Posts tonen met het label brieven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label brieven. Alle posts tonen

dinsdag 18 november 2014

Vijf jaar geleden: toen niemand nog twijfelde aan het feit dat het NPO-onderzoek bedoeld was om aan te tonen dat er 900000 boeddhisten zijn

Een kleine bijdrage aan de geschiedschrijving van het georganiseerde Nederlandse boeddhisme.
Ruim vijf jaar geleden diende de BOS "mede namens de BUN" een aanvraag in voor zendtijd voor de periode 2010-2015.
Belangrijk onderdeel van de aanvraag, die een verhoging van de gewenste zendtijd betekende omdat de BOS claimde dat er veel meer dan 500.000 boeddhisten in Nederland zijn, was een rapport van de NPO waaruit zou blijken dat er 900.000 zijn
Die aanvraag rammelde ernstig, meende ik toen, en uit liefde voor de waarheid heb ik dat destijds het Commissariaat voor de Media laten weten.
Hieronder een brief van mij van nu vijf jaar geleden, toen niemand nog twijfelde aan het feit dat het NPO-onderzoek bedoeld was om de claim van zendtijd t.b.v. 900.000 boeddhisten te onderbouwen.
Opnieuw relevant omdat in de zitting van de rechtbank verleden week (zie mijn blogtekst van gisteren daarover) BUN en BOS beweerden dat dat onderzoek een ander doel diende: om adequater voor de doelgroep van de BOS te kunnen programmeren.

===============================================================

Betreft: Kommentaar op de
Aanvraag voor Aanwijzing Zendtijd 2010-2015
door de Boeddhistische Omroep Stichting (BOS)

Amersfoort, 19 oktober 2009

Geacht Commissariaat voor de Media


Hierbij mijn kommentaar op bovengenoemde aanvraag.
Ik doe dit op persoonlijke titel, als boeddhist die bezorgd is over de ontwikkelingen binnen het georganiseerde boeddhisme in Nederland.

Wie heeft de aanvraag ingediend? Alleen de BOS
“Mede namens de BUN” staat in de Aanbiedingsbrief van 30 september, dat betekent echter niets. De BUN-leden kennen de aanvraag noch een concept ervan: die is geheim gehouden.
Er is ook geen openbare brief of besluit van het BUN-bestuur over deze aanvraag.
“De aanvrager is de Vereniging Boeddhistische Unie Nederland (BUN)" staat er bovenaan pagina 3, nogal onverwacht en in strijd met de aanbiedingsbrief van de BOS-directeur. Geen enkele passage van de verdere tekst van de aanvraag (bv die over representativiteit) wijst daar op.
Deze passage is alleen te begrijpen als men weet dat die precies zo in de Aanvraag van 2004 (toen wel van de BUN) stond, hij is gedachtenloos overgenomen.

Was de BOS gerechtigd deze aanvraag in te dienen? Volgens mij niet.
De BOS baseert zich impliciet op de delegatieovereenkomst BUN-BOS van 4 oktober 2008
Deze is echter m.i. in strijd met de Mediawet en de Beleidsregels van het Commissariaat:
Niet een omroep, een “organisatie die het media-aanbod verzorgt” maar een “geestelijke genootschap” in uw termen had de aanvraag in moeten dienen. Niet de BOS maar bv de BUN.

Mijn conclusie: de indienende organisatie van deze aanvraag was daar niet toe bevoegd, dus moet de aanvraag niet behandeling worden genomen.
Daarmee zou ik m’n bijdrage kunnen afronden, toch nog wat kanttekeningen bij de inhoud.

Ik volg daarbij uw Toelichting op uw beleidsregels en de ‘inrichtingseisen’ zoals u die in uw brief van 3 april 2009 aan onder andere de BUN heeft geformuleerd.

ii. korte omschrijving van de hoofdstroming waarvoor zendtijd wordt gevraagd; en
iii. eventueel aanduiding van de substromingen waarvoor de hoofdstroming als representatief kan worden beschouwd;

Het lijkt me hier niet de plaats daar uitgebreid op in te gaan, maar de tekst van de Aanvraag schiet op veel punten ernstig tekort. Laat ik het zo zeggen: slechts enkele duizenden van de 900.000 boeddhisten die de BOS claimt te representeren, zullen zich in deze tekst herkennen.


iv. gemotiveerde opgave waarmee ten genoegen van het Commissariaat de kwantitatieve aanhang van de hoofdstroming kan worden vastgesteld;
Het meest concrete wat hierover is de Aanvraag staat, is gebaseerd op de onderzoeks-resultaten van de afdeling MediaOnderzoek & -Advies van de NPO. Bijlage 2 (op blz 28 e.v.) begint met een vertrouwelijke brief van de onderzoeker aan de BOS. Het rapport is zo voorlopig en zo onvolledig dat er nu nog geen enkele conclusie uit getrokken mag worden; elke discussie over de methodologische onderbouwing ervan is op dit moment onmogelijk. Dit is door de onderzoeker op de Achterbandag van de BOS op 3 oktober j.l. ook toegegeven.
De vertaling van uw (van de Raad van State afkomstige) begrip “daadwerkelijke affiniteit” in
de vraag “welke stroming biedt u het meeste inspiratie en richting”
plus (volgens mij helemáál niet overeenkomstig uw affiniteitscriterium !):
de vraag welke stroming daarbij de tweede keus is (bij een deel van de steekproef),
is onjuist. Ik zou de adviezen van de op pag 10 genoemde geleerden wel eens willen zien.
De resultaten van 370.000 voor de eerste vraag plus de 462.000 voor de tweede vraag zijn boterzacht. En dan nog is onduidelijk of de percentages wegens onbekendheid over hoe de steekproef getrokken is, vertaald mogen worden naar de geclaimde 830.000 van de hele Nederlandse bevolking.

Dan de stelling op pagina 10 dat er “per 1 januari 2007 ten minste 113.000 niet van oorspronkelijk Nederlandse afkomst zijnde boeddhisten in Nederland aanwezig waren ”. In de tabel ‘Omvang allochtone aanhang boeddhisme in Nederland’ zoals die in Bijlage 3 opgenomen is, zijn de percentages in de kolom “Invloed Boeddhisme op cultuur land van herkomst” wetenschappelijk volstrekt niet onderbouwd en veel te hoog. Bv de percentages van 100% voor Vietnam en 80% voor China en Japan slaan nergens op, ditzelfde geldt de 10% voor Indonesië.
Het geclaimde aantal van 113.000 is vele malen, misschien wel meer dan vijf maal te hoog geschat.
Van de 113.000 trekt de Aanvraag er zomaar 45.000 af, om te komen op een totaal van 900.000. “Rekening houdend met een zekere overlap tussen onderzoek en telling allochtone achterban”, wordt beweerd; maar waarom die ‘overlap’ 45.000 zou moeten zijn, weet niemand.

Mijn conclusie: ik kan me niet voorstellen dat u, Commissariaat, zelfs in uw meest welwillende interpretatie van deze resultaten kan vinden dat er meer dan 500.000 mensen zijn met een daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme. Het is genant dat de BOS dit claimt.
Veel waarschijnlijker ligt dat aantal ergens tussen de 20.000 en de 170.000


v. bewijsvoering ten genoegen van het Commissariaat terzake van de representativiteit
van het aanvragend genootschap;
Omdat het de BOS is die de aanvraag heeft ingediend, is het de vraag (eigenlijk irrelevant want de BOS is geen ‘genootschap’) hoe groot de representativiteit van de BOS is. Behalve een onbekend aantal (± 1000) donateurs van de Stichting Vrienden van de BOS is die er niet.

De BOS beweert op pag. 4 van de Zendtijdaanvraag:
“... de boeddhistische centra [worden] gestimuleerd om zitting te nemen in de Participatieraad
van de BOS. Deze participatieraad staat ook open voor niet-BUN aangesloten
boeddhistische centra en bovendien kunnen niet-georganiseerde individuen op uitnodiging
zitting nemen in dit adviserende orgaan. Concreet betekent dit dat, op basis van de delegatie-overeenkomst tussen BUN en BOS en de autonomie en bestuurlijke inrichting van de BOS, de inclusiviteit én representativiteit van de BOS de facto nog breder is dan die van de BUN”
Nog los van het feit dat de Participatieraad een vederlicht adviesorgaan is, zonder enige echte invloed op het beleid of de programmering, heb ik twee punten van kritiek op deze uitspraak:
(1) Dat ook niet-georganiseerde individuen zitting kunnen nemen in de PAR staat niet in de BOS-statuten (dat zou in art 16 hebben moeten staan), er is ook nooit bekendheid aan gegeven, ook niet op de website. Misschien zit er nu wel een ongeorganiseerde in deze raad (wij kennen de samenstelling niet, die staat ook niet in de Aanvraag), maar in z’n algemeenheid is deze bewering gewoon niet waar en zegt ook niets over reprentativiteit.
(2) Er wordt nu gedaan of de representativiteit van de BUN en de representativiteit van de BOS bij elkaar opgeteld mogen worden. Volstrekt onterecht.

Toch lijkt het me verstandig kommentaar te leveren op die twee zogeheten representativiteiten:
(a) Omdat de Zendtijdaanvraag niets zegt over de representativiteitsclaim van de BUN, is het lastig daarop te reageren. Wij hebben u echter al eerder dit jaar onze opvatting kenbaar gemaakt (in een bijlage hierachter neem ik deze – ingekort op)
Samenvattend is die: de BUN heeft expliciet de ongeorganiseerden buitengesloten; en een vrij informele claim van het BUN-bestuur van een achterban van 20.000 boeddhisten is aan de hoge kant maar mag wat ons betreft de benefit of the doubt krijgen.
In onze berekening is die achterban kleiner dan 10.000 individuen.

(b) De BOS beweert in deze aanvraag dat zij het onwaarschijnlijke aantal van 900.000 representeert en dat deze allen ook zouden moeten meetellen. Ik citeer pagina 10 van de Aanvraag waarmee de uitspraak van de Raad van State en de samenvatting daarvan van uw Commissariaat m.i. opzettellijk volstrekt onjuist wordt geïnterpreteerd:
"Als het Commissariaat voor de Media bij de beoordeling van de zendtijdaanvragen voor de
periode 2010 - 2015 haar beleid uit het verleden continueert en zij aan het tweede deel
van de definitie van de Raad van State voor de bepaling van de omvang van de aanhang
van een religie of levensbeschouwelijke stroming (' ... , maar meer dan incidenteel.. .... '),
dezelfde betekenis hecht als in het verleden gedaan is voor de islam, het protestantisme
en het katholicisme, dan toont dit onderzoek aan dat het boeddhisme een
achterbangrootte heeft van 832.895 (dat deel van de Nederlandse bevolking van 18 jaar en
ouder voor wie het boeddhisme op de eerste of tweede plaats de meeste inspiratie en
richting biedt, zie bijlage 3), de allochtone boeddhisten daarbij niet meetellend."
Ik zeg: dit is niet alleen een onjuiste interpretatie, hier maakt de BOS ook nog eens een denkfout door de omvang van de ‘achterban’ samen te laten vallen met het deel daarvan dat zij beargumenteerd kan claimen te representeren.

Mijn conclusie is:
het representativiteit-percentage van de BUN (van de 900.000) is hoogstens 2%
het representativiteit-percentage van de BOS (van de 900.000) is niet te bepalen en irrelevant. Dus al helemaal niet de 100% die de Aanvraag impliciet claimt, eerder 0,1%.

Ik zou dit kunnen samenvatten met een paradox, een stijlvorm waar sommige boeddhisten nogal van houden: DE boeddhist bestaat niet en de BOS representeert hem.


vi. omschrijving van het kerkelijk media-aanbod dan wel van het media-aanbod op
geestelijk terrein dat het aanvragend genootschap zich voorneemt te gaan verzorgen
De Aanvraag schiet hierin ernstig tekort.
Hfst VII ‘Positionering boeddhistische omroep’ van de aanvraag, volgens de Inhoudsopgave beginnend op pag. 16, in de versie die wij kennen, staat het hoofdstuk op pagina 21 en 22.
We citeren, en commentariëren:
“Omdat niemand de oorzaak wil zijn van crisis en ellende maar wel van geluk, is de
mensheid niet alleen nu, maar al eeuwen op zoek naar de inspiratie en het houvast om uit
dat irrationele handelen verlost te worden. De BOS kan die inspiratie bieden.”
Als boeddhist moeten we ernstig onze wenkbrauwen fronsen bij deze intentie.

Ik citeer weer: “De BOS produceert en verspreidt een breed scala aan mediaprogramma's vanuit de kernbegrippen wijsheid en compassie, zoals die in het boeddhistisch gedachtegoed zijn uitgewerkt.”
Er had wel iets gezegd mogen worden wat dat brede scala dan is. En bovendien, in het boeddhistische gedachtengoed bevinden zich wel meer kernbegrippen dan deze twee die op deze manier geformuleerd nogal New Age, nogal Happinez-achtig klinken; we missen bv de waarheid van het lijden en het beëindigen van het lijden.

Er wordt niet tot nauwelijks aangegeven welk media-aanbod op boeddhistisch terrein de BOS gaat uitzenden in de periode 2010-2015.
Tijdens de ‘Achterbandag’ van de BOS deed de bestuursvoorzitter nogal honend over de typering van minister Plasterk van 39f-omroepen, die het mogelijk moeten maken dat mensen die slecht ter been zijn, toch kerkdiensten te volgen.
Natuurlijk, de BOS-programma’s moeten niet proberen de kijkers/luisteraars te bekeren, maar de Dharma komt nu nauwelijks aan de orde. Gaat de BOS (af en toe) het beoefenen van het boeddhisme door sangha’s uitzenden, worden er Dharma-toespraken uitgezonden? We krijgen niet de indruk.
We krijgen ook geen indruk wat dan wel. Op dezelfde Achterbandag werd vooral gesproken over documentaires en films, estethiek en exotisch boeddhisme derhalve, nauwelijks aandacht voor het reeel bestaande Nederlandse boeddhisme.


vii. nauwkeurige beschrijving van de governance-structuur en van de administratieve
organisatie van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt;
Wat dat betreft een reactie op wat het Commissariaat in de toelichting op art. 4, vierde lid van de Beleidsregels zegt:" 6. Omgang met belanghebbenden
... In dit beleid wordt voorts aandacht geschonken aan een klachtenregeling,
klanttevredenheid, dienstbaarheid (servicegerichtheid), correcte bejegening (respect)
en kwaliteitszorg ten aanzien van de dienstverlening.”
De BOS hanteert niet het principe van ‘hoor en wederhoor’, noch ingebouwd in een programma noch n.a.v. een reaktie op een programma.
Ik ken een aantal voorbeelden waar dit soort reakties niet of respectloos zijn bejegend.
Volgens mij heeft de BOS ook geen klachtenregeling of door mij voorgestelde ombudsfunctie.


Tot slot nog dit:
“De positie van de BUN is in deze onomstreden binnen boeddhistisch Nederland “, zegt de Aanvraag op pagina 4.
Het spijt me dat ik het zeggen moet: de positie van de BUN is wel omstreden en is dat steeds meer geworden de laatste twee jaar. Met name de rol van het BUN-bestuur in haar geheel en van een aantal invididuele BUN-bestuursleden in het proces van commercialisering van het Nederlandse boeddhisme is – in mijn opvatting – bepaald niet integer te noemen.
Met deze aanvraag en met de reklame die de BOS recentelijk (in radio-uitzendingen) voor bedrijven van BUN-bestuursleden heeft gemaakt, is deze positie er niet sterker op geworden.


Hoogachtend,

(was getekend)

J.W. Romeijn
...
Amersfoort

zaterdag 1 november 2014

Wat biedt het boeddhisme als je hoop wilt hebben? Gelukkig wordt daar weer verschillend over gedacht En over met het Christendom wedijverend vergelijken


De situatie is hopeloos maar niet ernstig
Spreekwoord

Onlangs werden op de website van 'NieuwWij'  twee inleidingen  aangekondigd over
' Rol en kracht van hoop in christendom en boeddhisme '.
Over het Christendom wordt gezegd: " Hoop wordt, haast vanzelfsprekend, aan het begrip ‘toekomst’ verbonden. Paulus ziet dat anders. Hij schrijft: 'Christus Jezus, onze hoop, is opgestaan'. Dan gaat het om de hoop die hier is, in de verrezen Christus. Daarmee wordt hoop uit een al te plat tijdskader gehaald. Christen leven hier in de hoop. Sterker nog, de werkelijkheid zelf heeft een Hoffnungsstruktur. ..."
Dat de werkelijkheid een 'Hoopstruktuur' heeft, vind ik mooi gezegd, maar het is daarom nog niet persé waar: volgens mij heeft de werkelijkheid ZELF geen structuur, die proberen wij er aan te geven, er òp te leggen.

De lezing over het boeddhisme werd aldus aangekondigd:  "Welke rol speelt hoop in de boeddhistische beoefening? In het boeddhisme lijkt het soms te gaan om ‘leven in het hier en nu’. Hoop, als een gerichtheid op een toekomstig heil, lijkt dan uit den boze. Dit ligt genuanceerder. Boeddha spreekt over het wedergeboren worden in Sukhavati, het westelijke paradijs van de eeuwige gelukzaligheid. Dit is niet een hemel naar christelijk model, maar een paradijselijke plek van waaruit de verlichting bereikt kan worden, zoals André van der Braak ... u zal vertellen."

De stelling van deze inleider lijkt te zijn:
het boeddhisme kan best met het christendom wedijveren, want wij leveren ook hoop.
Als algemene stelling is dat nogal merkwaardig. 'HET boeddhisme', wordt gezegd; maar in feite gaat het over één in Nederland slechts door weinigen beoefende variant van de boeddhismen die we kennen: het Zuivere Land boeddhisme. In andere varianten (tradities noemen we ze meestal) wordt helemaal niet gezegd dat de Boeddha zoiets gezegd zou hebben. En dan nog, waarom zouden we hetzelfde willen (bieden) als de Christenen?
Een overzicht, met de meeste accenten op het vroege boeddhisme.

=================================================================

Het wordt ons makkelijk gemaakt door een artikel van (de in Australië wonende monnik)
Bhante Sujato. Zie zijn blogtekst  'Hope - Why Paul Williams is wrong'
Hij schrijft over de bekende boeddholoog Paul Williams die boeddhist was maar op een gegeven moment zichzelf naar het rooms katholicisme heeft bekeerd. Deze Williams heeft een missionerend artikel geschreven dat in Azië (bv Vietnam) gebruikt wordt om autochtone boeddhisten tot het katholicisme te bekeren.

Ik citeer een paar (door mij vertaalde) passages uit dit lange artikel.
Hij "heeft er geen probleem mee dat Williams Christen is geworden of dat hij kritiek op het Boeddhisme heeft. Maar zijn kritiek zit vol fouten. Als we hoopten op een intelligente en betekenisvolle kritiek op het Boeddhisme vanuit een Katholiek gezichtspunt: dat is dit niet.
Waarom niet? De essentie van zijn kritiek is dat het Boeddhisme letterlijk hopeloos is (vanwege de wedergeboorte), terwijl het Christendom hoop biedt. Daarom heeft het Christendom gelijk, en is het rationeel om te concluderen dat Jezus uit de dood verrees, en zo voorts.
Dit benadert zelfs niet een rationeel argument. Het is wensdenken, anders niet.
...
Maar laten we eens kijken centrale probleem van Williams, deze vraag van hoop. ...
Boeddhisten praten niet veel over hoop, want hoop is gebaseerd op de toekomst, en is daarom misleidend. We weten niet wat de toekomst in petto heeft, om ons emotionele welzijn zo te baseren op iets wat we niet weten, en nooit kunnen weten, is teleurstellingen uitlokken.
Het betoog dat de hoop is gebaseerd op wat onbekend is, is niet alleen mijn argument. Het werd gebruikt door Paulus, door Williams geciteerd:
  ' Want in de hoop worden we gered; maar hoop nu die gezien wordt, is geen hoop.
    Want wie hoopt nu op wat hij al ziet? '

Voor boeddhisten zou dit nooit aanvaardbaar zijn. Onze voornaamste zorg is om gegrond te zijn in de realiteit, in wat we kunnen zien. We kunnen nooit tevreden zijn met een leer waarvan de wezenlijke principes niet alleen onbekend zijn, maar onkenbaar.
Dit is waarom we tevredenheid cultiveren.
[Engels: 'contentment'; deze term kan misverstanden oproepen, in ieder geval bij mij; Joop R.] Tevredenheid is gewoon gelukkig zijn met wat er is, hier en nu. Het is gebaseerd op de realiteit van de huidige, niet van een ingebeelde toekomst. Als we leren om nu tevreden zijn, kunnen we dat bij ons dragen, waar we ook gaan. Volgens Paulus, echter hopen we juist omdat we iets niet weten. Dit is een doctrine die permanente onwetendheid verheft tot een deugd.

Hoop is niet alleen misleidend, het is geworteld in afkeer. Waarom hebben we de behoefte aan hoop? Omdat dit heden slecht is. Dit, deze plek waarin ik verblijf, deze mensen waarmee ik ben, deze gedachten die ik heb: die zijn allemaal op een of andere manier mis, pijnlijk, ondraaglijk. In plaats van het omgaan met deze realiteit, vertelt hoop ons dat in een of ander fantasieland van de toekomst alles goed komt.
Tevredenheid, aan de andere kant, is gebaseerd op de acceptatie en liefde. We proberen niet om de werkelijkheid weg te duwen. We proberen niet om de pijn en verdriet van het leven te vermijden. Wij accepteren, en hebben daar letterlijk vrede mee. Het is oké. Dit is de reden waarom het Boeddhisme een pad voor volwassenen is. We zijn niet op zoek naar iemand om onze problemen voor ons op te lossen. We proberen een volwassen en wijze verbinding met de werkelijkheid aan te gaan.

Dat wil niet zeggen dat het hebben van een positieve kijk op de toekomst onmogelijk is. Natuurlijk doen we dat nog steeds, zowel bij seculiere als bij spirituele zaken. We studeren nu zodat we later een baan kunnen krijgen. Of we gaan naar nu een Dhamma-klas zodat we straks met meer begrip kunnen mediteren. Onze wereld vindt nog steeds in de tijd plaats, en we dealen daar mee zoals normale mensen doen.
Het verschil is dat we als boeddhisten niet proberen om dit gewone proces om te zetten in een aantal grote spirituele principes. Tuurlijk, je hebt hoop. Als je een goed mens bent, maak je goed kamma, dan zul je een goede wedergeboorte te hebben. Geweldig! En als je Dhamma diep beoefent en de vier edele waarheden realiseert, dan zult je genieten van de gelukzaligheid van Nibbana. Nog beter! Er is genoeg hoopvol over in de boeddhistische filosofie en praktijk. Maar dat is uiteindelijk niet belangrijk. We maken geen big deal over, want het is allemaal onzeker. Veel beter is het, ons te richten op het hier en nu, en het ontwikkelen van tevredenheid met wat is.

Dus het is in geen geval juist om te zeggen dat het boeddhisme hopeloos is, als we die term in deze beperkte zin beperken. Het is slechts "hopeloos" in de zin dat we niet baseren onze spirituele praktijk op de "hoop" van een onbekende en onkenbare goddelijke interventie op een bepaald punt in de toekomst. ....
Het woord 'hopeloos' heeft een negatieve gevoelswaarde, het betekent 'wanhoop' [Engels: despair]. In een bepaalde door mij hierboven bedoelde betekenis, kunnen we zeggen dat het Boeddhisme 'hopeloos' is. Maar dat soort van hopeloosheid heeft niets te maken met 'wanhoop'. In tegendeel, het heeft te maken van emotionele rijpheid dat z'n geluk vindt in de realiteit, niet in fantasie. Het ontbreekt ons niet aan hoop omdat we er naar op zoek zijn en het niet kunnen vinden; we hebben de behoefte eraan achter ons gelaten.

Het hoofdargument van Williams berust op zijn analyse van de wedergeboorte. Hij argumenteert niet, zoals de seculieren doen, dat wedergeboorte feitelijk onjuist is, omdat er geen bewijs voor is. Hij kan dat niet, omdat het Christelijk geloof duidelijk veel dingen betreft, waarvoor er veel minder bewijs is dan voor wedergeboorte. In plaats daarvan stelt hij dat wat is herboren niet 'mij' kan worden. Hij zegt dat boeddhisten terecht zeggen dat wat is herboren is, niet-zelf is, want wat is herboren heeft slechts een beperkte relatie tot wie we zijn in dit leven. Maar de implicatie hiervan voor hem is, dat hij, de persoon die Paul Williams is, zal verdwijnen. In deze zin is de leer van wedergeboorte is hopeloos: er is geen hoop voor hem als persoon.
Dit is zo'n totaal onverstandig argument, dat ik weet niet waar te beginnen. Maar laat me gewoon zeggen: het feit dat je iets niet graag hebt, betekent niet dat het niet waar is. De wereld bestaat niet om jouw emotionele behoeften te dienen. Als het echt zo is dat wedergeboorte echt is, dan is de rol van religie om ons te helpen daarmee te leren omgaan.
[onderstreping door mij, om aan te duiden dat dit voor mij als seculier boeddhist niet mijn overtuiging is; Joop R]

Hoop is niet iets dat bestaat daar ergens in het universum. De wereld is noch hoopvol noch hopeloos. Noch, wat dat betreft, is een abstract sociaal construct zoals "Boeddhisme" of "Christendom" het soort ding dat ofwel hoopvol of hopeloos kan zijn
.......
Bekering is niet een probleem voor boeddhisten; het probleem is het lijden. Als mensen hun lijden kunnen verzachten door het volgen van een bepaald religieus of spiritueel pad, dan is dat de ware praktijk van Dhamma voor hen.
Maar we moeten niet toezien terwijl het boeddhisme oneerlijk en ten onrechte wordt bekritiseerd.
...
Ik heb veel profijt gehad van het lezen, nadenken over, en interactie met de Christenen en die van vele verschillende paden. Er is altijd iets te leren, en we mogen nooit zo arrogant zijn om te geloven dat we alle antwoorden hebben.
Uiteraard, aan het eind van de dag kan ik niet instemmen met de fundamentele christelijke overtuigingen. Maar wat ik respecteer in de Christelijke traditie, is het gevoel van een echte menselijke strijd om verbinding met het transcendente in het midden van het alledaagse. Als we op deze manier naar de Bijbel kunnen kijken, zien we niet het door God geopenbaarde Woord van God, maar de woorden van de mensen door de eeuwen heen, die, elk op hun zeer verschillende manieren betekenis hebben gevonden in een gekke wereld.

We hebben het geluk om deze gekke wereld met Christenen te delen, en met veel mensen van verschillende overtuigingen en praktijken, en wij Boeddhisten kunnen veel van hun strijd en inzichten leren. En ik hoop dat ik in de toekomst kan leren van een meer betekenisvolle Christelijke kritiek op het boeddhisme.
"


Dit artikel van Sujato riep veel reacties op (volgens mij allemaal van boeddhisten); de meesten stelden dat het boeddhisme best wel 'hoop' kent en hoop biedt.
Bijvoorbeeld Jayarava:
" Natuurlijk is het boeddhisme gebaseerd op hoop. Wij verkopen het boeddhisme op de basis dat we het lijden kunnen beëindigen. Sommigen van ons zeggen dat we een eind aan alle lijden voor alle wezens overal kunnen maken. Sommigen van ons zitten dicht bij het absolute minimum, dat wil zeggen dat het beoefenen het leven een beetje draaglijker kan maken. Maar we bezitten allemaal de hoop dat het beter kan worden, en de meesten van ons denken bij het aanbieden van hoop dat "beter" kan betekenen: "het beste". We hebben allemaal hetzelfde doel. Ontwaken, Verlichting, Bevrijding. Alle concepten die positief zijn, druipend van hoop.
...
Ons probleem zit in het perspectief van de binaire hemel/hel eschatologieën, dat we niets stelligs kunnen zeggen over hoe het is om bevrijd te zijn ...
Er is absoluut hoop in het gezicht van de rondes van de wedergeboorte. Wedergeboorte eindigt met vimokkha, samen met alle andere lijden. Dat is wat de boeddhistische religie haar volgelingen biedt.
"


Het antwoord van Sujato op deze en andere reacties:
"De drie grote deugden in het christendom zijn Geloof, Hoop en Liefde.
Geloof is Saddha; Liefde is Metta. Beide zijn eenvoudig centrale leringen, talloze malen expliciet uitgesproken door de Boeddha als deel van het Pad.
En, waar is de Hoop? Is er ergens een enkele term, idee, of lering dat de Boeddha zei: "Ontwikkel hoop terwille van uw 'Ontwaken', of iets ook maar enigszins vergelijkbaars? Ik denk het niet.
Ik heb niet ontkend dat de gewone hoop onderdeel is van het leven voor een boeddhist. Wat ik heb ontkend is dat het op welke manier dan ook een centrale deugd voor Boeddhisten is, zoals het dat voor Christenen is.
'Leven in het heden' heeft niet alleen op arahants betrekking: het is het pad.
"


Om Sujato te parafraseren: het gaat er niet om of er hoop is (in het boeddhisme)
maar of je hoop kunt beoefenen, op een heilzame manier. Niet dus.
Ik ben het met Sujato eens.
Daarnaast wil ik de nadruk leggen op intenties: We zouden geen hoop moeten willen hebben.
Het heeft geen zin te zeggen 'er is hoop'(volgens zeggen door het Christendom),
of 'er is geen hoop' (aan het Boeddhisme toegeschreven).
Alsof 'hoop' een ding is, of een staat van zijn.
Ook in sociaal opzicht vind ik het concept 'hoop' niet zo geweldig: het rechtvaardigt ongelijkheid.

Maar boven alles: 'hoop' is een verlangen, en daar moeten we toch juist van af ?
Of om mijn credo ( wees blij dat het leven geen zin heeft ) te parafraseren:
WEES BLIJ DAT ER GEEN HOOP IS.

dinsdag 14 oktober 2014

Waarom heet de opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. eigenlijk een ambtsopleiding? - En wat kan je er mee, buiten de bak?

Als de aankondigingen kloppen, is in de september de
'Eenjarige postdoctorale ambtsopleiding boeddhistisch chaplain'  gestart.
Een mondvol, het gaat om de BGVer, zo blijf ik hem/haar/het (want het is een virtueel figuur, ik weet niet hoeveel masters de studie zijn gestart) maar noemen.
Zie Overzicht vakken en Invulling opleiding

Eén van onderdelen heet "Leeronderzoek: Leiderschap in een multireligieuze context en interreligieuze communicatie "
Ik heb grote twijfel over de zin van zoiets als 'spiritueel leiderschap' en nog meer van 'boeddhistisch leiderschap'. Ze zeggen er het volgende van:
"Inhoud vak
In dit leeronderzoek wordt gekeken naar de invloed van leiderschap op community building in een multireligieuze context. Centraal daarbij staan persoonlijke en interpersoonlijke kwaliteiten die van belang zijn voor effectief leiderschap. De theorie over interculturele en interreligieuze communicatie volgens het Topoi-model sluit hierop aan door niet alleen de cultuur maar met name de interpersoonlijke communicatie als vertrekpunt te nemen. Voor specifiek boeddhistisch geïnspireerde vormen van leiderschap en "sanga-building" binnen een westerse en tevens interreligieuze context wordt aangehaakt op het werk van Bernie Glassman en Thich Nhat Hanh.
"

Dat zal me een dynamiek geven over een jaar, met de leiderschap uitoefenende afgestudeerden.

De pdf meldt verder o.a.: "Studenten nemen op 3 oktober in Loenen deel aan een studiedag rondom dit thema. Overige deelnemers aan deze studiedag zijn Boeddhistische Geestelijke Verzorgers DJI, hun mentoren/dharmaleraren, leden van de Boeddhistische Zendende Instantie en een aantal andere genodigden."
Ik heb (kort van te voren) studieleider Stef Lauwers geschreven dat het een aardig idee zou zijn (geweest), mij gezien mijn grote betrokkenheid bij deze opleiding (zie M'n VU-blogs ) daarvoor ook uit te nodigen, en mailde verder: "Ik krijg de indruk dat de opleiding meer op de BGVer bij Justitie dan in zorginstellingen gericht is.
Een opmerking wat dat betreft over de BZI, echt een Justitie-instrument. In enkele van mijn blogs heb ik uiteengezet dat er voor boeddhistisch geestelijk verzorgers niet alleen de BZI is als 'zendende instantie'. Zoals ik eerder schreef  De faculteit der godgeleerdheid kan nu definitief beter de kaarten zetten op het fenomeen 'ongebonden spiritualiteit ' en 'ongebonden geestelijke verzorging ', zoals beschreven in de 'Nota van de Regiegroep Toekomstig Bestel Geestelijke Verzorging' en door mij in m'n blog van oktober 2013 samengevat.
Een goede studiedag toegewenst, ik hoop dat er een openbaar verslag van komt
."
De uitnodiging is niet gekomen, het verslag kan nog komen. Dat zou wel goed zijn, het gebeurt allemaal wel erg intern, om het aardig te zeggen. Ik ga het ze nog eens vragen.


Mijn zorg betreft vooral de werkgelegenheid van afgestudeerde chaplain's in de gezondhedszorg, bij Justitie is het duideljk, al zal daar eerder van krimp dan van groei sprake zijn.
Maar of chaplains kans zien zich in de zeer krappe markt in de zorg te mengen, is de vraag.
Zeker gezien onderstaand bericht.

" POSITIE GEESTELIJK VERZORGER VERSLECHTERT

Er is steeds minder ruimte voor geestelijk verzorgers in de zorg. Dat stelt Simon Evers, voorzitter van de Vereniging van Geestelijke Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ). Hij hield een lezing over dit thema tijdens een symposium over de toekomst van de geestelijke verzorging in Groningen.

Inleveren
Evers ziet een terugloop van werkplaatsen voor geestelijk verzorgers en wijt dit aan fusies, bezuinigingen, veranderingen in de zorgwetgeving en de “kerkelijke kaalslag”. Steeds minder geestelijk verzorgers krijgen een fulltime-baan en vaak moeten uren worden ingeleverd. Er werken nu nog zo’n achthonderd geestelijk verzorgers in een zorginstelling.

Zorgwetten
Evers ziet een aantal oorzaken voor de terugloop. De overheid wil een forse vermindering van het aantal ziekenhuizen en instellingen, wat leidt tot fusies. Dit heeft directe gevolgen voor de arbeidsplaatsen. Daarnaast wordt verwacht dat meer zorg in de thuissituatie plaats gaat vinden, met de veranderende zorgwetten.

Onderzoek
Volgens Evers is er in de beroepsgroep te lang gerekend op steun van zendingsorganisaties en kerken. Daardoor is er niet voldoende benadrukt wat voor belangrijke rol de geestelijk verzorger heeft in het herstelproces van patiënten, waardoor dit nu wordt onderschat. De voorzitter van de VGVZ zou graag zien dat er uitgebreid onderzoek wordt gedaan naar het belang van de geestelijk verzorger. Het moet makkelijker worden om aan te tonen wat de meerwaarde is voor de genezing en het welzijn van patiënten. Dit sluit volgens Evers ook aan bij wat het Europees verband van geestelijk verzorgers vraagt.
"
Bron: 'Cvandaag'  via  'NieuwWij'

Tot zover dit citaat. Weinig hoopvol. Wat het 'Europees verband' vraagt, weet ik niet.


O ja, waarom heet het eigenlijk 'ambtsopleiding'?
Omdat 'gebruik' wordt gemaakt van een subsidieregeling die eigenlijk bestemd is voor dominees (protestantse leraren dus), en die worden vaak 'ambtsdragers' genoemd. Maar boeddhistisch geestelijk verzorgers aka chaplains zijn geen leraren, dat is de BUN-leden destijds verzekerd.
En ik blijf er problemen mee hebben dat de feitelijke secretaris van de BZI Justitie-ambtenaar is.



maandag 8 september 2014

Conflicten onder ogen durven zien, ook bij vipassana-organisaties – Analyse, vragen en aanbevelingen

Op 27 augustus verschenen er op de website van *OpenBoeddhisme* (OB) twee artikelen over een lang lopend conflict tussen het Bestuur van de SIM plus een aantal van de 'groep van Veertien' vipassana-leraren ( info ) enerzijds en leraar Guus Went anderzijds.
In onderstaande beschouwing heb ik naast kritiek op de actoren in dit conflict ook wel wat te zeggen over de OB-artikelen zelf.
Dat laatste neemt niet weg dat ik zeer blij ben dat het nu naar buiten is gekomen.
Te lang heeft het conflict onzichtbaar voor de buitenwereld (maar ook voor meditatoren !) voortgewoekerd.
Of deze openbaarheid de oplossing versnelt, weet ik niet, maar dat is de vraag niet.
De vraag is: durven we, met al onze metta-gevoelens, conflicten onder ogen zien?

Ik noem het 'een conflict' maar de gebeurtenissen van de afgelopen anderhalf jaar kunnen ook beschreven worden als 'een verzameling van pijnlijke processen.'
Het beste kunnen de artikelen zelf gelezen worden:  [de link http://openboeddhisme.nl/geen-wijsheid-zonder-ethiek-en-concentratie/ - artikel Guus Went -   en de link http://openboeddhisme.nl/stichting-inzichts-meditatie-handelt-in-strijd-met-eigen-ethisch-drieluik/ - artikel redactie OB - werken momenteel niet) .
Het is mogelijk dat er na het verschijnen van deze blog van mij nog nieuwe artikelen op de website van openboeddhisme.nl over deze processen verschijnen. Eventueel geef ik een update.

========================================================================

Wat is er feitelijk aan de hand?

Er is een lijst van 'SIM-leraren ', d.w.z. die leraren die (regelmatig) voorkomen in de 'Agenda', op zowel de website als de papieren (drie maal per jaar verschijnend) versie genaamd 'Simsara'.
Service voor degenen die mogelijk naar een retraite willen, zo heb ik steeds duidelijk als 'gebruiker' ervaren.
En dus niet primair service, of meer, voor de leraar die naamsbekendheid nodig heeft.

Er staan op de 'Agenda' van de SIM twee soorten retraites:
* Door de SIM georganiseerd;
Hiervoor gelden de 'Algemene voorwaarden en informatie' ; dat is niet het geval bij:
* Niet door de SIM georganiseerd
De retraites van Guus Went behoorden tot de tweede categorie; ik heb van hem vijf aankondigingen van vijfdaagse retraites gevonden, van begin 2012 tot zomer 2013.

De vraag is wie het recht heeft te bepalen of een retraite in de 'Agenda' wordt opgenomen? En wie in het verlengde daarvan bepaalt of een leraar die met enige regelmaat meditatoren van zulke retraites begeleidt, in de lerarenlijst wordt opgenomen? Statutair is dat - voorzover ik weet - niet specifiek geregeld, dus geldt de algemene statutenregel: dan beslist het bestuur.

En het bestuur van de SIM heeft zomer 2013 besloten, al dan niet voldoende gemotiveerd,
Guus Went en de door hem zelf georganiseerde retraites niet langer in de agenda op te nemen, en van de lijst te verwijderen.
En dat pikte hij niet.   Dat is er aan de hand.


========================================================================

Hoe vind je een retraite, en hoe geef je bekendheid aan een retraite?

Omdat het niet in de artikelen van Guus Went of de redactie van OB staat en ook verder nauwelijks beschreven is (daarvoor is het voor de insiders te evident) een poging om te beschrijven hoe het er met het gaan naar een retraite aan toe gaat.
Ik heb de nodige ervaring met het me inschrijven en bezoeken van retraites (wel en niet die van de SIM, in het binnenland en elders in Europa) en éénmalig ook met het organiseren van een retraite.

Vanuit de 'gebruiker', degene die naar een retraite wil: die zoekt op de diverse agenda's: die van de BUN ( http://boeddhisme.nl/agenda/retraites.html ), die van het BoeddhistischDagblad (http://boeddhistischdagblad.nl/agenda/ ), die van Bodhitv (http://www.bodhitv.nl/agenda/ ) en die van BoeddhaMagazine (http://boeddhamagazine.nl/agenda/ ). Of hij/zij gaat naar de website van organisaties die vaak retraites organiseren zoals de SIM (http://www.simsara.nl/agenda/ ) of SanghaMetta (http://sanghametta.nl/programma-en-activiteiten ) en nog een paar andere met Theravada-grondslag, want daar hebben we het over ('Mindfulness' laat ik dus buiten beschouwing).
Uiteraard is er een overlap tussen deze agenda's, maar dat weet je pas als individuele bezoeker als je er geweest ben.

Je schrijft je in (als er nog plaats is) en betaalt de gevraagde bijdrage. In de meeste gevallen is dat voor voeding, huisvesting en andere organisatiekosten zoals reiskosten voor de leraar. De 'beloning' voor de Dhamma de leraar in de retraite heeft geschonken is in de meeste gevallen (en zo is het ook het sterkst overeenkomstig de intenties bij de Theravada) in de vorm van te geven 'dana' achteraf, een gift zonder een bepaalde hoogte. De meeste leraren hebben ook een baan (of ZZP-constructie) als inkomstenbron, als echte inkomstenbron in de meeste gevallen.
Sommige leraren behouden de dana zelf, andere schenken het weg, bijvoorbeeld aan hun klooster/sangha.   Daarnaast is er soms voor de uit vrijwilligers bestaande staf ook dana.

Van de kant van degenen die een retraite organiseren is de beschrijving min of meer het spiegelbeeld van het bovenstaande: of de leraar zelf of een organiserende groep om de leraar heen meldt de retraite aan, marketing is tegenwoordig belangrijk, meestal wordt in zoveel mogelijk media aangemeld. En op de eigen website die de meeste leraren tegenwoordig ook hebben. En tijdens andere bijeenkomsten of retraites worden flyers uitgedeeld en vaak gaat er een mailing uit. Kortom: het vergt inspanning, behalve bij beroemde leraren.

Nog een aparte opmerking over de lijst van leraren van de SIM: ik heb in de loop der jaren heel wat mensen gesproken (soms ook geadviseerd) over een retraite-gang; maar naar die lijst werd nooit verwezen, zelf kijk ik er alleen met een professionele blik wel eens naar. Die speelt dus geen rol in de 'marketing' van een retraite.

Internet-jargon: ik spreek van de website van de SIM, de SIM doet dat ook. Het artikel van OB heeft het echter over 'webportal', een niet op feiten gebaseerde opwaardering. Een 'Portal '  is  "een webpagina die dienst doet als "toegangspoort" tot een reeks andere websites, die over hetzelfde onderwerp gaan. Soms dus synoniem van start- of hoofdpagina, maar meestal ook als vertrekpunt en overzichtstabel voor verdere navigatie binnen een onderwerp."  Is simsara.nl niet

========================================================================

Een begin van een analyse van 'het conflict'

Ik heb niet gehoord wat de visie van het bestuur van de SIM op de gang van zaken is, maar uit het verslag van Guus Went plus de informatie gebracht door de redactie van OB krijg ik de indruk dat dit procedureel gezien slordig en menselijk gezien bot is gegaan. Maar wellicht zijn er allerlei subtiliteiten die ik (nog) niet ken en mijn (voorlopige) oordeel zouden beïnvloeden.

Dit is de tweede ervaring met het wel of niet op de lijst houden van een leraar. Beide keren was het problematisch. Januari 2011 heeft Adi Ichsan (ook een van de 'veertien') geprobeerd Stephen Batchelor van de lijst verwijderd te krijgen; de toenmalige SIM-voorzitter Dingeman Boot heeft die aanval afgeslagen. (Vanuit m'n waardering voor Batchelor als inspirerend seculier boeddhist heb ik me toen ook zeer actief opgesteld; de email-uitwisseling hierover bewaar ik zuinig, had ik ook wel een blog van kunnen maken.)
Er is dus alle reden toe, in de statuten van de SIM een duidelijke regeling te treffen. Want linksom of rechtsom moet er een mogelijkheid zijn dat de SIM aan de bezoekers van haar website en lezers van haar blad duidelijk maakt of een bepaalde leraar aanbevelenswaardig is.

Er speelt nog een ander thema. De laatste jaren ontstaan er op steeds meer plaatsen in het georganiseerde boeddhisme adviesraden van leraren naast (of boven) de besturen. Bij de BUN is er een gekomen, de stichting Vipassana Centrum Nederland kent er een; en in feite blijkt nu ook het SIM-bestuur een of meer leraar-adviseurs te hebben. Ik vind dat een ongewenste ontwikkeling. De SIM bv is een seculiere organisatie (een service-organisatie), geen sangha; een raad van leraren erboven/naast is ongewenst, de besluitvorming wordt er troebel door. Op z'n minst moet die besluitvorming precies worden geregeld maar dan nog vind ik het overbodig: bestuursleden van een stichting als de SIM zijn toch ook wel Dhamma-fähig?

Inhoudelijk maar ook beleidsmatig speelt er nog meer: de spirituele erfenis van Bhikkhu Mettavihari:
• Sinds 2006 werken ’De Veertien’ aan richtlijnen die afwisselend met Handleiding leraar Vipassana in de Tipitaka-traditie, Handleiding voor Vipassana leraren in de Nederlandse Mahasi Sayadaw traditie en Samenvatting Handleiding Leraren Vipassana Meditatie worden aangeduid.
...
• ‘Indien iemand zonder goedkeuring van een gekwalificeerde leraar zelf als Vipassana leraar aan de slag gaat, kan hij/zij niet melden dat hij/zij binnen onze Nederlandse Vipassana gemeenschap gekwalificeerd is,’ aldus de Samenvatting (19 september 2010).
Bron: 'Samenvatting '

In plaats van de quasi-diagnostische en te persoonlijke term 'psychisch labiel', àls die echt als etiket is gebruikt, had beter een meer functionele term als 'ongekwalificeerd' gebruikt kunnen worden, omdat daarna een kwalificatie-traject denkbaar is. Bijvoorbeeld door gedurende een bepaalde periode retraites te geven samen met een ervaren leraar; want een uitstekende meditator zijn (met hoge niveaus van realisatie / nana's) is wat anders dan een goed leraar zijn.

Ik krijg de indruk, maar mogelijk klopt dat feitelijk niet, dat Guus Went als 'ongekwalificeerd' werd beschouwd in bovenbedoelde zin.   Het probleem is:
  Uit wie bestaat in bovenstaand citaat 'de Nederlandse vipassana gemeenschap' ?
En is er vipassana (of andere vormen van Theravada-boeddhisme beoefenen) buiten die 'gemeenschap' waarmee die 'gemeenschap' wel kan samenwerken?

Aan de andere kant vind ik het (niet positief bedoeld) nogal reïficerend als de redactie van OB als schijnbaar objectieve informatie stelt "Boersma ... behoort tot de Raad van Acht die aan het hoofd van de Mettavahari Heritage Sangha staan ". Dit zijn entiteiten die alleen in de hoofden van sommige mensen bestaan. Dit is taal die meer bij het Tibetaans boeddhisme past.

Maar voor het geval dat het die kant uitgaat (ik denk het niet, daarvoor zijn de verschillen tussen 'de Veertien' te groot), dan herinner ik aan (het laatste deel van) m'n blog van een paar weken geleden, met als vraag:  Is dit mijn sangha? .

======================================================================

Nog meer vragen

Wat er de afgelopen jaar - vanaf maar ook voor de bestuursvergadering van 2 juni 2013 - precies gebeurd is, blijft voor mij onduidelijk, ook omdat het SIM-bestuur tot nu tot geen beschrijving van de feitelijke gebeurtenissen (vertrouwelijk houdend wat vertrouwelijk moet blijven) heeft gegeven.
Was er op die vergadering een besluit of een 'voorlopig besluit' genomen waarvoor nog een apart 'uitvoeringsbesluit' nodig was zoals de redactie van OB schrijft? Was Paul Boersma adviseur en is dus het SIM-bestuur verantwoordelijk voor zijn activiteiten richting Went of was hij als leraar relatief autonoom in bv het gesprek dat hij kennelijk met Guus Went heeft gehad en de mail die hij aan z'n collega-veertieners heeft verstuurd? Was Paul Boersma op de bestuursvergadering van 2 juni 2013 aanwezig zoals OB stelt maar Guus Went niet? Is de functie 'bestuursadviseur' nieuw, want ik had er nooit eerder van gehoord en hij staat niet in Simsara/Organisatie ?

Overigens: ik begrijp ook niet waarom Paul Boersma het besluit van het SIM-bestuur (om Guus Went van de lijst te verwijderen) aan de andere leraren van de 14 heeft doorgegeven; was hij adviseur namens de 14 of op persoonlijke titel? En ik begrijp niet dat hij dit zonder afschrift aan Guus Went heeft gedaan. Alleen betwijfel ik het effect hiervan op 'reputatieschade' het afgelopen jaar: er is buitengewoon vaardig gezwegen.
Ik beweeg me toch ook intensief in het vipassana-wereldje en had tot voor een paar weken geleden geen vermoeden dat er een conflict tussen het SIM-bestuur en Guus Went was. Mijn schatting is dat van de paar honderd tot duizend mensen (er zijn elke maand wel een paar retraites ergens in Nederland en op elke retraite komen gemiddeld een stuk of twintig mensen; en wie overweegt, gaat niet altijd echt) die het afgelopen jaar overwogen naar een retraite te gaan, hoogstens een paar procent er weet van heeft gehad.

Met name over de mediatie vind ik het verslag van Guus Went (en de aanvulling daarop van de redactie van OB, op basis van informatie van Guus Went of uit andere bronnen) onduidelijk. Wat is er noodzakelijk geheim en wat mag best openbaar zijn? Mogen bv de thema's die beide partijen als mediatie-onderwerpen hebben aangedragen, niet openbaar zijn? Was het de bedoeling dat een lid van de Ethische Commissie als deelnemer van de partij SIM aan de mediatie mee zou doen, of zou zij als een soort derde partij moeten deelnemen; en wie heeft de suggestie (van de EC in die richting) afgewezen? Wanneer heeft Guus Went - wat hij kennelijk heeft gedaan - een advocaat ingeschakeld en wanneer heeft die in een brief aan de SIM voor het eerst van zich laten horen, was dat tijdens het mediatie-proces? Is zo'n interventie toegestaan gedurende het mediatie-proces? Valt alles wat Guus Went heeft geschreven buiten de geheim-verklaring van de mediatie, of is die vervallen na het mislukken (is er formeel van mislukken sprake?) van de mediatie? Waarom had Guus Went eenvoudig niet kunnen zeggen: de opinie als dat ik 'psychisch labiel' zou zijn wens ik niet op de lijst van mediatie-thema's, en zou het er daardoor ook niet op gekomen zijn? Heeft de mediator hem niet gezegd: bij 'onderhandelingen' (mijn term) zoals een mediatie op een bepaalde manier is, hoeft een partij niet bij voorbaat iets 'weg te geven', en dus mogen ze proberen dit aan de orde te stellen; dat (een punt laten vallen) kan tijdens het proces?

Hoort een deel van de mededelingen van Guus Went in zijn essay niet tot de vertrouwelijkheid van de mediatie? Wat was nu eigenlijk het gebied van de mediatie: zakelijk (het economische gevolg van niet meer op de lijst staan etc) of psychologisch-relationeel (in de zin van: hoe mensen met elkaar, en m.n. met hem, omgaan)? Een economisch conflict of een vecht-scheiding? En wie heeft die twee door elkaar gehusseld?
Het verslag dat de redactie van OB van dit mediatie-proces geeft, suggereert dat de mediator het proces niet goed in handen had. Vindt Guus Went dit ook en heeft hij (of zijn advocaat) dat ook aan de mediator of aan de instantie die daar over gaat, gemeld?

======================================================================

Een persoonlijke, een juridisch/economische en een ideologische kant van 'het conflict'

Het begon heel persoonlijk, over verliefd worden als ik het goed begrepen heb uit het essay van Guus Went; maar dat zit dicht bij 'dit wil ik niet weten'.
Na het concept-besluit van het SIM-bestuur verdween dit naar de achtergrond.
Het conflict heeft naast de juridische/economische kant waar OB vooral op in gaat en de relationele en psychologische kant dat zo ongeveer de helft van het essay van Guus Went vormt ook een ideologische kant.
Ik doel met 'juridisch/economisch' bijvoorbeeld de zin “De belangen van de … en de …en ... zijn nauw met elkaar verweven: persoonlijk, bestuurlijk, institutioneel, financieel en commercieel” in het OB-artikel. 'Persoonlijk, bestuurlijk, institutioneel'; daar kan ik me - het wereldje een beetje kennend - iets bij voorstellen, maar van 'financieel en commercieel' (verweven zijn) wordt geen schijn van bewijs geleverd.

======================================================================

Is een kort geding on-boeddhistisch?

Nog een opmerking over de juridische kant van het essay van Guus Went. Na z'n beschrijving van het mediation-proces (dat ik op talloze punten procedureel en inhoudelijk niet begrijp) komt het bij het thema 'kort geding'. Hij zegt: "Het SIM-bestuur stelt een eventueel kort geding te beschouwen als 'niet passend binnen de beginselen van de boeddhistische traditie'... "
Of het SIM-bestuur dit echt heeft gesteld, weet ik niet. Maar hoe te bepalen of dit correct is? Dat kan op twee manieren:
- Hoe ging en gaat het er aan toe in het hart van de Theravada-traditie, in de klooster, bij conflicten tussen monniken? Dat wordt minutieus in de Vinaya geregeld. Volgens mij kan er daarbij wel een punt komen, bij bepaalde misdrijven dat het klooster een monnik aangeeft bij de wereldlijke heerser. Dus pertinent tegen juridische procedures is de traditie in dit opzicht niet. Maar dat een monnik een kort geding aanspant tegen z'n abt, is ondenkbaar.
- De meer softe moderne benadering van het lekenboeddhisme dat men onderling de zaken met metta en respect voor elkaar bespreekt (dus niet van 'een conflict' spreken), zuiver sprekend en onthecht van eigenbelang met elkaar omgaat; en alleen in het uiterste geval een wijze boeddhistische leraar als scheidsrechter inschakelt. Of dat laatste wenselijk is, is de vraag.

======================================================================

Ideologie, d.w.z. opvattingen over vipassana en andere aspecten van het Achtvoudige Pad

Dan de ideologische kant: de strijd tussen 'alleen vipassana' en 'Theravada is meer dan vipassana' (ik simplificeer een beetje)
Hierop gaat Guus Went zelf uitgebreid in; z'n betoog hierover vormt de andere helft van z'n essay. Ook al omdat hij mij als getuige (a charge of a decharge, weet ik eigenlijk niet, ik ben geen jurist) citeert, wil ik dat ook doen.
(Guus Went noemt trouwens ook Adi Ichsan als een soort getuige, of verwante; dat vind ik interessant, met Adi in één rijtje te staan, al kan ik het me wel voorstellen: Adi heeft ook een fundamentele opvatting over 'de zuivere leer')
Het is de vraag of de andere partij het ooit als een ideologische strijd heeft gezien. Vermoedelijk heeft men (SIM of sommige van 'De veertien') zijn opmerkingen als symptoom van onterechte superioriteit gezien. Of, nog erger, men kreeg het gevoel dat hier de geest van voorheen Dhammawiranatha sprak. Ik speculeer hier, het zijn 'wilde duidingen', dat realiseer ik me.
Hoe dan ook: ik vind het leuk op zijn essay te reageren.

De drieslag ethiek – concentratie – wijsheid die hij gebruikt, vind ik nooit zo gelukkig. Het is een vereenvoudiging van de acht aspecten van het Edele Achtvoudige Pad ( zie Wikipedia ).
Maar bovenal: deze driedeling is niet bruikbaar om het spanningsveld vipassana (toepassen van 'juiste sati') versus concentratie (toepassen van 'juiste samadhi') weer te geven: die vallen beide onder 'concentratie'.
En dan nog: wijsheid kan je niet beoefenen, het is een resultaat, althans het aspect 'juiste inzicht' er van. Het aspect 'juiste gedachten' (samma sankappa, juiste intenties) is trouwens ook behoorlijk ethisch van aard, ook al is het formeel geen 'sila'.
Wordt de ethiek verwaarloosd in de vipassana? Verre van dat; vaak worden twee niveaus onderscheiden:
*  het beginnersniveau, het wereldse: bij elke toevluchtname worden ook
   de 'vijf leefregels' voorgenomen.
*  in het meer gevorderde stadium gaat het om inzicht in heilzame en onheilzame
   fenomenen: ethiek via de achtzaamheid dus.
“Alleen uit concentratie komt wijsheid voort “, stelt Guus Went. Ik realiseer me dat ik nu los van de kontekst citeer maar dit is m.i. niet correct. Precieser: het is incompleet; als er zou staan:
“Ook concentratie is nodig voor wijsheid ”, dan zou ik wel akkoord gaan, van harte zelfs.

Guus Went is voorstander van de 'echte vipassana a la Mahasi Sayadaw'. Ik vind het prima als er ook dit soort retraites in Nederland komt, maar bepaald niet alleen. Mijn voorkeur gaat uit naar het meer pluriforme model van Spirit Rock, waarover Jack Kornfield een paar jaar geleden zo bevlogen heeft gesproken. Ik heb het al eens geciteerd maar doe het hieronder nog eens. Uit  'TheBuddhadharma '

Toen ik dit verleden jaar tijdens de 'Vriendenmiddag' in Deventer benadrukte, zei het bestuur (Ansink en Gijsen) het daarin met mij eens te zijn. Nu nog steeds, neem ik aan.
Die middag ging over het initiatief een Vipassana Meditatie- en Studiecentrum ergens in Nederland te realiseren. Een idee dat al een paar jaar leefde.
In zijn beschouwing beschrijft hij ook zijn initiatief (een verband dat ik niet eerder heb gelegd gezien), een bepaalde in Birma woonachtige Duitse monnik uit te nodigen regelmatig naar Nederland te komen "als mentor (althans één van de mentoren) van een in Nederland op te richten Dhamma-centrum."  De term 'mentor' komt mij hier merkwaardig voor, het lijkt meer op een soort 'patroon'. Ook de timing (al een zwaar ideologisch stempel drukken nog voordat de discussie over wat voor een soort meditatie-centrum-gebouw we willen, op gang gekomen is) lijkt me niet zo gelukkig gekozen.

======================================================================

Terug naar het pijnlijke conflict met Guus Went
Drie vragen:

Kunnen we helpen?


Met 'we' bedoel ik hier degenen om wie het gaat: de mediterenden, de retraite-bezoekers.
De geschiedenis terugdraaien naar de situatie voor juni 2013 of oktober 2013 bijvoorbeeld lijkt me niet mogelijk.
Kunnen we, als niet-leraar, doen wat Guus Went juni 2014 aan de leraren heeft gevraagd: “Ik doe een beroep op de leraren om hun vermogens aan te wenden om de bestuurders van de SIM terug bij de les — namelijk het Ethisch Drieluik — te brengen“  ? Waar is dat, bij de mediatie?

We kunnen wel het bestuur adviseren, toe te geven dat er enige 'onhandigheden' (een eufemisme) zijn geweest zoals het uit teveel uit de eigen kring samenstellen van de Ethische Commissie, waardoor Guus Went (naast het kennelijk onvermijdelijke verwijderen van de lijst) onnodig leed is berokkend. En toegeven dat er leermomenten zijn (zie onder).

Mediterenden kunnen zelf de website van Guus Went bestuderen en zelf beslissen of ze naar een van zijn retraites gaan.
Het zou goed zijn als hij op deze website ook over dit conflict schrijft,
net zo als het goed zou zijn als de SIM er op haar website over schrijft!

Moet er op korte termijn iets gebeuren?

Moet dit personele consequenties voor het SIM-bestuur hebben?
Aftreden van Hans Gijsen is voor mij niet nodig. Wel moet men haast maken met de opvolging van de bestuursleden waarvan de maximale termijn verstreken is (of de statuten wijzigen): niet zozeer met goede meditatoren of goede organisatoren maar met goede bestuurder(s).
En wel lijkt het me beter dat Hans Gijsen per direct stopt met het secretarisschap van de stichting Vipassana Centrum Nederland, deze tweepettigheid is niet langer wenselijk.

Heb ik ook een advies voor Guus Went? Ik denk dat hij moet kiezen:
- Of denken: laat ze allemaal de ... (ik denk: de tering) krijgen, ik wil niets meer
   met ze te maken hebben, heb m'n eigen website en organiseer m'n eigen retraites,
   net zo als een aantal andere leraren dat doen. Liefst samen met anderen,
   want collegiale toetsing is nooit weg
- Of een kort geding aanspannen tegen het bestuur van de SIM en eisen:
   (a) weer opgenomen te worden in de lijst van leraren; en
   (b) weer vermeld worden van z'n retraites in de agenda van Simsara.

Kunnen we hier van leren?

Hierboven heb ik al een paar suggesties voor meer precies regelen van een aantal zaken in de SIM-statuten gedaan (besluitvorming wie op 'de lijst' van Simsara komt, rol van bestuursadviseur)

Veel fundamenteler is het probleem hoe te checken of iemand een goede leraar is; en wel in combinatie met een ander thema: de SIM moet geen monocultuur (niet slechts Mettavihari-leraren, of slechts Mahasi-leraren of slechts ... wie dan ook) hebben?
De methode van de 'Mettavihari Heritage Sangha' is te beperkt, betreft alleen de eigen groep. Er moet een breder kader komen. De werkwijze van de 'Handleiding', ook genoemd 'Samenvatting' is onvolledig, omdat hij niet op alle leraren betrekking kan hebben.
Mijn voorstel: laten we de werkwijze van Spirit Rock (California) bestuderen en op Nederlandse schaal toepassen, zie Teacher Training at Spirit Rock

Tenslotte moet m.i., zo snel mogelijk, de huidige lijst van leraren (van de website) verwijderd worden. Er kan in de komende jaren een nieuwe worden opgebouwd, als daar behoefte aan is, met duidelijke criteria en procedures.

======================================================================

Voor de formele duidelijkheid: ik heb vele jaren bij Paul Boersma gemediteerd. Deze tekst heb ik zonder enig overleg met hem geschreven. En ik blijf hem, ondanks enige twijfel over zijn bestuurlijke rol, als mijn kalyana mitta beschouwen.

======================================================================

BIJLAGE

Uit ‘ This fantastic, unfolding experiment. Establishing the Insight Meditation Society and Spirit Rock ’ door Jack Kornfield ; een paar zinsdelen door mij vet gemaakt.

“ When we started IMS, it was primarily a Mahasi-oriented center. I brought in the flavor of Ajahn Chah as well. But because Joseph (Goldstein) and Sharon (Salzberg) had done most of their practice through the Burmese lineages of Mahasi Sayadaw and of U Ba Khin, and we shared this training, this is mainly what we taught. From the very beginning we offered the practices of both Mahasi Sayadaw and U Ba Khin, with Ruth Denison and John Coleman leading retreats.
...
When we started, the first principle that we got right —partly out of necessity (or out of desperation)— was that we would do collective teachings . One can see that the centers that have had the most difficulty have invested all the power in just one teacher. Often that person gets terribly isolated, and, as you know, many dharma centers in the West have suffered in some fashion or another due to the misconduct of their primary teacher.
...
The second principle that we got right —and I was a passionate advocate for this— was having multiple lineages . Even though there was a Mahasi lineage through Munindra, Mahasi Sayadaw, Dipa Ma, and Asabha Sayadaw that we shared at IMS, it was very important from the beginning that we invite other lineages and teachers. So early on we invited Christopher Titmuss and Christina Feldman—people who had studied with Ajahn Buddhadasa, Ajahn Dhammadoro, Ajahn Chah, and other teachers. From my own experience, it was healthier for both students and teachers alike to have access to a range of dharma teachings and perspectives. This is an underlying principle at Spirit Rock as well.
The Buddha is often described as the master of many skillful means. Gradual and sudden, outer and inner, form and emptiness were all aspects of his teaching. A wise teacher, and a wise center, needs to offer a whole range of skillful practices, because people come along at different stages of their inner development, with different temperaments, and with different sets of problems. If we limit ourselves to one technique, it will only serve certain people and it won’t be helpful to others. Diversity of practices is an underlying vision at IMS that has also been carried through to Spirit Rock. On our retreats, though we use the basic instructions from Mahasi Sayadaw, we also draw from the teachings and perspectives of Ajahn Chah, Buddhadasa, U Ba Khin, and many others.
....
To preserve the strength of our tradition, the majority of our retreats teach vipassana and the four foundations of mindfulness. Many of our other retreats focus on the brahmavihara (the divine abodes of loving-kindness, compassion, sympathetic joy, and equanimity). Those are our two central streams of dharma practice. The third stream offers an integration of mindfulness practice with other aspects of our dharma vision. These retreats combine mindfulness and yoga, or mindfulness and the creative process, or mindfulness and loving-kindness and psychotherapy. In addition, we have hundreds of daylongs, which along with retreats provide the aspect of our mandala that has to do with integration and how we live. This would also include our Diversity Program, which is committed to offering the dharma to as diverse a population as possible; our Program for Socially Engaged Buddhists; our Family Program, for children and their parents; our Teen and Young Adult Program; and our Program for Yoga Teachers.
To keep Spirit Rock connected to the core of our Buddhist tradition, we made a rule that when people outside our lineage come here to teach retreats, they would always be joined by one of our teachers in order to connect their teachings to our practice. In this way our core practices of generosity, virtue, mindfulness, and loving-kindness are complemented by other lineages and skillful means. ...
So we have had wonderful retreats with Tsoknyi Rinpoche and both Ajahn Amaro and Guy Armstrong on different occasions.
While we are dedicated to preserving and sustaining the core teachings of our lineage, we are also willing to be innovators, as indicated by our willingness to learn from many lineages.
“

maandag 1 september 2014

Wat vinden de boeddhologen er van? Van vipassana en van het 'geëngageerde' Chinese boeddhisme bv? Van der Braak en een overzicht van het IABS-congres

Een paar weken geleden vond er een congres plaats van de 'International Association of Buddhist Studies'. Van boeddhologen over de hele wereld dus. Zie hun  Homepage .
Om een indruk te krijgen van de breedte en rijkdom van dit congres, de  List of Abstracts .
Het aantal bijdragen is ver boven de honderd. Heel wat vind ik interessant; ik noem er hier slechts een paar die misschien voor nog een paar Nederlandse boeddhisten de moeite waard zijn.
De abstracts van deze selectie van mij staan integraal onderaan deze blog.

* Meditatie als aspect van de beoefening
Met name de verhouding tussen vipassana en samatha (jhana) is hierbij van belang; maar ook (voor mij nieuw) in nr 1, de verhouding tussen Mahayana en het vroege boeddhisme.
Papers hierbij zijn:
( 1)  'Avoiding the Void: Ambivalence toward Samādhi and the Realization of Emptiness'
       door Stephen Jenkins;
( 2)  'Not Differentiated, Nor ‘Yoked’: A New Light on the Relationship between
       the four jhānas and the Practice of satipaṭṭhāna',  door  Keren Arbel
( 3)  'Was Insight an Intrinsic Quality of the Meditative State of jhāna in
       Early Buddhism? ',  door Grzegorz Polak

* Compassie en liefdevolle vriendelijkheid    Papers zijn hier:
( 4)  'Compassion in the Āgamas and Nikāyas' ,  door Bhikkhu Analayo
( 5)  'Great Compassion in Indian Buddhism',  door Samaneri Dhammadinna
( 6)  'Confluence: Adoption and Adaptation of Lovingkindness and Compassion
        Practice in Buddhist and Secular Contexts
',  door Dawn Neal.
Zeer bruikbaar is de indeling van Analayo (van het dikke boek www.milinda-uitgevers.nl/asoka/boek/3159/satipatthana-de-directe-weg-naar-bevrijding ):
- Compassie in actie, vaak genoemd 'compassie in het dagelijks leven' en
   misschien ook wel: compassie zoals de bodhisattva probeert te hebben;
- Meditatieve compassie, zoals die met name vandaag de dag wordt beoefend (en 'getraind')
Waarom in de Theravada vooral de liefdevolle vriendelijkheid (metta) en in de Mahayana vooral de compassie (karuna) de nadruk krijgt, is me ook na het lezen van deze papers niet duidelijk.

* Geëngageerd (ook maatschappijkritisch) boeddhisme
Twee bijdragen die o.a. ook gaan over meditatie in een hedendaagse vorm: 'mindfulness'.
( 7)  'Modern Configurations of Meditation, Selfhood, and the Secular ',  door David McMahan
( 8)  'Consuming Nothing: Psychotherapy, Capitalism, and Buddhism ',  door Richard Payne
Een interessante verbinding is de blog van Payne over de talk van McMahan. Een citaat over iets dat mij ook opvalt: "A point that I found particularly interesting was suggested by McMahan when he discussed the detached, non-judgmental, and therefore objective observer, which some forms of mindfulness represent as the goal of practice. He pointed out that “non-judgmental bare attention” hardly describes the full range of practices found in the Satipaṭṭhāna sutta, the text that many teachers of modernist mindfulness claim as their textual authority."  Bron:  Blog Payne

* China:  de in de paragraaf over van der Braak (hieronder) genoemde nrs. 9, 10 en 11.

* En als toetje: waarom reizigers (langs de Zijde Route bv) boeddhist werden/worden
(nr. 12)   'The Appeal of Buddhism to Travelers along the Silk Road ',  door Daniel Veidlinger.
Over de verspreiding van het boeddhisme langs de Zijde Route heb ik eerder dit jaar geschreven (zie  6 januari  en  1 mei )
Het aantrekkelijke van deze lezing over de 'Appeal' is voor mij de vraag: waarom heeft het boeddhisme voor ons (Westerlingen) zo'n aantrekkingskracht? En speciaal voor de reizigers onder ons. Om het pathetisch te zeggen: zijn we niet allemaal reizigers ?

=======================================================================

En de Nederlandse boeddhologen, gaven die acte de présence in Wenen?
Misschien onder 'gewone deelnemers', maar in de lijst van inleiders ben ik alleen Jonathan Silk, de hoogleraar boeddhisme aan de Universiteit van Leiden, tegengekomen. Met een Engelstalige inleiding (uiteraard) getiteld 'The Domains of Canonicity in Buddhism'; over wat het veel gebruikte begrip 'Canon' is het boeddhisme eigenlijk betekent.
Verder ook uit Leiden: Berthe Jansen met een bijdrage onder de titel 'Annoying Lay-People: Public Opinion and Vinayic Concerns in Tibetan Monasteries (12th to 20th Century) '

Echter geen van de andere twee boeddhisme-hoogleraren in Nederland.
Van Paul van der Velde uit Nijmegen is dat te begrijpen, zijn taakopvatting is vooral het boeddhisme (en het hindoeïsme) aan Nederlanders uit te leggen, niet zozeer om het wetenschappelijk te bestuderen.

Maar bij André van der Braak ligt dat anders. Hij is (vanaf eind 2011 'bijzonder' en vanaf medio 2012 'gewoon') hoogleraar boeddhistische filosofie in dialoog met andere tradities bij de VU te Amsterdam. Met hem is iets bijzonders aan de hand.
Ik doel op een verslag in het blad 'BoeddhaMagazine ' over een bezoek aan een boeddhistisch klooster in Beijing met als belangrijkste door onder andere Jules Prast (en mij) bekritiseerde zin: “Het Chinese boeddhisme is een geëngageerd boeddhisme, .... Het gaat erom je handen uit de mouwen te steken en mee te helpen bouwen aan een betere samenleving (de beroemde Chinese harmonious society)."

Natuurlijk, deze column zelf is geen wetenschappelijk artikel, maar hierover is medio augustus een voor de Nederlandse boeddhisme en boeddhologie zeer relevante discussie geweest.
Zie hier en hier en hier en hier .
Een discussie over hem maar zonder hem. Vandaar dat ik in een mail van 21 augustus André van der Braak heb opgeroepen, er publiekelijk op te reageren. "Op een door jou gekozen plaats maar zo dat de reactie elders overgenomen mag worden, door bloggers en (boeddhistische) journalisten. En zo dat reactie er op mogelijk is " , zo schreef ik verder.
Helaas heeft hij tot op heden (1 september) niet op deze oproep gereageerd.

Mogelijk acht hij zich vrijgesproken doordat in het BD is gewezen op een ander artikel van zijn hand waarin hij met iets meer distantie over deze thema's schrijft: www.vriendenvanboeddhisme.nl/html/boeddhisme_in_china.html
Daar staat trouwens ook een (in mijn ogen) merkwaardige uitspraak in: "Religie mag van de overheid, maar moet wel maatschappelijk nuttig zijn. Navelstaren wordt niet ondersteund.
Maar navelstaren zit ook niet in de Chinese traditie. Het boeddhisme is altijd heel praktisch en nuchter van aard geweest. Het gaat uiteindelijk om compassie, dienstbaarheid, om het goede te doen en het slechte te laten. Onze westerse nadruk op het realiseren van een of andere verlichtingservaring heb ik in China niet zo opgemerkt, maar eerder de nadruk op het sjouwen met bakstenen, het metselen van muurtjes, het vertalen van soetra's, en het zingen van de service elke ochtend vroeg.
"
Tweeduizend jaar Chinees boeddhisme wordt hier samengevat op een uiterst generaliserende manier, zonder enig bewijs; het lijkt er daarbij meer op dat hij het over Confucianisme heeft.

En o, ja: een paar van de abstracts van op het congres gegeven inleidingen gaan (enigszins) over dit thema. Echter: in geen ervan identificeert de auteur zich, zoals André van der Braak enigszins doet, met een overheid of heerser.
Namelijk (nr. 9)  'Touring Mount Putuo: Commodification, Buddhism, and State Capitalism in China '  door  Courtney Bruntz;
en (nr. 10)  'Filial Piety and Political Issues in Ancient China '  door  Xing Guang .
En paper (nr. 11)  'Becoming Lay Meditation Teachers in Contemporary Chinese Societies: Cases in Hong Kong and Taiwan '   door   Ngar-sze Lau geeft een heel andere indruk van boeddhisme in China dan bovengenoemd citaat over niet-navelstaren.

Helaas ken ik geen wel-wetenschappelijk artikel van André over het thema geëngageerd en praktisch Chinees boeddhisme, terwijl het toch belangrijk genoeg is. Dat is een andere reden waarom ik deze oproep aan hem in deze blog over boeddhologie opneem:
   Ik begrijp niet waar de wetenschappelijke artikelen van deze hoogleraar blijven:
(a) niet op het terrein van zijn leeropdracht,
(b) niet op het terrein van de boeddhistisch geestelijke verzorging en
(c) niet op het gebied van de samenwerking tussen de VU (Godgeleerdheid) en
     de Chinese overheid en boeddhistische tempels.
Onder 'wetenschappelijk' versta ik dan: in een gerenommeerd tijdschrift met anonieme reviewers en/of als paper geaccepteerd door een congres als dat van de IABS. Ik begrijp gewoon niet dat dat kan.
Of gaat het onderzoek 'Multiple religious belonging: hermeneutical and empirical explorations of hybrid religiosity ' het worden?  Zie  NWO - Samenvatting

Als er nieuws is van of over André van der Braak, meld ik dat hier of in een update of in een vervolg-blogartikel.

=======================================================================

Eerste update, 1 september 11 uur

Op de website van White Jade River een recent artikel over de verhouding tussen boeddhistische tempels en autoriteiten in China.  Zie  www.buddha-dharma.eu/00t21.html
Een citaat "Lu Chen van de Epoch Times bracht op 17 augustus het nieuws dat een tempel in de Chinese Yünnan-provincie het regionale en lokale bestuur heeft weerstaan.
Het districtsbestuur van Jinning, en het voorstadsbestuur van Jincheng hadden besloten dat de Panlong-tempel een toeristenbestemming zou worden.
Gaan we niet doen, was de reactie van de abt en zijn monniken. Ze plaatsten een bord bij de ingang waarop staat 'Vanwege het feit dat het Jinning County-bestuur en de Jingcheng township-overheid de Panlong-tempel wensen te commercialiseren en corporatiseren, en daarbij de gang van zaken in de tempel op zijn kop zouden zetten, heeft de tempel vandaag besloten om de poorten voor enige tijd te sluiten om een rustige meditatie-omgeving te waarborgen. Wij vragen uw begrip en vergiffenis.'
...
Een onafhankelijke, in Amerika gevestigde commentator als Xia Xiaoqiang, die overigens niet objectief hoeft te zijn, liet desgevraagd weten dat alle tempels in China in principe inkomengenererende eenheden zijn geworden voor lokale partij-bonzen. Terwijl ze hier een inkomen verwerven, zegt Sjaa Sjaaw-sjàng, verspreiden ze de illusie van religieuze vrijheid.
"

Tweede update, 3 september

Hoewel geen reactie van André op het bovenstaande, wel een artikel van hem dat er enigszins verband mee houdt. Ook voor degenen die graag alles van hem willen lezen, een tekst over Multiple Religious Belonging .
Ik heb daar ook over geschreven, zie  Mijn reacties  op de aankondiging van een studiedag door 'NieuwWij' hierover.

Derde update, 10 september

Hoewel niet n.a.v. de blogs van Jules Prast of mij, heeft André van der Braak wel weer van zich laten horen.
In een artikel in Trouw wordt hij opgevoerd als deskundige n.a.v het bericht als zou de Dalai Lama gezegd hebben dat er na zijn overlijden er geen opvolger zal komen /hoeft te komen. Met een commentaar dat kant noch wal raakt. Zie  Trouw 8 september
Dit bericht is een canard, een volstrekt verkeerd begrepen interview zoals het Boeddhistisch Dagblad ook moest toegeven. Zie  BD 8 september
Dat André geen deskundige is op het gebied van het Tibetaans boeddhisme en de Tibet-politiek is geen schande (dat ben ik ook niet). Maar waarom spreekt hij er dan over?

=======================================================================

BIJLAGE

ABSTRACTS
(van enkele op 19-23 augustus 2014 uitgesproken inleidingen)
(Het is een selectie van mij gebaseerd op mijn subjectieve interesse; de nummering heeft geen andere betekenis dan hulpmiddel bij verwijzingen hierboven)

( 1)  Avoiding the Void: Ambivalence toward Samādhi and the Realization of Emptiness
door Stephen Jenkins, (Humboldt State University, GBR)

Ambivalence toward meditation generally and particularly the direct meditative realization of emptiness played a role in the Mahāyāna’s rhetoric of superiority, practical ethics, and path. Bodhisattvas are told to view samādhi as an intoxication that undermines compassionate engagement and to avoid it like Avīci hell. They are particularly warned not to directly realize emptiness as arhat’s do. Bodhisattvas study, analyze, and investigate emptiness, while skillfully applying special upāya to avoid its direct realization. Compassion generating meditation techniques served to prevent the premature "fall into emptiness" and thus ensure samyaksambodhi. When “acceptance of the non-arising of all dharmas” is achieved by a bodhisattva, Buddhas must intervene to rouse them and prevent the cessation of their compassionate activity. Realization of emptiness was considered ethically problematic, not an automatic trigger for compassion. The distinctive identity of the Mahāyāna was not seen in its conception of ultimate reality, but in its ability to ensure the attainment of all the qualities and powers of a Buddha before engaging in its direct realization.


=======================================================================

( 2)  Not Differentiated, Nor ‘Yoked’: A New Light on the Relationship between the four jhānas and the Practice of satipaṭṭhāna
door  Keren Arbel, Tel Aviv University, Tel Aviv, ISR)

Buddhist scholars and contemporary academics have long been intrigued by the relationship between samatha or concentration meditation, which traditionally includes the four jhānas and the four formless attainments (arūpa-samāpattis), and vipassanā or insight meditation, described as the practice of satipaṭṭhānas. The existence of what appear to be two different types of meditative techniques in the Pāli Nikāyas evoked a difficulty in understanding the relationship between two significant path factors: sammā samādhi (i.e., the four jhānas) and sammā-sati (i.e., the four satipaṭṭhānas). If the jhānas are a meditative procedure leading to one-pointed absorption which is disconnected from sense-experience how can it be combined and integrated with a meditative technique that aims at seeing (vipassanā) the true nature of phenomena? If the four jhānas are states of deep absorption that do not reveal anything about the nature of reality, a borrowed element from Indian contemplative traditions, how can we explain their central position in the Nikāyas' liberation scheme?

Up until now academic literature about the phenomenology of the four jhānas and their relationship with the practice of satipaṭṭhāna has been recapitulating, for the most part, traditional Theravāda interpretations. According to Theravāda texts and most Buddhologists the attainment of the four jhānas is not liberative or distinctively Buddhist. A common supposition is that the practice of satipaṭṭhāna is the only Buddhist innovation while the attainment of the jhānas is common to Indian contemplative traditions.

In contrast this paper will argue that the fourfold jhāna model is uniquely Buddhist, even though the term itself has been adopted from the Indian “pool” of contemplative terms. It will offer a new interpretation of the phenomenology of the four jhānas and their relation to the practice of satipaṭṭhāna by analyzing descriptions of the jhānas in the Nikāyas, independently from traditional Theravāda explications. By calling into question fundamental assumptions concerning the structure of the meditative path in the early Buddhist texts, this paper will suggest that there is a clear correlation in the Nikāyas between the attainment of the four jhānas and the gradual maturity of the practice of satipaṭṭhānas. It will show that the structure of the path as it is presented in the Nikāyas is more complex than the common hierarchal-polarized model in which the development of the jhānas is preliminary at best to the practice of vipassanā. First and foremost, this paper will challenge the traditional positioning of the four jhānas under the category of ‘concentration meditation’. Contrary to the traditional Theravada's view that one can ‘bypass’ the four jhānas, as they are not really ‘Buddhist’, this presentation will offer examples how the jhānas are the actualization and embodiment of insight practice (vipassanā). In conclusion, this paper sheds a new light on the fourfold jhāna model and its liberative role in the Pāli Nikāya.


=======================================================================

( 3)  Was Insight an Intrinsic Quality of the Meditative State of jhāna in Early Buddhism?
door  Grzegorz Polak, (Maria Curie-Sklodowska University, Lublin, Konskowola, POL)

The precise nature and status of jhāna meditation in early Buddhist soteriology remains to be one of the most controversial subjects of early Buddhist studies. Amongst the most unclear issues connected with jhāna meditation is its relation to meditative insight. There appear to be fundamental discrepancies related to this issue in the Suttapiṭaka itself and in the later Buddhist meditative texts. These discrepancies appear to be sometimes difficult or even impossible to reconcile. In this paper I will attempt to present a model of meditative insight as an intrinsic quality of the jhāna state through an interdisciplinary approach relying on textual studies as well as on the new developments in the field of rapidly developing cognitive sciences. I would like to point out and analyze several fundamental difficulties connected with the traditional Buddhist model of insight understood as a meditative method on its own, distinct from jhāna meditative state. I will attempt to propose an explanation of how and why the original concept of insight as an intrinsic quality of jhāna state underwent a radical evolution, which has unfortunately lead to both textual discrepancies and serious problems on a practical and psychological level. In order to provide a plausible model of insight as an intrinsic aspect of jhāna state, I will also refer to some important new developments from the field of cognitive sciences, which provide a new way of explaining how human cognition works. In order to show that my model is possible on a practical level, I will also like to point out some meditative developments from the later history of Buddhism, where insight was seen in a somewhat similar way.


=======================================================================

( 4)  Compassion in the Āgamas and Nikāyas
door  Bhikkhu Analayo, (Uni of Hamburg & Dharma Drum Buddhist College, Jinshan, TWN)

The paper will explore two main aspects of the description of compassion in the early Buddhist discourses found in the Pali Nikāyas in comparison with their counterparts preserved in the Chinese Agamas and, whenever extant, in Sanskrit fragments and Tibetan translation:

1)“Compassion in action”, which is usually referred to with the term anukampā. Such early Buddhist compassion in action seems to find its expression predominantly in teaching activity. This in turn provides significant indications on the conception of compassion within the framework of early Buddhist thought.

2) “Meditative Compassion”, karuṇā, which nearly always occurs within the context of the four brahmavihāras. The paper will the standard description of meditation practice of karuṇā as a boundless radiation. This points to a form of practice without a specified object and thus appears to be quite different from the descriptions in later manuals that have influenced modern day practice.


=======================================================================

( 5)  ‘Great Compassion’ in Indian Buddhism
door  Samaneri Dhammadinna, (Dharma Drum Buddhist College, New Taipei City, TWN)

This paper presents a historical study of textual sources testifying to the emergence of a soteriology of ‘great compas­sion’ (mahākaruṇā) in Indian Buddhism. This development both reflects and plays a part in several doctri­nal and religious changes that eventually will provide the signature of Mahāyāna practices, where ‘great compassion’ becomes para­mount within the ‘augmented’ meditative and experiential field of the bodhisattva.
The historical excursion through a selection of texts to be presented in the paper – ranging from Abhidharmic sources to a number of bodhisattva texts of the Middle Period, Mahāyāna sūtras as well as meditation scriptures such as the so-called Yogalehrbuch – begins with the extrapola­tion of compassion (karuṇā) out of the fourfold scheme of the immeasurables (apramāṇas) or divine abodes (brahmāvihāras) and the projection onto compassion and then ‘great compassion’ of an apriori motivational function in the spiritual path. The primacy of this new mode of compassion entails a major soteriological shift. The notion of teach­ing the Dharma for liberation – the main aspect of the compassionate solicitude (anukampa) of the Buddha and the arhats – is largely replaced by the (great) compassion of the bodhisattva, functional to a salvific pro­gramme comprising all beings. Here the attainment of great compas­sion possesses a unique meditative power towards the achieve­ment of omniscience (sarvajñā) as an essential characteristic of a Buddha. With mahākaruṇā gaining philosophical and religious primacy within Indian Buddhism, related meditative objects and areas of investigation such as emptiness and conditionality come also to be philosophically requali­fied.
With doctrinal and religious changes of such magnitude in place, the key role performed by ‘great compassion’ in the Mahāyāna ideological discourse, with regard to rhetorical and polemical discourses vis-à-vis the Śrāvaka-/Hīnayāna, and the core identity itself of the Mahāyāna movement, i.e., the undertaking of bodhisattva vows and precepts, becomes easier to understand historically.


=======================================================================

( 6)  Confluence: Adoption and Adaptation of Lovingkindness and Compassion Practice in Buddhist and Secular Contexts
door  Dawn Neal, (Institute and Sati Center for Buddhist Studies, San Francisco, USA)

Contemporary Buddhists are adapting lovingkindness and compassion praxis. Using a few specific vignettes, I will explore how the distinct practices of lovingkindness and compassion are being borrowed and adapted both in Buddhist religious traditions, and in secular environments.
This discussion examines the adaptation process from two perspectives. First, I will explore how some teachers adapt lovingkindness and compassion practices. Second, I will highlight some textual sources used by those adapting or secularizing lovingkindness and compassion practices, including the Mettā Sutta and the Visuddhimagga, perhaps the most influential Theravāda compendium in contemporary Buddhism. The phrases and categories of lovingkindness praxis in the Visuddhimagga now appear nearly verbatim in teachings of secular compassion practice. This cross-fertilization occurs directly between Buddhist traditions as well. For example, the Mettā Sutta has been adapted for use in American Soto Zen communities.
In short, this paper provides a small amount of primary research documenting the adaptation of praxis and textual sources within contemporary Buddhism and the secular practices of lovingkindness and compassion derived from it.


=======================================================================

( 7)  Modern Configurations of Meditation, Selfhood, and the Secular
door  David McMahan,  (Franklin & Marshall College, Lancaster, USA)

Buddhist and Buddhist-derived meditation and mindfulness practices have undergone profound changes in the modern period. From their sole institutional home in the monastery, they have now taken their place in the most prominent secular institutions, such as corporations, public universities, public health care systems, and even the US military. The rhetorical reconfiguration of meditation practices as modern technologies of the self for increasing the freedom and effectiveness of modern selves in secular societies has been, and continues to be, essential for their inclusion in secular institutional settings. This paper examines the transcribing of meditation and mindfulness from indigenous Buddhist categories into categories of modern secularism. This has involved the rhetorical reframing of Buddhist meditation and mindfulness practices as secular, even scientific endeavors. What models of the mind and the human being are operative in this rhetoric? What is at stake in such reframing?

Many promoters of Buddhist and Buddhist-derived meditation and mindfulness practices in recent decades have emphasized their “non-religious” character, distancing them from the “religious” elements of Buddhism. In many western countries, separation of church and state requires that secularism serve as a kind of “filter” to strip away the “religious” elements of meditation, leaving it a technique to achieve various forms of well-being, instrumental effectiveness, and human enhancement as conceived in modern societies. This is a continuation of the discursive thrust of certain modes of Buddhist modernism that have been developing for over a century.

Exploring this reconfiguration not only helps the historian of religion understand one of the most momentous transformations and recontextualizations of Buddhist meditation in its history, it helps analysts of culture discern the boundaries of the modern conception of the secular itself.


=======================================================================

( 8)  Consuming Nothing: Psychotherapy, Capitalism, and Buddhism
door  Richard Payne, (Institute of Buddhist Studies, Los Gatos, USA)

This presentation explores how from the second half of the nineteenth century into the present the three way relation between Buddhism, capitalism and psychotherapy has affected the representations of Buddhism. Although frequently considered a recent development, the interaction between Buddhism and psychotherapy dates from the earliest popularization of Buddhism in Europe and the United States. Consequently, Buddhism has always been “psychologized” in its Western representations, which I have addressed previously. This essay extends this line of inquiry by giving particular attention to the role of capitalism in the formation of this psychologized Buddhism.

The inquiry will develop over four topics. The first considers “Buddhism as an Object of Consumption.” This may be the most familiar dimension of the relation between capitalism and religion generally, having been subject to several critiques. This section considers aspects of consumption, such as commodification, class, communication, and celebrity, as interconnected parts of the marketing of Buddhism.

The second topic, “Instrumentality and the Denaturalizing of Meditation,” examines the capitalist portrayal of technology as value- and context-neutral. This understanding of technology molds the representation of Buddhism by treating meditation as a mental technology. Thus “denaturalized,” that is, both decontextualized and dehistoricized, meditation is easily integrated into a medicalized therapeutics. The ironic consequence of the instrumentalization of meditation is that it reinforces the ego’s sense of being an autonomous agent, though its control may only be over one’s own emotions. Thus, rather than moving toward a realization of anātman, the instrumentalization of meditation as mental technology reinforces the sense of the ego’s autonomy.

“Puritanism and the Project of Buddhist Self-Help” is the third topic. Puritan notions regarding the moral obligation for self-improvement provide the background for analysing the links between Buddhism as psychotherapy and Buddhism as self-help. The culture of self-help plays an important role in the construction of the self under late capitalism. The morally obligatory character of self-improvement nests with the self as consumer to create a completely open-ended project of self-perfection through the consumption of morally acceptable “spiritual” goods. Thus, “transformative experience” becomes socially accepted as an object of desire. Necessarily evanescent, and therefore requiring repeated consumption, makes this a perfect product. Here we also see the commercial utility of the Romantic conception of religion as experience, which dates from the beginning of the nineteenth century, and has become widely accepted dogma regarding the nature of religion.

Last, the question of how capitalist commodification is transforming systems of authority is examined under the fourth topic, “Degrading Hierarchy, Longing for Authenticity.” While faux-populism degrades traditional hierarchical claims to authority, e.g., those based in the Vinaya and other monastic codes, consumer capitalism employs rhetorics of authenticity. Authenticity also engages nostalgia for an idealized Other. Frequently this is in terms of stability, harmony and an “enchanted world,” created as the semiotic opposite to the present as unstable, conflictual and a “disenchanted world,” i.e., characterizations of traditional versus modern, employed as claims regarding authenticity.


=======================================================================

( 9)  Touring Mount Putuo: Commodification, Buddhism, and State Capitalism in China   door  Courtney Bruntz, (University of Nebraska-Lincoln, Lincoln, USA)

China’s economic reforms following its 1978 opening up have ushered in new market strategies and industries that are shaping religious landscapes. Historically, its four sacred Buddhist mountains have always held interactions with surrounding market economies, as inns, teahouses, and commercial shops upheld the pilgrim’s journey. However, with an expansion of China’s economic market and an establishment of state capitalism, the nation’s Buddhist mountains are contemporarily commodified in ways that promote certain practices of Buddhism over others. Using field work I conducted at Mount Putuo in China’s Zhejiang Province, I argue that in its state capitalist system, government-owned tourist corporations have revitalized Buddhist practices at the mountain, with the determining factor being whether or not that practice resembles values of nationalism.

China’s economic reforms and adaptation of capitalism resulted in a system in which markets are tools for national interests – or at least the interests of the ruling elite. In state capitalism, the means of production are often privately owned, but the state has much control over investment and the allocation of credit. Often the interests of large-scale businesses are advanced and protected – including corporatized government agencies. Pertinent to the study of contemporary Buddhism in China, one of these industries that has been advanced is the tourism one that is dominated by government-owned agencies. By investing in tourism at China’s four Buddhist mountains, government companies are in the position to protect the locations as cultural relics and embed the sites with Party ideology, and they are also in the position to determine which Buddhist locations and practices are more heavily advertised than others. This in turn affects the cultural value of a location, and its associated activities. Investigating Mount Putuo, I argue such government investments in tourism have resulted in a commodified space where the mountain’s: 1) Buddhist identity and connections to the Bodhisattva Guanyin are promoted and rebranded under nationalism; 2) abstract and concrete qualities are secularized; and 3) temple complexes and auspicious locations are re-configured to meet current standards of tourism.

This work contributes to the panel “Buddhism under Capitalism” reinforcing the necessity to evaluate the ways that economic structures, and their corresponding consumerist frameworks, modify Buddhism’s cultural value. Furthermore, it evidences how the emergence of capitalism in China has resulted in a competitive market where Buddhist sites compete with one another and with other religious and entertainment opportunities. This competition is generated by a state monopolized tourist industry that institutionally supports Buddhist landscapes while restructuring locations to meet values of nationalism. For studies of contemporary Chinese Buddhism, this work pointedly evaluates where in economic activity restructuring occurs, the exchange parameters through which Buddhism is consumed, and the cultural values embedded within such exchanges.


=======================================================================

(10)  Filial Piety and Political Issues in Ancient China
door Xing Guang, (Centre of Buddhist Studies, University of Hong Kong, Hong Kong, HKG)

When Buddhism was first introduced into China, it faced many challenges and criticisms from local Chinese people, particularly Confucian scholars. The criticisms of Confucian scholars were mainly on ethical grounds, because the Buddhist way of life primarily focuses on individual liberation through moral perfection, which is very different from Confucianism, which chiefly focuses on family and society. In particular, the life of Buddhist monks, who were required to be celibate, shave their heads, and leave their homes and families, was incompatible with Confucian practice of filial piety as found in the Confucian Xiao Jing. This became a political issue in the Eastern Jin dynasty (265-420) when Huan Xuan came into power. A minister named Yu Bing reported to the emperor that monks should be ordered to pay respect to the emperor by kneeing down before him, otherwise Li or propriety would be interrupted as they did not do so in the previous dynasties. Thus the debate whether monks should pay homage to the emperor became a political issue and continued for several hundred years. This is actually a continuation of the criticism of filial piety because the Confucian text Xiao Jing discusses filial piety with a focus on politics. Thus, filial piety is called loyalty when the object is the emperor. Chinese Buddhists, both the lay and monastics such as the eminent monk Huiyuan, on the one hand, debated and argued that monks also paid their homage to the emperors in their heart and mind, but not in a manifested way. On the other hand, the Chinese Buddhists started the practice of paying debts to four kinds of people: parents, sentient beings, the emperor and Buddhism, which is taught in the Dasheng ben shengxin di guan jing, translated into Chinese by Prajñā in 790. But in another scripture, the Zhufo Jingjian Shezhengshi Jing, also translated by Prajñā, the emperor is placed as the first amongst the four. This became a regular practice in monasteries throughout China in the Tang dynasty and the monks also taught their disciples the teaching of paying debts to the four kinds of people. The Chinese Buddhists practiced the four kinds of kindness in the following ways: first, they made vows in ceremonies to pay their debts to the four kinds of people, second, they recited verses in morning and evening chanting of paying the four kinds of debts. Thus later there was no such a debate as whether the monks should pay homage to the emperor. This paper is a study of the practices of four kinds of kindness in Chinese Buddhism.


=======================================================================

(11)  Becoming Lay Meditation Teachers in Contemporary Chinese Societies: Cases in Hong Kong and Taiwan   door  Ngar-sze Lau, (ISCA, University of Oxford, Oxford, GBR)

This paper examines the role played by lay meditation teachers in promoting the recent meditation movement in Hong Kong and Taiwan. Although modernism of Chinese Buddhism has been started under the notion of humanistic Buddhism since early Twentieth Century by Venerable Taixu and some lay reformers, meditation practices have never played a key role in the series of reforms. Nevertheless, with the influence of the Buddhist revival and Buddhist modernism in Theravada Buddhist countries, such as Sri Lanka (Bond 1988; Gombrich and Obeyesekere 1988) and Burma (Jordt 2007), transnational meditation practices have been transmitted rapidly to Chinese societies such as Hong Kong and Taiwan in the past two decades with the context of modernisation and globalisation. These transnational meditation practices are from various traditions including Thai forest tradition, vipassanā meditation from Burmese tradition and globalized secularized mindfulness-based programmes such as MBSR (Mindfulness-based Stress Reduction Programme) and MBCT (Mindfulness-based Cognitive Therapy) from the West. Not only scriptures and books on meditation were translated to Chinese from Pāl̥i or English, but also talks and retreats were frequently organised, and transnational meditation centres were built. Lay meditation teachers have been involved in changing Buddhism by localizing and promoting the newly transmitted meditation practices. George Bond (2003) argues that the emergence of lay meditation groups have challenged the traditional authority by creating new forms of sectarianism in Sri Lanka. However, drawing on fieldwork done as a participant observer in Hong Kong and Taiwan, in this paper I will argue how, in the Chinese context, the lay meditation teachers have constructed their new legitimized identity from the established local Buddhist authority, though some female teachers have taken leading roles. Besides, with reference to the discussion about the decontextualisation and recontextualisation of Asian religious practices (Schedneck 2012), I will also demonstrate how the established Chinese Buddhist authority has tried to gain social legitimacy from the globalised meditation practices, related to science and health. Furthermore, by comparing the similarities and differences of Hong Kong and Taiwan, political, economic and cultural factors which contribute to the changes of Buddhism will be explored. This paper may shed light on the discussion of future development of Buddhism in Chinese societies.


=======================================================================

(12)  The Appeal of Buddhism to Travelers along the Silk Road
door  Daniel Veidlinger (California State University, Chico, San Francisco, USA)

Buddhism has been associated with travel and transportation since its inception. The Buddha himself led a peripatetic life wandering from town to town preaching his Dharma, and Aśoka sent missionaries travelling far and wide. Travelling merchants were the most prominent early converts to Buddhism and their importance in the religion continued for a long time. Symbols representing the various faiths of the world include natural phenomena such as the moon for Islam or fire for Zoroastrianism, but the Wheel of Dharma makes Buddhism the only religion that is traditionally represented by a means of transportation. Not just wheels, but other vehicles such as rafts, chariots, elephants, and even flying palaces are also prominently featured in the Buddhist imaginaire. Later, the word yāna, a generic term for vehicle, came to be used to refer to the different schools of Buddhism. Transportation terminology was essentially the domain of the Buddhists, and for good reason. This paper will explore the importance of travel in the development and acceptance of Buddhist ideas themselves, and will show that the changes in worldview undergone by one traveling from place to place, encountering along the road different ways of thinking, dressing, speaking and living are likely to foster in such a person an interest in the ideas and practices embodied in Buddhism. The psychological effects of travel forced those on the journey to wrestle with their previously accepted local truths, drawing them instead to Buddhism’s universal outlook and rejection of culturally specific social restrictions or religious rituals in a manner that fit more closely with the cosmopolitan experience of the world that they were now having. Looking at what can be garnered from sites such as Dunhuang, Kashgar and Khotan, this paper will focus on exploring the affinity that Buddhism has for travelers as one possible explanation for its remarkable success along the Eurasian transportation networks known as the Silk Road and will end by suggesting that this also helps to explain the religion’s currency amongst the wired, urbane, well-travelled classes of today.