het Edele Achtvoudige Pad blijf ik beoefenen, niet om een doel te bereiken, maar omdat ik in de betekenis ervan geloof. Daarom noem ik mezelf vrijzinnig Theravadin.

Contemplatie op de dood
Onderstaande is een poging tot aanvulling – inmiddels zes jaar geleden gemaakt maar ik sta er nog steeds achter als contemplatie die òòk reductionistisch is.- op de teksten van Stephen Levine, in “A Year to Live”
Mijn bezwaar daartegen is dat hij zonder meer uitgaat van het dòòrgaan van 'het bewustzijn' of 'de ziel' of 'our original face' etc. bij het sterven.
Bv: "Dying is the domain of the body. Death is the domain of the heart" (p. 48). En: "Death will free us from the body" (p. 87)
Eén van zijn contemplaties is: vanuit het bewustzijn wordt het stervende en dode lichaam bekeken (o.a. 'Original face contemplation' op pag 120/121).
Ik zou dat willen omdraaien, minstens als oefening:

Vanuit achtereenvolgens mijn tot sterven (dat is: uiteenvallen) gedoemde, mijn stervende en mijn dode lichaam bekijk is mijn geest, mijn bewustzijn.
Ik besef dat mijn lichaam en mijn geest onverbrekelijk met elkaar verbonden waren: m'n geest produceert m'n lichamelijkheid en m'n lichaam produceert m'n geest.
Maar nu ik ga sterven en m'n lichaam uit elkaar gaat vallen (tot stof) en verspreid gaat worden, zullen eerst m'n geest en m'n lichaam elkaar los gaan laten, los moeten laten.
Ik zie vanuit m'n stervende lichaam (dat steeds minder MIJN lichaam is) dat m'n geest zich steeds minder gebonden voelt aan dat lichaam.
Ik zie vanuit het dode lichaam dat van 'mij' was, dat m'n geest zich er los van heeft gemaakt.
En ik zie dat de 'geest' die van 'mij' was, verspreid gaat worden.
Gaat het ergens heen, wordt het ergens in opgenomen? Ik weet het niet! Ik hoef het niet niet weten, ik kan m'n geest loslaten!


Joop

zaterdag 22 oktober 2011

Een tussen-stand-van zaken met dit blog

De afgelopen weken heb ik dit “boeddhisme-blog” nieuw leven ingeblazen.
Als jullie anderen op deze blog willen wijzen: graag.

Oude stukken (brieven, artikelen) heb ik gedateerd ingevoegd, en nieuwe stukken geschreven.
Ik heb genoeg stof om nog jaren te schrijven:
samenvattingen en besprekingen van boeken;
amateur-boeddhologie en de vraag naar het nut van deze kennis bij de beoefening;
ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme in Nederland (of juist het ontbreken daarvan);
en meer persoonlijke ervaringen; zo wil ik binnenkort gaan schrijven over
Geloof ik dan in de ‘Boeddha-natuur’?, en
Wat is een 'vrijzinnig Theravadin’?

Wel wat veel voor iemand zonder ambitie, toch?
Maar ja, ik vind dat er in Nederland weinig echte discussies tussen de diverse boeddhistische tradities en tussen boeddhisten plaatsvinden. Daarom is een beetje polemisch blog misschien wel nodig.

Groeten

Joop

zaterdag 20 november 2010

Een retraite gericht op concentratie

Een artikel van mij, opgenomen in het blad Simsara van januari 2011

In oktober (2010) ben ik naar een retraite geweest die als titel Jhanas – the meditative absorptions, gegeven door Leigh Brasington, een leerling van Ayya Khema. De retraite van 10 dagen vond plaats in het Buddha-Haus in Zuid-Duitsland.
Over het waarom van mijn deelname en over mijn ervaringen wil ik wat schrijven.

Als waarschijnlijk de meeste lezers van SIMsara heb ik de nodige vipassana-ervaring opgedaan in avonden, weekenden en soms een retraite van een week of wat langer. Met enige regelmaat kreeg ik te horen dat er twee meditatie-vormen zijn: vipassana (ook wel genoemd inzicht-meditatie) en samatha (een ander woord voor concentratie-meditatie). Ook hoorde ik dat samatha in wezen niet nodig is, dat er een gevaar is aan het gehecht raken aan de prettige jhana-staat waarin men dan komt en vooral dat het niet tot ontwaken (verlichting) leidt, want dat kan alleen met behulp van inzicht.
Mijn probleem was nu dat ik ook Sutta’s lees en daarin herhaaldelijk over de jhanas wordt gesproken, dat ook de Boeddha daarin heeft verkeerd voordat hij verlicht raakte.
Ook viel me op dat als ik teksten van Thaise meesters zoals Ajahns Chah en Buddhadasa las, ik er mijn indeling van vipassana versus samatha niet op kon toepassen; het ging hen steeds om een combinatie. Bijvoorbeeld in Buddhadasa’s (helaas nog niet vertaalde) ‘Mindfulness with breathing; a manual for serious beginners’, de toepassing van de Anapanasati Sutta.

Ik bleek lang niet de enige en ook niet de eerste die dat ontdekte; de laatste 10 à 20 jaar; zijn er ook in het Westen steeds meer publicaties verschenen die benadrukken dat de twee een paar vormen.
Het bekendste is het ook in het Nederlands verschenen boek van (de Australische monnik) Ajahn Brahm, “Helder inzicht, diepe verstilling”.
Reden genoeg zelf te willen ervaren wat ‘diepe absorptie’, net als ´sereniteit´ een ander woord voor ‘jhana’ inhoudt en waar het me brengt. Het probleem was dat vaak wordt gesteld dat om jhanas te bereiken een lange retraite nodig is, drie maanden bv. Toch heeft Ayya Khema herhaaldelijk met haar retraites laten zien dat 10 dagen ook kan, voor iemand met meditatie-ervaring. Zij is overleden en retraites in haar stijl worden niet zo vaak gegeven.
Gelukkig kwam Leigh Brasington dit najaar naar Europa. (In 2011 helaas niet)
Eén eerdere ervaring had ik. Een paar jaar geleden was er een retraite in Naarden waarin de Ven. Sujiva binnen het kader van vipassana-dagen, ons in kennis bracht met diepe concentratie met het ons richten op een object (een gekleurde cirkel bv). Het blok gewijd aan deze concentratie was (voor mij) te kort en dit type retraite is ook niet meer herhaald. Waarom weet ik niet. Wie neemt het initiatief?

Maar er is ook nog een andere vorm van mediteren die òòk tot diepere concentratie kan leiden, en met die vorm hebben – gelukkig – velen van ons kennis gemaakt: de Metta-meditatie. Tegelijk is de metta-meditatie (niet alleen het zachtjes reciteren van frasen maar ook contemplatie op hoe liefdevolle vriendelijkheid zich kan verspreiden) een vorm van het verkrijgen van inzicht. Opnieuw een argument dat sereniteit en inzicht (oftewel samatha en vipassana) hand in hand kunnen gaan.
´Concentreren´ kan men zichzelf nauwelijks, benadrukte Leigh, het is vooral het effect van zich met aandacht (mindful dus) op een object te richten. In deze retraite was dat een oude bekende: het volgen van de ademhaling; ik adem in … ik adem uit: en dit blijven volgen.
Makkelijker kan het niet, geen onbegrijpelijke nimitta´s (tekens zien). Maar moeilijker kan het ook niet, met al dat denken van me.
Een andere opvallende – maar in mijn ervaring ware – uitspraak van Leigh: “Insight arises by accident”, d.w.z. je kan de voorwaarden ervoor een beetje scheppen, maar het niet afdwingen.

Het model van de retraite was vertrouwd: veel zitten, iets minder lopen, iets meer instructies, en dat alles ingebed in het kader van Dhamma (-toespraken); de dag afgesloten door een begeleide metta-meditatie.
In die 10 dagen heb ik veel geleerd, vooral over mezelf. In de eerste plaats de kracht van de vijf hindernissen. Natuurlijk, daar heb ik vaak van gehoord, maar desondanks dacht ik (impliciet), ach ik heb wel meer hindernissen, ik ben niet perfect, ik kan wel met wat beperkingen leven. Maar de kracht van zintuiglijke begeerte, afkeer en – bij mij vooral – rusteloosheid was groter dan ik wist van mezelf. Een (klein) inzicht: het ongevraagd opkomen van gedachten is een vorm van rusteloosheid, soms gemengd met een andere hindernis. Vooral omdat het alsmaar opkomen van gedachten zo sterk het (niet) bereiken van ‘toegangsconcentratie’ bepaalt.
Bij de vipassana wordt meestal (Matthew Flickstein is een uitzondering) niet van ‘toegangsconcentratie’ maar van ‘voorbereidende concentratie’ gesproken. Voorzover ik heb begrepen is het verschil ertussen alleen gradueel. De ervaring is dat je moet eerst enige concentratie bereikt hebben voordat je met de ‘echte’ vipassana kan beginnen en dan is er continu een andere vorm van concentratie nodig, de ‘momentane concentratie’.
Maar wat is ‘enige concentratie’ ? Aanmerkelijk meer dan ik altijd dacht, in ieder geval voor het bereiken van jhana, maar – achteraf – ook wel voor ik goed met vipassana kon en kan beginnen.

Daar kwam nog een ontdekking (van mij) bij: in jhana zijn betekent ´loslaten´, zelfs de aandacht voor de ademhaling loslaten, op een bepaalde manier ontremmen, en dat vind ik moeilijk.
Ook heb ik het nodige geleerd over het begrip ‘Inzicht’. Het lastige van dit soort begrippen is steeds dat het soms om een vorm van ‘beoefening’ en soms om een resultaat gaat, dat niet (geheel) planbaar is maar je overkomt.
Inzicht is waar het, ook bij Ayya en Leigh, uiteindelijk om gaat. Het is het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, en dan gaat het toch steeds weer om de drie: anicca, dukkha, anatta.
Inzicht kan door formele vipassana-meditatie tot stand komen maar ook door andere beoefeningen die we eigenlijk beter niet ‘meditatie’ kunnen noemen maar ‘contemplatie’. Merkwaardig dat die vorm van beoefening hier niet meer aandacht krijgt. Het Satipatthana Sutta bv begint met een aantal samatha meditaties, waarna ingegaan wordt op het ‘diep doordenken’ (wel in behoorlijk geconcentreerde staat maar niet in jhana) van onder andere de mentale factoren.

Een ander punt dat in de toespraken helderder tot me doordrong: veel van wat wij horen over meditatie en over Theravada in het algemeen, komt niet uit de – door de Boeddha uitgesproken - Sutta’s, maar uit interpreterende teksten van vele honderden jaren later; vooral de Visuddhimagga van Buddhagosa is nog steeds gezaghebbend. Het onderscheid vipassana-samatha komt voor zijn rekening. Zelfs wat ‘jhana' eigenlijk is in de omschrijving van Buddhagosa is nogal anders dan in de Sutta’s : hij legt de (concentratie-)lat heel wat hoger dan de Boeddha. Lastig is vooral (typerend voor boeddhisten) dat deze verschillen vaak ontkend worden.

Er was nog wat anders dat me opviel. Vipassana is nu ook populair geworden in haar geseculariseerde vorm, als mindfulness. Datzelfde zal met de jhanas niet snel gebeuren: het duurt te lang en het heeft buiten de boeddhistisch-religieuze context ook geen praktisch nut (dat bedoel ik dus positief).

De hamvraag, in ieder geval voor mezelf, wat heb ik er verder aan?
Absorptie bereiken door thuis en wekelijk in een groep een uurtje te zitten is eigenlijk onmogelijk. Minstens twee keer per dag een uur zitten, is nodig om de nodige concentratie te onderhouden. Misschien worden mijn hindernissen in de toekomst minder, zo dat het mij lukt. En zeker ga ik nog eens naar een vergelijkbare retraite als de kans zich weer voordoet.
Maar veel dichter bij huis is het kunnen toepassen van wat ik geleerd heb in ‘mijn’ (oh anatta) vipassana-beoefening.
Want ik heb het belangrijkste van wat ik geleerd heb, nog niet verteld: in jhana zijn is een soort slijpen van een mes, zo dat daarna dit scherpe mes (van de geest) beter door kan dringen tot de werkelijkheid. In jhana zijn is niet een doel (je wordt er niet op zich verlicht van) maar middel om veel beter daarna op inzicht verkrijgen gericht te zijn. En – zo zei Leigh plastisch – een mes moet je niet eindeloos blijven slijpen, dan is er geen staal meer over!
Een bruikbaar model dat hij ons aanraadde: gebruik de jhanas in de eerste helft van een meditatie-sessie en een inzicht-methode (vipassana of een contemplatie bv) in de tweede helft.

Kortom, wat ik mij nu voorneem is om veel meer aandacht te besteden aan het verkrijgen van toegangsconcentratie voordat ik me, hup, op de vipassana stort. En natuurlijk probeer ik in m’n aandachtig zijn in m’n dagelijks leven meer te letten op de kracht van de hindernissen die makkelijk met me op de loop gaan. En om me meer met contemplaties bezig te houden.
Gelukkig is er net een helder boek over verschenen ‘BEYOND Mindfulness in Plain English’ door Henepola Gunaratana, de monnik die eerder een populair boek over inzichtmeditatie heeft geschreven.

Genoeg te doen dus? Ja, maar met plezier.