Posts tonen met het label VU. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VU. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2013

De betekenis van de BUN voor de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) en daarvan afhankelijken

De afgelopen week is in veel publicaties ingegaan op de gevolgen voor de BOS als de BUN de vereiste terugbetaling plus boete (€ 52.500) niet op kan brengen en failliet gaat.
Zowel *OpenBoeddhisme* , mijn blog van 23 maart als krantenartikelen in de NRC (26 maart), de Volkskrant en Trouw online (27 maart) richtten zich daar op.
Begrijpelijk want het is door het gedrag van de BOS dat de BUN in onoverkomelijke financiële problemen gekomen lijkt te zijn en de BOS is, als onderdeel van de publieke omroep, het meest bekend.

Een faillissement en/of opheffing van de BUN heeft echter ook grote gevolgen voor de andere dochter van de BUN, de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) en voor personen en organisaties die direct met de BZI te maken hebben.
Eerst wat (juridische) feiten:

De Stichting BZI is formeel 23 april 2010 opgericht, maar gedroeg zich al veel eerder als stichting; zie statuten

De delegatieovereenkomst BUN-BZI, hier , aangevuld met een brief van het bestuur van de BUN van 16 januari 2012 aan BZI en VU (formeel nooit gepubliceerd en bedoeld om kennelijk bestaande onduidelijkheid of onzekerheid weg te nemen). Citaat er uit:
“ Met deze verklaring wil het BUN-bestuur duidelijk maken aan de BZI dat de BZI binnen het vigerende mandaat gemachtigd is om namens het BUN-bestuur op te treden met betrekking tot de boeddhistische ambtsopleiding, inclusief alle activiteiten die daar deel van uitmaken, zoals bijvoorbeeld:
- het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst met de VU
- het opstellen van een profiel voor boeddhistisch chaplain
- het zitting nemen in een curriculumcommissie die de programmaonderdelen van de opleiding samenstelt.


Op basis van deze brief is er de overeenkomst van de VU (faculteit godgeleerdheid) en de BZI van 31 maart 2012: hier

Op basis van deze overeenkomst heeft de VU bij het ministerie van Onderwijs een aanvraag ingediend voor de financiering van een 'boeddhistische ambtsopleiding', een aanvraag die zomer 2012 gehonoreerd is. De stukken van deze aanvraag staan op de site van *OpenBoeddhisme*

Op basis daarvan heeft de VU het aangedurfd een masteropleiding 'Spiritual Care' met een boeddhisme-variant voor te bereiden, een master die september dit jaar zal starten. Zie hier en mijn blogs van 14 en 19 maart daarover.
(Voor de duidelijkheid: de ambtsopleiding volgt op de éénjarige master)

Op basis van de door de VU aangekondigde opleiding tenslotte heeft het ministerie van Veiligheid en Justitie in december 2012 de BUN definitief erkend (als zendende instantie). Eén van de eerdere eisen van Justitie immers was dat boeddhistisch geestelijk verzorgers in gevangenissen minstens een master-opleiding hebben gevolgd in hun vak; en dat die opleiding er dus moest zijn.

Kortom: een kaartenhuis

Indien de BUN ophoudt te bestaan (in juridische zin maar waarschijnlijk ook al in feitelijke zin bij een faillissement) wordt de BZI als stichting niet automatisch uitgeschreven uit het register van de Kamer van Koophandel, maar de overeenkomsten van de BZI met de VU en met Justitie komen in de lucht te hangen .
Het is de vraag hoe de staatssecretaris van Justitie hierop reageert.
Het is de vraag hoe het ministerie van Onderwijs (die de ambtsopleiding financiert) reageert
Voor beide overheden en bewindslieden is het de vraag of nog voldaan wordt aan de subsidie- en erkenningsvoorwaarden.

En het is de vraag hoe de VU hierop reageert. De master 'Spiritual Care' zelf is m.i. zeker niet dit en volgend jaar in gevaar maar waarschijnlijk wel de ambtsopleiding die daarop (beginnend 2014 of later) een vervolg is.

Hoe het ministerie van Veiligheid en Justitie reageert t.a.v. de huidige in dienst zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers en het hoofd daarvan, weet ik niet. Justitie heeft immers in het verleden alles (inclusief overrulen van het evaluatie-advies van het KASKI) in het werk gesteld dit onderdeel van hun dienst te handhaven.

Tenslotte is er de vraag die pas op veel langere termijn beantwoord kan worden: zullen werkgevers van gezondheidszorg-instellingen die een boeddhistisch geestelijk verzorger aan willen stellen, enige waarde hechten aan een 'zendingsbrief' die een sollicitant van de BZI heeft meegekregen, aannemend dat de BZI dan nog formeel bestaat?
Zoals ik eerder schreef, hechten ze daar waarschijnlijk nu al weinig waarde aan, en dat zal door de ontwikkelingen bepaald niet versterkt worden.

Kortom: als de BZI al blijft bestaan bij het verdwijnen van de BUN, wat zijn hun handtekeningen dan nog waard en wat is hun autoriteit dan nog?

Ik heb al eens, ook in correspondentie met de VU, een alternatief voor de BZI voorgesteld (toen nog gewoon uitgaand van het bestaan van de BUN en de BZI), specifiek voor boeddhistisch geestelijk verzorgers in de gezondheidszorg en voor vrijgevestigden:
Een instantie waarbij afgestudeerde (master) boeddhistisch geestelijk verzorgers zich kunnen aansluiten. Als werktitel stel ik voor: Boeddhistisch Geestelijk Verzorgers Genootschap (BGVG) . Dit ‘Genootschap’ stelt kwaliteitseisen aan haar leden en zal daardoor voor werkgevers (bv in de gezondheidszorg) als betrouwbare zendende instantie dienen. De geestelijk verzorgers zelf vormen het bestuur. Het BGVG wordt tevens een sector van de ' Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen ; zie hier .
Voor de context, zie ook hier .

Ik realiseer me dat dit voorstel het risico met zich meebrengt dat bepaalde personen of groepen (sangha's) er mee aan de haal gaan en uit de brokstukken van de BUN/BZI zo'n genootschap formeren. Ik ben echter niet risicomijdend, ik blijf voor transparantie pleiten en blijf strijdbaar.


A.s. zondag 31 maart (Eerste Paasdag) had het een feestelijke dag voor de boeddhistisch geestelijke verzorging kunnen worden: precies een jaar geleden tekenden de voorzitter van de BZI, de voorzitter van de VU en de decaan van de faculteit der Godgeleerdheid van de VU de 'Overeenkomst voor samenwerking ' .
Zullen we er iets van merken?
Of zal het bestuur van de BUN dan nog steeds niets van zich hebben laten horen?

dinsdag 19 maart 2013

De VU opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger komt naderbij - UPDATE

Naar aanleiding van mijn blog van 14 maart heeft André van der Braak mij in een mail een paar correcties en aanvullingen doorgegeven.
Deze zijn (ik zet ze cursief om ze te onderscheiden van mijn commentaar, het zijn niet steeds letterlijke citaten):

– Bert van Baar is niet de mede-auteur van dit document; dit was een technisch misverstand ;
Commentaar : hij is waarschijnlijk (waarom is dit niet niet bekendgemaakt?) wel lid van de zogeheten curriculum-commissie, genoemd in dit document .

– Voor protestantse geestelijke verzorging kunnen studenten aan de VU terecht bij een van de vele seminaries die vanuit verschillende protestantse gezindten worden aangeboden;

- In de BZI zitten – naast de al genoemde Artho Jansen en Gertjan Mulder ook Jo Beckers van 'Thich Nhat Hanh';
Commentaar : bedoeld zal zijn 'Van een Nederlandse Leven in Aandacht – sangha'; als de naam van de leraar en niet de naam van de sangha genoemd moet worden, is Artho Jansen van Varamitra en Gertjan Mulder van Maurice Knegtel of Maezumi Roshi en Genpo Roshi (je weet wel).
Helaas heeft de BZI nog steeds geen heldere tekst over hun rol afgescheiden en geen correspondentieadres en moet ik ze als gezelschap (niet als individuen) incompetent blijven noemen.

- Studenten die de ambtsopleiding willen volgen wordt aangeraden om, voorafgaand aan het beginnen aan de ambtsopleiding, een toetsingsgesprek met de BZI aan te vragen. Dat is dus niet deze zomer , maar volgende zomer.
Commentaar : ik ben blij dat deze passage in het document op de VU-website anders gelezen moet worden dan er (volgens mij) staat.
De VU raadt dit de studenten aan, ik doe dat nadrukkelijk niet. Er kan een klein risico zitten in het zonder toetsing vooraf (door een BZI-functionaris) gaan volgen van de ambtsopleiding, maar ik ben ervan overtuigd dat het ontbreken van deze toetsing voor werkgevers in de gezondheidszorg geen argument zal zijn om een kwalitatief goed boeddhist die de master 'geestelijk verzorger' heeft, niet aan te nemen.
Alleen voor wie geestelijk verzorger bij Justitie wil zijn, ligt dat anders; ik zou zeggen; laat de BZI zich ook maar tot die werkgever beperken.

– De eenjarige master is een basisopleiding GV, en daar kan men mee solliciteren op GV-vacatures. In de praktijk zullen veel werkgevers echter aanvullende scholing vereisen (je kunt niet in één jaar volwaardig GV-er worden); in het geval van BGV is dat dus de eenjarige ambtsopleiding.
Commentaar : ik ben het daar mee eens, daarom adviseer ik de VU, de éénjarige master om te bouwen tot een tweejarige. En om zich te herbezinnen over de vraag of ze de subsidievoorwaarden van het ministerie van Onderwijs, horend bij extra geld voor zogeheten ambtsopleidingen, nog wel willen blijven accepteren.
De invulling van het tweede jaar zal onderwerp van discussie moeten zijn, ik heb grote twijfel bij de formulering van de vijf taken van een BGV-er, zoals genoemd in paragraaf 5 van het onderhavige VU-document.
Aan die discussie zullen meer boeddhisten dan die van de BUN moeten kunnen participeren!

donderdag 14 maart 2013

De VU opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger komt naderbij


==============================================================================
UPDATE
Zie ook mijn blog van 19 maart .
==============================================================================

Sinds eind februari staat op de VU website het document: “Academische opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger .“ Zie hier en hier .

Tot voor kort was er alleen informatie over de éénjarige master, zoals ik heb beschreven en becommentarieerd op 13 februari, zie hier
Nu dus ook over de ambtsopleiding die na de master gevolgd kan worden.
Ik benadruk dat 'kan' want enerzijds hoeft het niet en anderzijds kan het ook niet altijd (voor elke student). Daarover meer aan het eind van deze tekst.

Het document begint met “Dit is een levend document dat een werk in uitvoering is. Deze beschrijving van de opleiding kan nog verdere wijzigingen ondergaan. “ Mogelijk levert deze blog een bijdrage aan dit 'work in progress'.

Laat ik om te beginnen de auteurs van dit stuk een compliment maken. Niet alleen André van der Braak maar ook Bert van Baar die – in de pdf zichtbaar te maken – als eerste auteur vermeld wordt.
Het biedt veel informatie aan potentiële studenten maar ook aan andere boeddhisten die willen weten of de (protestanten bij de) VU niet met hun boeddhisme aan de haal gaat.

Een beetje vreemd vind ik in paragraaf 1 de opmerking " ... specialisatie Spiritual Care. Deze richt zich zowel op traditiespecifieke geestelijke verzorging (boeddhistische, hindoeïstische en islamitische geestelijke verzorging) als op algemene geestelijke verzorging. ”
Ik zou zeggen: hallo, vrienden van de VU, cijferen jullie jezelf en je verleden nu niet al te veel weg; waar is de protestante geestelijke verzorging nu gebleven?
Of is 'de algemene geestelijke verzorging' eigenlijk 'de protestante geestelijke verzorging' ?

Met name de “ Invulling boeddhistische opleiding in de masterfase “ (paragraaf 2) en de uitwerkingen daarvan in de paragrafen 3 en 4 zijn helder.
Ik herken daar ook een aantal suggesties in die ik in eerdere blogs van mij heb gedaan, maar een document als dit moet kennelijk zonder bronvermelding geplaatst worden.

Twee kritiekpunten op de invulling van dit masterjaar:
(1) Paragraaf 4 spreekt over “ Boeddhistische ethiek in het werkveld (detentie, defensie, gezondheidszorg)
Defensie kent geen onderdeel boeddhistisch geestelijke verzorging en wat mij betreft moet dat ook zo blijven. Of is de lobby dit ook op gang te brengen, nog steeds werkzaam?

(2) 'Rituelen' krijgen in deze beschrijving relatief veel aandacht. Te veel, vind ik.
Ook voor mij hebben rituelen in mijn beoefening een betekenis. Maar het is een beperkte betekenis. In andere boeddhistische tradities is die functie groter, bv in het Tibetaans boeddhisme; mogelijk speelt de eigen achtergrond van de auteur van dit document (en dan doel ik op van Baar) een rol hierbij.

Maar los van het verschil tussen (de rol van ritueel binnen) boeddhistische tradities is er het feit dat onvoldoende de doelgroep van boeddhistische geestelijke verzorging nagegaan is.
Die doelgroep bestaat (helaas is deze hele studie gestart zonder enige 'marktverkenning') cumulatief in de loop der jaren waarschijnlijk uit enkele honderden tot duizenden boeddhisten en enkele duizenden tot tienduizenden mensen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme
En dan heb ik het primair over de patiënten en cliënten in instellingen voor volksgezondheid, verreweg de grootste groep.
En bij mensen met 'affiniteit tot het boeddhisme' zullen rituelen een veel kleinere rol spelen dan bij de hardcoreboeddhisten, aangesloten bij een sangha. Hier wreekt zich weer eens dat de dimensie 'ongeorganiseerde boeddhisten' een taboe is en blijft bij de initiatiefnemers achter deze VU-opleiding.
Ter voorkoming van een eventueel misverstand: mediteren is niet een ritueel.


Dit is allemaal nog wel te herstellen.
Mijn grootste probleem heb ik echter bij paragraaf 5 van dit document, over De boeddhistische ambtsopleiding
Deze 'ambtsopleiding' moet volgen op de éénjarige master; het is echter nog helemaal niet zeker of deze in september 2014 daadwerkelijk gaat starten.

Het document noemt vijf taken van een toekomstige 'buddhist chaplain', zo moet degene gaan heten die deze ambtsopleiding heeft gedaan:
“1. Begeleiden van boeddhistische meditatie
2 . Uitvoeren en begeleiden van rituelen
3 . Begeleiden van boeddhistische groepen en individuele boeddhisten bij religieuze vraagstukken
4 . Ondersteuning bieden aan mensen met ethische- en zingevingvraagstukken
5 . Vertegenwoordigen van het boeddhisme naar de brede Nederlandse samenleving
”

Ik vraag me werkelijk af of 'de boeddhistische gemeenschap' de invulling van deze taken aan de VU heeft gedelegeerd. Zelfs de ledenvergadering van de BUN heeft dat m.i. niet gedaan, en die representeert nog maar een deel van de boeddhisten.
Het begint erg veel op een opleiding tot boeddhistisch leraar te lijken, en (de vijfde taak) tot boeddhistisch leider , goddank een niet-bestaande functie.

De meeste moeite heb ik met de rol die de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) wordt toebedeeld.
Er wordt gezegd: “ Wie na afronding van de ambtsopleiding een zendingsbrief van de BZI wenst te ontvangen, wordt aangeraden om voor de start van de opleiding een toetsingsgesprek aan te vragen bij de BZI. “
'Vòòr de start' is voor het begin van de master komende nazomer.
Ik heb de afgelopen weken geprobeerd er achter te komen wie er op dit moment zitting hebben in de BZI; dit is nergens te vinden en het secretariaat van de BUN reageert niet op een mail van me waarin ik om die informatie vraag. Vermoedelijk zitten er nog in Gertjan Mulder (ex-directeur van de BOS) en Artho Jansen (hoofd ener school) en een derde lid waarvan niets bekend is.
Ik vind Gertjan een aardige peer maar een geestelijk verzorger is hij niet; Artho Jansen ook niet en die is bovendien niet erg communicatief.
Ik herhaal m'n opmerking uit m'n vorige blog: de BZI is niet competent.

Stel nu dat men begint te studeren zonder zo'n toetsingsgesprek of met een negatief aflopend toetsingsgesprek met de BZI ?
Dan maar alleen de éénjarige master volgen, zou ik zeggen, want dat is op zichzelf al een beroepsopleiding tot geestelijk verzorger.

woensdag 13 februari 2013

Waarom een boeddhistische ambtsopleiding als een master voldoet ?

Afgelopen zaterdag 9 februari ’13 hield de faculteit Godgeleerdheid van de VU een voorlichtingsdag ten behoeve van de master ’ spiritual care ‘ (en andere master-opleidingen).
Deze master start september 2013. Zie hier .

“ De afstudeerrichting Spiritual Care richt zich op het beroep van geestelijk verzorger in zorginstellingen, justitie, krijgsmacht e.d.. De specialisatie heeft enerzijds aandacht voor zorg vanuit de specifieke religieuze tradities, maar richt zich anderzijds ook op de pluralistische context van het werkveld en de noodzaak om als geestelijk verzorgers vanuit verschillende tradities met elkaar te werken.
In de traditie van de Faculteit der Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit worden studenten aangemoedigd geestelijke zorg vanuit hun eigen (geloofs)identiteit te beschouwen en te bestuderen. De opleiding bevat dan ook meerdere programma-onderdelen die ingevuld kunnen worden om je interreligieus en/of traditiespecifiek te scholen (islamitisch, hindoeïstisch, boeddhistisch of christelijk), wel of niet gebonden aan een zendende instantie.
”

Is dit dan de langverwachte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger, vereist door het ministerie van Veiligheid & Justitie waarvoor de erkenning van de BUN voor de poorten van de hel is weggesleept?
Een opleiding waarover ik herhaaldelijk heb geschreven het afgelopen jaar; zie mijn blogs uit 2012

Nou nee ! Want nogal sneaky is er op de pagina van de VU-website die ik net citeerde nog een link, naar wat heet ‘ Beroepsperspectief ’.

“Beroepsperspectief
In de afstudeerrichting Spiritual Care, van de masteropleiding Theology and Religious Studies, verwerf je basiskennis van en vaardigheden in de geestelijke zorg. De eisen aan geestelijk verzorgers zijn per werkgever en zendende instantie erg verschillend. Het hangt dus van andere instanties af of je direct aan de slag kunt als geestelijk verzorger.
Zending
Om aan de slag te kunnen in het veld van geestelijke verzorging heb je naast een academische opleiding, in de meeste gevallen, ook een zending nodig van een erkend levensbeschouwelijk genootschap. Als je door een zendende instantie wilt worden geaccepteerd is het nodig dat je aan hun (aanvullende) eisen voldoet. Het is aan te raden de eisen van de betreffende zendende instantie vooraf goed uit te zoeken. Het kan bijvoorbeeld zijn, dat je na deze master een aanvullende ambtsopleiding in de geestelijke zorg nodig hebt.
Ambtsopleiding
Voor wie de opleiding tot boeddhistisch of hindoeïstisch geestelijk verzorger volgt, wordt deze eenjarige master gevolgd door een eenjarige postdoctorale ambtsopleiding (deze gaat waarschijnlijk van start in september 2014). Deze postdoctorale ambtsopleiding in boeddhistische of hindoeïstische geestelijke verzorging zal erkend worden door de zendende instanties. Naar verwachting komt er ook een postdoctorale ambtsopleiding voor islamitische geestelijke verzorging.
”

Deze informatie zal de mogelijke master-student voor grote onzekerheid plaatsen.
Is het afronden van de éénjarige master nu wel of niet voldoende voor een baan als boeddhistisch geestelijk verzorger? In gezondheidszorg-instellingen , voeg ik daar aan toe want dat is een veel grotere markt dan die van Justitie waar bovendien de banen al vergeven zijn.
Mijn inschatting heb ik onlangs in een mail voorgelegd aan André van der Braak, hoogleraar boeddhistische filosofie aan de VU, naar aanleiding van een aankondiging van hem dat er binnenkort een ‘document’ komt, dat de opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger meer in detail beschrijft, ook met betrekking tot de verhouding tussen het eerste masterjaar en het tweede jaar ambtsopleiding

Mijn reactie (met een paar technische verbeteringen) was:
... Maar goed; ik ben benieuwd naar het 'document' dat je aan het opstellen bent. Misschien wordt dat dan het stuk waarover een publiek debat in de boeddhistische gemeenschap mogelijk is; want dat heeft tot nu toe ontbroken. Over de inhoud en over bevoegdheden.
Ik vrees echter dat we het er niet over eens zullen worden over die bevoegdheden aangezien ik BUN en BZI volstrekt incompetent acht.
Bovendien: het model is wellicht te sterk op de eisen van het ministerie van Justitie gebaseerd, ik heb begrepen dat gezondheidszorginstellingen (bij elkaar toch een veel grotere werkgever dan Justitie) een zendingsbrief en dus een 'diploma' van een ambtsopleiding of een handtekening van een leraar nauwelijks nog van belang achten.
Het zou ook bizar zijn - zoals het nu al bij Justitie is - dat boeddhistisch geestelijk verzorgers verplicht ‘gebonden’ boeddhisten moeten zijn terwijl hun cliënten dat bijna in het geheel niet zijn. Positiever geformuleerd: vind jij dat er ook 'ongebonden', of beter 'ongeorganiseerde' boeddhisten geestelijk verzorgers moeten kunnen zijn? En dat het wellicht beter is dat er een andere instantie dan de huidige Stichting BZI moet komen?
Er staat dan wel op jullie pagina 'beroepsperspectief' : "Het is aan te raden de eisen van de betreffende zendende instantie vooraf goed uit te zoeken ", maar je weet toch ook wel dat behalve een stukje uit november 2011 er niets meer is dat boeddhistische studenten houvast zou kunnen bieden? ...
Kortom: misschien wordt jullie master spiritual care wel een professionele opleiding maar is die boeddhistische ambtsopleiding overbodig en ga ik er voor pleiten dat studenten die niet moeten gaan volgen.



Ook zonder een ambtsopleiding nà de éénjarige master is sprake van een beroepsopleiding tot geestelijk verzorger, de tekst van de betreffende pagina kan alleen op deze wijze worden geïnterpreteerd.
Maar dan is sprake van een master die niet wezenlijk anders is dan die van de Universiteiten van Groningen, Nijmegen en Utrecht, waarvan ik verleden jaar de programma’s heb bestudeerd. Zie hier .

Het ‘ stukje uit november 2011 ’ waar ik op doel is te vinden via de website van de BUN, pagina Actuele context waarbinnen BUN handelt in relatie tot overheid, BOS, BZI en de EBU; Laatst bijgewerkt 4 mei 2012
En wel het document de Update BZI .
Op de BUN-pagina staat ook het document Overeenkomst BZI met VU (31-03-12) wat op een aantal punten volgens mij strijdig is met de Update BZI uit november 2011, met name wat betreft de rol van de leraar.
Minstens is onduidelijk wie bevoegd is studenten tot de ambtsopleiding toe te laten.


Als het aangekondigde ‘Document’ daadwerkelijk gepubliceerd is op de VU-website, komt ik daar ongetwijfeld op terug.
Misschien vergis ik me en wordt het programma van de ambtsopleiding wel nuttig en nodig en komen eindelijk specifiek boeddhistische-professionele vaardigheden aan bod, zoals aan de orde komend in het ‘Handboek Boeddhistisch Geestelijke Verzorging ‘.
Veel hoop heb ik er niet op, want wie in Nederland is eigenlijk deskundig op dit terrein? En de weinigen die dat zijn (zoals bv. Christa Anbeek), zullen zich niet met de VU-opleiding gaan bemoeien.

Ook ten behoeve van het door van der Braak op te stellen document heb ik nog een suggestie:
Naast of in plaats van de door Justitie-denken en de gevestigde sangha’s gedomineerde BZI komt er een andere zendende instantie waarbij afgestudeerde (op master-niveau) boeddhistisch geestelijk verzorgers zich kunnen aansluiten. Als werktitel stel ik voor: Boeddhistisch Geestelijk Verzorgers Genootschap (BGVG) .
Dit ‘Genootschap’ stelt kwaliteitseisen aan haar leden en zal daardoor voor werkgevers (bv in de gezondheidszorg) als betrouwbare zendende instantie dienen.


O ja, studenten kunnen ook nog een andere master bij ‘Godgeleerdheid’ volgen: Leadership .
“ ... Religion and the traditions of theology and spirituality provide us with a valuable tradition of wisdom that can be used to guide and inform the processes of change that are underway in a range of social and religious organizations. The Leadership specialization focuses on leadership issues in societal organizations and on leaders of religious or religiously inspired organizations who wish to deepen their insight into the academic theory behind leadership."

‘Boeddhistisch leider ' is bij voorbaat een lacherje, het is een generaal zonder leger.
Leider waarvan? De sangha’s hebben hun leraren die op eigen wijze naar voren komen. En algemene boeddhistisch organisaties staan op het punt om te vallen of zijn overbodig.
Maar er is meer aan de hand: de VU ziet het als haar taak, religieuze leiders op te leiden, zoals ze in het verleden politieke leiders heeft opgeleid (Balkenende, Wouter Bos bv).
Ook boeddhistische leiders, er zijn er wel uitspraken van mensen bij de VU in die richting gedaan. Ze (de VU) vinden het boeddhisme in Nederland maar een rommetje en zetten zich in om die te institutionaliseren. Door de ambtsopleiding maar ook door deze master religious leadership.
Ook hiervan vind ik: dat is nergens voor nodig, ik geef aan anarchistisch boeddhisme de voorkeur.



Bijlage
Informatie over de master geestelijke verzorging bij andere universiteiten


De master in Utrecht

In Nijmegen

In Groningen

Humanistiek (Utrecht, driejarig)


donderdag 1 november 2012

Het handboek boeddhistisch geestelijke verzorging is uitgekomen

Na een paar vooraankondigingen is nu echt binnen:
The Arts of Contemplative Care
Pioneering Voices in Buddhist Chaplaincy and Pastoral Work
Edited by C.A. Giles and W.B. Miller
Wisdom Publications, 2012
345 + xxii pagina’s

Noah Levine, schrijver van een aantal Dharma-boeken en hoofdleraar van de meditatiegroep ‘Tegen de stroom in' zegt van dit boek:
‘Destined to become the core text of Buddhist chaplaincy. A radical and wise offering to the world. ’
Vrij vertaald: dit wordt hèt handboek voor boeddhistisch geestelijke verzorging .
Ook in Nederland en niet alleen om er geen ander vergelijkbaar boek is.

Nog een andere tekst, van de achterflap, volgens mij zonder overdrijving:
'Powerful and life–affirming, this watershed volume brings together the voices of pioneers in the field of Buddhist contemplative care – from hospice and hospitals to colleges, prisons, and the military.
Each first-person essay offers a destillation of the wisdom gained over years of experience, and vividly shows the lived experience of each pastoral worker.
The stories told here aren sure to inspire – whether you are a professional caregiver or are simply called to serve through caregiving.
Quite simply, this is a book that can change lives
.’

Ik heb nog maar een klein deel gelezen, dus nu nog geen recensie of samenvatting (sowieso onmogelijk doordat er 32 hoofdstukken van nog meer auteurs in staan).
Slechts een inhoudsopgave, een paar citaten uit het begin, de internet-resources, een paar hoofdstukken aangestipt en een eerste indruk.
Een Nederlandse vertaling ervan zou mooi zijn maar zal er gezien de verwachte kleine oplage niet in te zitten. Maar master-studenten lezen uiteraard Engels. Wellicht kan het Boeddhistisch Magazine (Kwartaalblad) een of meer hoofdstukken laten vertalen.


Table of Contents

Preface, Pat Enkyo O’Hara
Foreword, Judith Simmer-Brown
Editors’ Preface, Cheryl A. Giles and Willa B. Miller
I . THE ROOTS OF CONTEMPLATIVE CARE: FOUNDATIONS OF A DISCIPLINE
II. SERVING THE SICK: THE ARTS OF HOSPITAL CHAPLAINCY
III. DHARMA BEHIND BARS: THE ARTS OF PRISON MINISTRY
IV. WIELDING MANJUSSHRI’S SWORD
V . LIVING WITH DYING: THE ARTS OF LIFE CARE
VI. THE PASTORAL ROLE OF THE DHARMA TEACHER: THE ARTS OF MINISTRY
Internet Resources for Buddhist Chaplaincy and Ministry
Selected Bibliography
Index


Een paar stukjes inhoud en eerste indrukken

'Indrukwekkend', dat is m'n eerste indruk. Alle bekende namen (voorzover ik die ken, hoor) uit de wereld van de boeddhistische geestelijke verzorging hebben in dit boek geschreven. Het is ook zeer breed: wat betreft maatschappelijke sectoren waarin gewerkt wordt en wat betreft boeddhistische tradities; een aantal theoretisch en veel vanuit de praktijk beschreven hoofdstukken..
Het zijn alleen Amerikaanse bijdragen, alle auteurs wonen in de VS. Niets lees ik over eventueel in het (vroegere) Aziatische boeddhisme uitgevoerde geestelijke verzorging. Misschien bestond (bestaat) die eenvoudigweg niet, los dan van de pastorale bekommernis van sommige leraren voor hun leerlingen in sommige tradities; daar zou ik wel meer van willen weten.
Wel een hoofdstuk over wat soms in het boeddhisme een taboe is: ras en het ontkennen van het bestaan van racisme (Cheryl Giles, Beyond the Color Line, Cultivating Fearlessness in Contemplative Care).
Ook – in deel VI – hoofdstukken over wat ook in Nederland zal boeien: de sangha-leraar als geestelijk verzorger, en de relatie tussen die twee functies.

De titels van de hoofdstukken zijn ook veelzeggend; bijvoorbeeld 'Meditation is not enough' en 'Buddhist Chaplaincy in a Christian Context '.
Die christelijke context, de veel oudere traditie van christelijke geestelijke verzorging blijkt op veel plaatsen, ook in de gekozen termen, bijvoorbeeld 'ministry'.
Terminologisch is het boek ook interessant; allereerst de gekozen titel van de functie: 'buddhist chaplaincy', maar ook 'contemplative care'. Ik vertaal (ruw, waarbij ik ‘care’ als ‘zorg’ vertaal maar het ook ‘verzorging’ kan zijn) wat de redacteuren daarover zeggen (pagina xvii):
‘Comtemplatieve zorg’ is verwant aan de term ‘spirituele zorg’; onder dat laatste verstaan we de zorg gegeven door een breed spectrum van mensendie in allerlei contexten emotionele en spirituele steun bieden, zowel professioneel als informeel. ‘Contemplatieve zorg' daarentegen verwijst naar het soort zorg die op een deskundige wijze is gebaseerd op een rigoreuze training in een meditatieve en contemplatieve traditie.

Benadrukt wordt dat het werk van de buddhist chaplain nog volop in ontwikkeling is; het boek getuigt daar ook van, de omschrijvingen van wat de functie is verschillen nogal van elkaar. Die dynamiek wordt door de redacteuren toegejuicht.

Hoewel ik geen boeddhistisch geestelijk verzorger ben (maar wie wel in Nederland?) lijkt dit boek me zeer goed bruikbaar in een opleiding voor BGV-ers hier. Het onderscheid tussen master-opleiding en ambtsopleiding heb ik niet helemaal doorgrond, maar dit boek lijkt me wel de noodzakelijke stof voor minstens een tweejarige opleiding voor deze functie en dit beroep te bieden.
In de discussie over de vormgeving daarvan zou begonnen kunnen worden met het hoofdstuk ‘Cultivating an Appropriate Response: Educational Foundations for Buddhist Chaplains and Pastoral Care Providers' van D.J. Kinst (pagina 9-16). Paragrafen daarvan zijn:
- Buddhist Study,
- Contributions from Contemporary Psychology and Counseling,
- Pastoral Care Literature,
- The Ground of Practice.

Interessant is ook het hoofdstuk ‘The Way of the Chaplain – A Model Based on a Buddhist Paradigm’ van Mikel Ryuho Monnett (pagina 105-110)
Hierin noemt hij vijf eisen aan een ‘buddhist chaplain’ te stellen:
- Compassie
Met nadruk noemt Monnett dat het werk van de BGV gebaseerd moet zijn op karuna, compassie.
- Upaya (skillful means)
Het zich kunnen inleven in en aanpassen aan de situatie van de ander betekent ook professionaliteit. Gesuperviseerde training is daar wezenlijk bij.
- Prajna (wisdom)
De BGV is niet alleen professional maar ook een mens en dus iemand die fouten kan maken. Daarvan kunnen leren en authentiek zijn zijn een invulling van deze eis van Monnett.
- Shila (moral discipline)
De in het Pali sila genoemde ethische regels van het boeddhisme zijn voor de geestelijk verzorger specifiek van belang omdat hij met mensen te maken krijgt die zeer kwetsbaar zijn, ook psychisch, en daardoor makkelijk beinvloedbaar.
- Vows and lineage
De auteur onderscheidt hier de ‘vows’ van de morele discipline. Daarnaast is er de vraag naar het gezag van de boeddhistisch geestelijk verzorger waarbij de relatie tot zijn/haar leraar of zijn/haar boeddhistische traditie van groot belang.

Sommige van deze eisen of de verwoording ervan zijn te exclusief Mahayana, vind ik
Het hoofdstuk ‘Thus I Have Listened' door Willa Miller (pagina 282-290) levert in feite een zesde eis aan een boeddhistisch geestelijk verzorger te stellen: kunnen luisteren. Moelijk voor veel leraren en andere veel pratenden.
Ook in dit hoofdstuk weer: uitgaand van eigen ervaringen en daarop reflecterend.
Dit is kenmerkend voor het hele boek.
Ik ga het verder lezen.
Aanklikbaar: pagina xvii & xviii
Aanklikbaar: pagina xix & xx
Aanklikbaar: pagina 325

vrijdag 26 oktober 2012

Een ongeorganiseerde boeddhistische kapelaan aka geestelijk verzorger. Kan dat? En onder welke voorwaarden is dat wenselijk?

Eerst even een taalkundig vuiltje. Sommige boeddhisten zijn aangesloten bij een boeddhistische organisatie, vaak een ‘sangha’ genoemd, waar ze regelmatig beoefenen.
Andere boeddhisten beoefenen (wat dat inhoudt, varieert zeer) thuis, alleen of met Dharma-vrienden. Die worden door anderen soms ’ongebonden’ genoemd maar dat is een ideologisch beladen term, alsof dat spiritueel minder waard is.
Hier kies ik voor de neutrale en meer feitelijke term: ongeorganiseerde boeddhist.
De meeste mensen die zich boeddhist noemen of aangeven duidelijke affiniteit met het boeddhisme te hebben, zijn ongeorganiseerd. Dat heeft wellicht nadelen (voor henzelf bedoel ik, de nadelen ervan voor machthebbers laat ik buiten beschouwing) maar het is vooral feitelijk zo.
Bij de ene boeddhistische organisatie is het zeer duidelijk wie er bij hoort en wie niet, dan zijn er duidelijke toelatingsrituelen; bij andere is de grens vaag, bv als er alleen sprake is van inloopavonden; bij weer andere (ook BUN-leden) is deelnemen alleen het – per definitie tijdelijke – volgen van een of meer cursussen. Kortom: de boeddhistische anarchie waar ik zo van houd.

Soms zit een boeddhist (of iemand met affiniteit ...) met levensvragen, met zingevingsvragen. Een gesprek met een ander kan dan nuttig zijn, bijvoorbeeld met een (mede-)boeddhist. Daar kan hij of zij de eigen leraar voor vragen maar ook een ander.
En dan komt een boeddhistisch geestelijk verzorger in het vizier.
Dat is een nieuwe functie; misschien in onze samenleving een nuttige functie. Maar het is ook een onbeschermde functie. Er is geen BIG-registratie voor nodig zoals voor veel andere functies in de gezondheidszorg. En dus kunnen er beunhazen op af komen.
Ik wil twee soorten beunhazen onderscheiden:
- Degenen die formeel onbevoegd zijn, niet de juiste papieren bezitten.
- Degenen die (noem het maar on-boeddhistisch) eigenbelang nastreven in de omgang met een client.
De tweede vorm, of beter: het tweede aspect, is veel moeilijker te traceren dan de eerste. Door sommigen worden gedacht dat dit voorkomen kan worden door uitsluitend geestelijk verzorgers (die men om onduidelijke redenen ‘chaplains’ wil gaan noemen) zo te betitelen als ze een ondertekende erkenningsbrief van zijn of haar leraar (spiritueel leider van een sangha) hebben.
Dat heeft een voordeel, maar ook een groot nadeel: ongeorganiseerde boedhisten worden daarmee uitgesloten van het geestelijk verzorger zijn, dit terwijl de meeste ‘clienten’ (zo noem ik voorlopig maar degenen die geestelijke verzorging wensen) zelf ongeorganiseerd zijn. Misschien is voor een deel van de ongeorganiseerde ‘clienten’ een ongeorganiseerde boeddhist, juist door zijn of haar ongebonden zijn, meer geschikt.

Hierboven spreek ik van ‘sommigen’; daarmee bedoel ik de BZI en (de leden van) de BUN, die de functie voor ongeorganiseerden denken te kunnen uitsluiten.
Maar zij vergissen zich .


Hoe word je ook al weer boeddhistisch geestelijk verzorger?
Moet je daarvoor aangesloten zijn bij een sangha? Moet je dus ‘gebonden’ zijn?
De BZI suggereert wel wel, in de al eerder geciteerde Update BZI – november 2011
“Meer dan de bachelor/master opleiding zal deze ambtsopleiding onder toezicht komen te staan van erkende Boeddhadharmaleraren in Nederland. De VU blijft echter verantwoordelijk voor de inhoud en het niveau van het onderwijs. Afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft. Deze studenten zullen worden ingeschreven in een ambtsregister.”

Kan het ook zonder zendingsbrief en zonder inschrijving in een ambtsregister?
Men doet het voorkomen dat dat niet kan. Maar de VU ziet dat volgens mij anders.
Kijk nog eens naar de "Overeenkomst voor samenwerking van de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit met de Stichting Boeddhistische Zendende Instantie ~BZI~,... " van 31-03-2012, hier .

De VU en niet de BZI bepaalt wie toegang krijgt tot de ambtsopleiding:
"1.4, De studenten van de (ambts)opleiding schrijven zich in bij de VU."

Er staat vervolgens maar één artikel in over het examen van de ambtsopleiding:
"1.6. Het examen van de ambtsopleiding is alleen toegankelijk voor hen die een master Religie & Levensbeschouwing of een vergelijkbare relevante masteropleiding met goed gevolg hebben afgerond ....".

De BUN, de BZI of een sangha (al dan niet BUN-lid) heeft over het examen-mogen-doen niets te zeggen. De VU heeft het recht daartoe exclusief in handen.
Niets over een 'kerkelijk examen' zoals bij een aantal door de VU georganiseerde protestante ambtsopleidingen het geval is. (zie hier .)

Conclusie: wie van de VU het diploma van de ambtsopleiding heeft gekregen, IS boeddhistisch geestelijk verzorger, d.w.z.: kan die functie uitoefenen.
(Mogelijk is die gediplomeerde ook door de VU wijs gemaakt dat hij of zij dan leraar kan zijn, maar dat hoort tot het rijk van de illusies)

Wie geslaagd is voor het in 1.6 bedoelde examen kan als BGV-er gaan solliciteren bij een zorg-instelling; alleen als die zorg-instelling om een zendingsbrief vraagt (en mijn inschatting is dat dat ze steeds minder interesseert) komt een afgestudeerde ongebonden boeddhist in de problemen. Maar hij/zij kan ook vrijgevestigd BGV-er worden
Volgens mij is deze consequentie niet tot BZI en BUN doorgedrongen.
De suggestie gewekt in de ‘Update BZI’ van november 2011 dat de titel ‘buddhist chaplain’ een beschermde titel is, is daarbij uit de lucht gegrepen.

Toch begrijp ik de behoefte aan zoiets als inschrijving in een ambtsregister wel. Er zijn boeddhistische beunhazen, zeker is er het gevaar dat ze zich presenteren in het werkveld waar geld te verdienen is.
Is daar een andere oplossing voor?
Ik stel voor dat er (eventueel naast de BZI als die blijft bestaan) een ‘boeddhistische instantie' komt waar BGV-ers lid van kunnen worden. Een zelforganisatie, een soort werkgemeenschap, al dan niet een ‘sector’ van de VGVZ (zie hier ). Geen gedwongen lidmaatschap maar het strekt wel sterk tot aanbeveling.
Een niet-vrijblijvende werkgemeenschap waarvan de leden (alleen BGV-ers dus) elkaar op hun tekortkomingen mogen – ja moeten – aanspreken; uiteraard zijn daarvoor interne procedures nodig. In ieder geval formeel zonder boeddhistische leraren die als een soort bisschoppen over het heil waken.

Het deelnemen aan zo’n werkgemeenschap lijkt me òòk voor een wèl van een zendingsbrief van zijn of haar leraar voorziene BGV-er/chaplain aanbevelenswaard.


Eerlijk gezegd (en ik weet dan op wat tenen te gaan staan) wordt de veiligheid die een leraar als onderdeel van een boeddhistische lineage biedt, nogal overdreven. Op papier gaan zulke lineages in enkele tientallen stappen direct terug naar de historische Boeddha (door Theravadins ‘Siddharta Gautama’ en door Mahayanisten ‘Sakyamuni’ genoemd); maar meestal zijn ze feitelijk hoogstens enkele eeuwen en nog vaker slechts enkele generaties oud. Antidateren is boeddhistische topsport.
Het hele lineage-concept kwam in het Indiase boeddhisme niet of nauwelijks voor, het hoort meer bij de voorouderverering kenmerkend voor China en Japan.
Het zelfreinigend vermogen van lineages is beperkt, zoals bv bij het geval Genpo blijkt. De lineage van de meeste vipassana-leraren begint bij de Ven. Mettavihari (met hoogstens een lichte link naar Mahasi Sayadav). En mijn zoektocht naar de lineage van Zen.Nl is in mist geeindigd.
Ter voorkoming van misverstand: ook voor mij is een leraar, of liever: een spirituele vriend (kalyāṇa-mitta) van grote waarde, zeker in de beginfase van het begaan van het boeddhistische pad. Maar men moet niet aan een leraar hechten, zoals aan niets gehecht moet worden. En de leraar van de leraar van de leraar kennen is daarbij maar van zeer betrekkelijke waarde.

Voor wie dit alles overdreven vindt: lees nog maar eens de fameuze regels van John McRae (Uit 'Seeing through Zen', Berkeley, 2003.
Op plaatje klikken om tekst te lezen):

dinsdag 18 september 2012

Professioneel bodhisattva worden, kan dat? Bespreking van de oratie van André van der Braak

Het uitspreken van de oratie ‘De vele gezichten van de compassie’ in de aula van de VU op 14 september j.l. was een boeddhistisch feestje. Voor de tekst, zie hier
Niet alleen de inhoud was rijk, ook de massale opkomst van boeddhisten en boeddhistische bobo’s was opvallend, zoveel openbare bijeenkomsten zijn er ook weer niet.
Ik ben geen journalist maar amateur-boeddholoog, daarom verder geen sfeer-impressies maar een paar kanttekeningen bij de inhoud van z’n inaugurele rede.

De volledige titel is:
‘De vele gezichten van de compassie
Het boeddhisme te midden van culturele en religieuze diversiteit
.’

De inhoudsopgave:
- Achtergronden van de leerstoel ‘boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities’
- 1. Compassie
- 2. Binnen of buiten
- 3. Compassie in India en China
- 4. De eerste bodhisattvagelofte
- 5. Conclusie
- Dankwoord

Van der Braak stelt (in navolging van onder andere Sharf en Hershock) dat de grote verschillen in cultuur tussen India en China zo’n tweeduizend jaar geleden heeft gemaakt dat het begrip ‘compassie’ van betekenis is veranderd. ‘Vanuit Indiaas perspectief is compassie een heilzame mentale staat, zoals gezegd één van de vier Brahmavihara’s die door mentale cultivering kan worden versterkt. ... Toen het boeddhisme zich vanuit India naar China verspreidde, vermengden Indiase boeddhistische noties van compassie en karma zich met Chinese kosmologische opvattingen, en met Chinese versies van zelfcultivering. (pagina 11)

Van der Braak laat hier een ander belangrijk proces in de eerste eeuwen van onze jaartelling van (boeddhistisch) China buiten beschouwing. Het ging niet alleen om de sinifization (de ‘ver-chinezing in lelijk Nederlands) maar tegelijk van de mahayanization van de Dharma, van dit boeddhisme. De eerste boeddhistische teksten in het Chinees vertaald waren die van het vroege boeddhisme, wat we nu op een aardige manier Theravada (oftewel Pali Canon) noemen en op een onsympathieke manier hinayana.
Over deze poging de vroegboeddhistische wortels los te snijden in China in zo ongeveer de vierde/vijfde eeuw van onze jaartelling ben ik op dit moment het grote werk aan het lezen van Chih-I (ook wel geswchreven als Zhyyi; zie bv Wikipedia over hem), Mo-ho-chih-kuan; door Neil Donner vertaald als ‘The Great Calming and Contemplation of Chi-I’.

In een Postscript van pagina 460-479 (downloaden en lezen, André en andere echt geïnteresseerden!) beschrijft Donner ‘The MHCK and the Mahayanization of the Chinese Dhyana Tradition´.
Het viel namelijk niet mee de toen bestaande meditatievormen zoals samatha en vipassana alsnog een mahayana-ideologie te verschaffen. Chih-I slaagde daarin met behulp van een zeer vrijzinnige interpretatie van het begrip sunyata van Nagarjuna. Maar in feite veranderden daarmee de meditatievormen zelf nauwelijks.

Van der Braak beschrijft de boeiende overgang van het compassie-begrip van India naar China als historische voorbeeld om een bredere blik te verkrijgen (hij gebruikt mooiere filosofische termen).
De vraag die hij zich (en ons) merkwaardig genoeg niet stelt is: hoe verhoudt onze cultuur zich dan weer tot de Chinese van vijftienhonderd jaar geleden? Oftewel: moeten we nog wel zo vanzelfsprekend in onze huidige beoefening van het boeddhisme (en dan vooral in Chan en Zen maar voor sommigen is Zen en boeddhisme hetzelfde) deze Chinese interpretatie overnemen ?
In mijn opvatting lijkt onze (Westerse) cultuur natuurlijk noch op de Chinese noch op de Indiase van zo lang geleden maar relatief is er toch nog meer overeenkomst met de Indiase dan de Chinese . Wij hebben toch niets met de ´Chinese kosmologische opvattingen, en met de Chinese visies op zelfcultivering ... De Chinese kosmos wordt gezien als een geordend organisch proces van verandering en pluraliteit` ? (citaat uit pagina 11 van de gedrukte versie van de oratie)
Ik pleit in ieder geval voor compassie als onderdeel van de serie liefdevolle vriendelijkheid-medevreugde-gelijkmoedigheid waarin het ook duidelijk een morele dimensie heeft.

Dit brengt me tot een andere opmerking over deze oratie die ik wil ik maken naar aanleiding van een passage van het ´Dankwoord´ dat van der Braak aan het eind van z´n oratie uitspraak (pagina 17).
Daar bedankt van der Braak het College van Bestuur van de VU onder andere voor het initiatief ‘... een platform te bieden voor de verdere vorming van Nederlandse bodhisattva’s binnen de academie ... `.
Begrijp ik het goed: wil van der Braak en wil de VU dat de studenten van de opleiding Boeddhistisch Geestelijk Verzorger (mogelijk startend in 2013) bodhisattva´s worden?
Bodhisattva´s in de Mahayana- (Zen-) zin van het woord?
Ook degenen met een Theravada-achtergrond bijvoorbeeld, die hebben toch andere beloften?
Alsof een katholieke universiteit heiligen gaat opleiden.
En hoe zit het met de toch wat andere (dan in het dominante Zen) benadering van de bodhisattva-beloften (de ‘ wensende ’ en de ‘ ondernemende ’) in het Tibetaanse boeddhisme ?

Het wordt hoog tijd dat er eens een openbaar debat komt over de echte inhoud van deze opleiding. Ook en met name over het bij het toetsingskader horend vakmanschap dat een geestelijke verzorger (ook een boeddhistische, ook een bodhisattva) nodig heeft.

Een voorstel daartoe heb ik in een blog in juli gedaan (zie hieronder en hier ). En André van der Braak reageerde daar toen (per email) naar mij toe positief op met de woorden ´Je suggestie voor een symposium over boeddhistische geestelijke verzorging is zeker interessant, en ik houd hem in gedachten.´
De 12 verleden week gestarte pre-master-studenten verdienen die duidelijkheid, want die is er (hoorde ik in de wandelgangen bij de VU-aula) zeker bij een aantal van hen niet.
Het in m’n voorstel bedoelde boek (dat een standaardwerk lijkt te gaan worden over de BGV) komt op 25 september uit ! Zie Amazon .


Bijlage
Een suggestie aan de VU (door Joop Romeijn)
Nu is de invulling van de opleiding tot chaplain aan de beurt, een tweejarige opleiding die volgens de informele aankondigingen september 2013 gaat starten.
De aanvraag aan het ministerie en het opstellen van overeenkomsten heeft allemaal bijzonder binnenskamers plaatsgevonden.
Het zou de VU sieren als een deel van de invulling van de opleiding in het openbaar plaatsvindt.
Daarom roep ik de VU op, om ergens komend najaar een openbare bijeenkomst over de inhoud te organiseren. Eén van de onderwerpen die daarin in ieder geval aan de orde moeten komen is wat mij betreft de inhoud van geestelijke verzorging (door en/of voor boeddhisten) in de zorgsector, in ziekenhuizen en andere instellingen van volksgezondheid dus. Want het georganiseerde boeddhisme heeft tot nu toe nog geen blijk gegeven, zich daarin verdiept te hebben.
Wellicht kan in die bijeenkomst gebruik worden gemaakt van het oktober
[is vervroegd naar 25 september, J.R.] uitkomende boek "Arts of Contemplative Care; Pioneering Voices in Buddhist Chaplaincy and Pastoral Work " .


dinsdag 14 augustus 2012

Moet geestelijke verzorging door boeddhisten en voor boeddhisten zijn ?

De laatste maanden heb ik me weer verder verdiept in boeddhistisch geestelijke verzorging (BGV).
Nu niet meer zoals tot nu toe door BZI, VU, Justitie en deels ook door mij vanuit het beleid beredeneerd maar vanuit de inhoud.
Ik heb hierover inmiddels al een serie blogs geschreven; klik voor een overzicht daarvan in de tagcloud (de rubriek ‘labels’ in de rechterkolom) het trefwoord ‘geestelijk verzorger’.

Geestelijke verzorging vindt, al dan niet vanuit een bepaalde denominatie, vooral plaats in instellingen voor gezondheidszorg. In dit blog identificeer ik me daar vooral mee.
Daarnaast, in veel kleinere aantallen in de krijgsmacht, voor gevangenen en door vrijgevestigden; daar ga ik het veel minder over hebben.
Het laatste rijtje is wat merkwaardig: vòòr en dòòr lopen door elkaar.

Dat is ook de bedoeling want ik wil thematiseren wat onder BGV kan worden verstaan:
1. gegeven door een geestelijk verzorger, tevens boeddhist, aan een boeddhist;
2. gegeven door een buddhist chaplain (zoals de VU ze wil gaan opleiden), een geïntegreerde boeddhist-plus-geestelijk verzorger, aan een boeddhist;
3. als 1, gegeven aan een niet-boeddhist;
4. als 2, gegeven aan een niet-boeddhist;
5. gegeven door een niet-boeddhist (maar religieus-levensbeschouwelijk breed geschoold geestelijk verzorger) aan een boeddhist.
Het is een twijfelgeval of dit laatse (5e) model als BGV gezien moet worden; ik voer het hier wel op om hieronder genoemde redenen.

Als ik hier 'boeddhist' schrijf, bedoel ik zowel degene die zich voluit zelf boeddhist noemt als degene die een 'daadwerkelijke affiniteit ' met het boeddhisme heeft.
Iemand met 'een beetje afiniteit' heeft geen specifieke naam, is een soort 'ietsist'; zoals het Commissariaat voor de Media fijntjes in een beleidsstuk opmerkt: “Zo worden mensen die wel eens een publicatie aanschaffen of een cursus over de desbetreffende hoofdstroming volgen niet gerekend tot de achterban.”

Waarom zou een niet-boeddhist BGV door een boeddhist willen hebben ?
Uit de beschrijvingen van wat BGV-ers in dienst van het ministerie van Veiligheid en Justitie (Dienst Geestelijke verzorging) doen, destilleer ik twee motieven bij de gevangenen die waarschijnlijk ook voor anderen zullen gelden:
a. de boeddhist heeft bepaalde specifieke methodiek-vaardigheden zoals het geven van meditatie (bv het op dit moment populaire mindfulness).
b. de ontvanger vindt het boeddhisme en boeddhisten sympathiek en verwacht van een BGV-er het soort geestelijke verzorging dat hem/haar bevalt.

Ik neem aan dat de initiatiefnemers van de opleiding master plus ambtsopleiding (VU en BZI) er geen bezwaar tegen hebben dat een door hen opgeleide buddhist chaplain (hierboven bedoeld in 2 en 4) zijn of haar zegenrijke werk doet met een niet-boeddhist als client/patient. Graag zelfs, veronderstel ik dat deze initiatiefnemers zullen zeggen, dat betekent immers aanzienlijk meer werkgelegenheid.

Maar is het noodzakelijk, heeft geestelijke verzorging door een boeddhist een meerwaarde ?
De meerwaarde zou kunnen zijn dat het boeddhisme bijna van nature zelf al geestelijke verzorging is, de thema´s waarover het in het boeddhisme gaat, zijn ook de vragen van geestelijke verzorging.
Maar is dat wel zo, vinden andere levensbeschouwingen dat ook niet van zichzelf?
Er zijn een paar kenmerken van het boeddhisme behoorlijk uniek, de nadruk op de karakteristieken 'anatta' (niet-zelf) en 'anicca' (onbestendigheid) en op 'sunyata' (leegte) horen daarbij; het is voor iemand van een andere religie niet eenvoudig zich die eigen te maken en als geestelijk verzorger te kunnen hanteren in gesprekken, maar hoeveel boeddhisten kunnen dat wel?
Er is nog één ander aspect dat voor mij een meerwaarde betekent; dat is boeddhisten stil kunnen zijn, niet altijd hoeven te praten, als uitdrukking van hun innerlijke stilte, hun concentratie. Natuurlijk is ook dit verschil met andere levensbeschouwingen niet absoluut maar in mijn inschatting is het er wel wezenlijk.

Waardering
Mijn waardering voor het niet aan één religie verbonden geestelijke verzorging is versterkt door het lezen over de master-programma´s als beroepsopleiding geestelijk verzorger bij de Universiteiten van Groningen, Utrecht, Nijmegen, waar ik een paar weken geleden al op duidde; zie hier .
Mijn suggesties in die blog heb ik inmiddels aan genoemde opleidingen voor kommentaar voorgelegd. Als daaruit concrete resultaten komen, publiceer ik die in een toekomstige blog.
Zie hun de websites:
Utrecht : informatie over de master
Nijmegen: informatie over de master
Groningen: informatie over de master

Eén voorbehoud moet ik bij m'n positieve waardering wel maken.
Het is me bij het lezen van de teksten niet duidelijk inhoever de christelijke wortels van de opleidingen nog doorwerken in het huidige denken van de docenten.
Zo ademt de tekst over de master in Nijmegen een heel andere (ik denk: een katholieke) sfeer dan die van Utrecht en die van Groningen (en trouwens ook van de niet-boeddhistische vakken van de bachelor bij de VU waarbij het niet moeilijk raden is naar de eigen levensbeschouwing van de docenten). Mijn indruk is dat men in Groningen en ook wel in Utrecht (hoewel de informatie daarvan meer summier is) het protestante verleden voldoende achter zich gelaten heeft om van een echte interreligieuze opleiding te kunnen spreken.

Van wie ?
De omgekeerde vraag is: kan een boeddhist (die bv client/patient in een gezondheidszorg-instelling is) niet net zo goed bij zingvevingsvragen door een geestelijk verzorger van een niet-boeddhist krijgen? (bij de humanisten heet het 'raadsman')?
Als ik mezelf in die rol plaats (gezien m´n gevorderde leeftijd niet zo moeilijk), zou m´n antwoord zijn: als het maar een kwalitatief goeie is, iemand die niet zijn of haar eigen visie op leven en dood op mij probeert over te krijgen, kan het net zo goed een niet-boeddhist zijn. Ja dus.
Misschien wil ik daarnaast dan wel met een boeddhistische vriend over een paar specifieke vragen van gedachten te wisselen.
Maar dan wel in een boeddhistische traditie waarin ik me thuis voel, de verschillen tussen de tradities zijn groot, bij de beoefenaar van de ene traditie zou ik makkelijk vertrouwelijk zijn, bij een ander nauwelijks.

Wanneer wel van een boeddhist ?
Er is een uitzondering: wanneer het uitvoeren van rituelen of andere zeer specifieke vormen van beoefening gewenst worden. In het Aziatische boeddhisme speelt het devotionele een grote rol; maar bij hoeveel boeddhisten in Nederland speelt dat? Vijfhonderd tot duizend misschien?
Als we het uitbreiden tot 'het toevlucht nemen' dan zal het om een paar duizend mensen gaan; maar: er is een toevlucht-nemer, geen toevlucht-gever, het is volgens mij niet persé een BGV-er bij nodig, al verdient het wel de voorkeur.
Een andere mogelijkheid: de client/patient heeft vraagt om een Dharma-toespraak, zoals leraren uit de diverse boeddhistische tradities die geven. Afgezien van m'n vermoeden dat het opnieuw om kleine aantallen gaat, zijn hier ook andere mogelijkheden dan dat een geestelijk verzorger dit zelf doet, er zijn boeddhistische leraren en er zijn tal van talks op het internet te vinden.
In totaal gaat om een grootte-orde enkele duizenden boeddhisten waarvoor geestelijke verzorging door een BGV-er meerwaarde heeft. En dan bedoel ik totale aantallen. Welk deel daarvan is tegelijk client/patient in een instelling van gezondheidszorg? Minder dan honderd, vermoed ik.De rest, het overgrote deel vcan boeddhische patienten/clienten, kan even goed met zijn of haar vragen door de niet-boeddhistisch geestelijk verzorger geholpen of begeleid worden.


Samenvatting en conclusie
Naar mijn mening is slechts in zeer beperkte mate specifiek boeddhistische geestelijke verzorging voor clienten/patienten in instellingen voor gezondheidszorg nodig.
Vervolgens zou het nuttig en wenselijk zijn voor de geestelijke verzorging in het algemeen als daar elementen van het boeddhisme bij komen; anders gezegd: dat geestelijk verzorgers kennis hebben of krijgen van het boeddhisme.
Wat betreft werkgelegenheidskansen is het voor 'buddhist chaplains' zoals de VU die gaat opleiden zeer gewenst dat zij breed inzetbaar zijn, dus ook geestelijke verzorging aan niet-boeddhisten kunnen geven, net zo als afgestudeerden van andere universiteiten.

zondag 5 augustus 2012

Oratie André van der Braak op 14 september bij de VU

Op vrijdag 14 september houdt André van der Braak zijn inaugurele rede als hoogleraar boeddhisme aan de Vrije Universiteit
Tijd: vanaf 15.45 uur

Plaats: Aula van het hoofdgebouw van de VU,

Titel: De vele gezichten van compassie:
het boeddhisme te midden van culturele en religieuze diversiteit


André zal deze rede uitspreken ter gelegenheid van de aanvaarding van de Nicolaas Pierson leerstoel voor Boeddhistische filosofie in dialoog met ander levensbeschouwelijke tradities.
Zie de VU-aankondiging hier.

Het is in het algemeen de bedoeling van een inaugurele rede oftewel oratie dat de nieuwe hoogleraar beschrijft wat hij of zij in wetenschappelijk opzicht de komende jaren gaat doen.
Wat me benieuwd zijn onder andere de volgende zaken:

- Zal het nu over meer dan alleen Zen-boeddhisme gaan, tot nu toe heb ik een zekere Zen-eenzijdigheid bespeurd in zijn VU-rol?

- Hoe gaat André (althans in zijn voornemens) om met het spanningsveld wetenschapsbeoefening versus onderwijstaken? De opdracht van de Nicolaas Pierson Stichting (zie onder) spreekt slechts beperkt van een onderwijstaak terwijl de start van de bachelor boeddhisme dit jaar en mogelijk de master boeddhisme volgend jaar veel tijd van hem gaat vragen. Weet hij de druk van de VU te weerstaan?

- In de hoop dat André toch nog tijd voor onderzoek, voor wetenschapsbeoefening vrij weet te maken: waarop zal dat aansluiten?
Zal het ook boeddhologie genoemd mogen worden? Waarschijnlijk niet de filologische variant maar wellicht een meer godsdienstwetenschappelijke benadering?
Zal hij zich willen verdiepen in nieuwe (Westerse) vormen van boeddhisme zoals het ‘secular buddhism’, door mij vertaald als ‘vrijzinnig boeddhisme’?

- Ontmoeting tussen levensbeschouwelijke/religieuze tradities is duidelijk een zwaartepunt, maar zal er ook ruimte zijn voor dialoog tussen de diverse boeddhistische tradities, want dat is in het Nederlandse boeddhisme een beetje een taboe-onderwerp?
Zal André een door hem gemodereerde discussie tussen boeddhisten willen gaan organiseren (en dan niet met dezelfde leraren die we steeds op de BOS kunnen horen)?

- En dan het thema compassie.
Zal de nieuwe hoogleraar het modieuze (het ongevaarlijke want wie is er nou tegen compassie?) karakter van dit thema weten te vermijden?
Ziet hij compassie (karuna) als één van de Brahmavihara, in relatie tot de andere drie?
Betekent de ‘diversiteit’ uit de titel van de oratie ook: de kunst van het met elkaar oneens te zijn?
Is trouwens ‘religieuze diversiteit’net zo iets als de (nogal bedreigde) biodiversiteit, die ook nodig is voor de evolutie, in dit geval dus de evolutie van de religie(s)?
‘Compassie’ is ook de kern van de bodhisattva-belofte, gaat het (André / de VU) alleen om het voornemen (het mooie gevoel) of moet er ook iets naar andere mensen toe mee gedààn worden?


Misschien wat veel vragen voor een uur, maar een paar zouden m.i. toch wel aan de orde moeten komen.
Deze inaugurele rede wordt in het openbaar gehouden. Vooraf opgeven is niet nodig.
Ik ga er Deo Volente heen
En ik zal achteraf een critische analyse proberen te bloggen over de inhoud.
Die is dat vast wel waard.


Uit de advertentie van de VU mei 2011 met behulp waarvan André is geworven (gepredestineerd)
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken.
"

woensdag 18 juli 2012

Het anarchistische boeddhisme

De laatste tijd denk ik wel eens: ik zou mezelf ook anarchistisch boeddhist kunnen noemen.
In zijn interview met mij in het 'Boeddhistisch Dagblad' was de openingszin van Joop Hoek:
“Een hele mond vol, ongebonden, vrijzinnig, geëngageerd. Allemachtig.”
Dat ontkende ik niet, ik had er zelfs aan toe kunnen: èn ook theravadin èn critisch boeddhist.
Immers: hoe meer deel-identiteiten hoe meer het ideaal van anatta bereikt is.

Maar met dat ‘anarchistisch boeddhist’ zit het toch anders. Heel anders.
Ik constateer dat het boeddhisme zelf anarchistisch van karakter is, zeker in Nederland. Alle pogingen het in het kaderen, om het in hokjes van diverse tradities te stoppen, kunnen onderuit gehaald worden. Elke indeling is arbitrair, aan andere dan de eigen traditie toegeschreven opvattingen kloppen in wezen niet. (De aan de eigen traditie toegeschreven opvattingen soms ook niet; zo dacht ik helderheid te hebben met de meditatie-indeling samatha versus vipassana maar diverse Thaise monniken gaan daar helemaal niet van uit)
‘Het boeddhisme heeft geen centraal leergezag’ wordt wel gezegd. Dat is zo, maar het is nog meer niet. Het boeddhisme heeft ook niet de aanleg om georganiseerd te worden.

Het artikel van gisteren in *OpenBoeddhisme* (zier hier ) onder de titel 'Georganiseerd boeddhisme in kaart gebracht' onderstreept deze veelvormigheid nog eens. Het beeld van: ‘de meeste sangha’s zijn lid van de BUN, een paar zijn dat niet en dan heb je nog al die ongebonden boeddhisten’ klopt niet. Een Copernicaanse revolutie (Tot de middeleeuwen werd gedacht dat de aarde het centrum van de cosmos was waar alles zoals de zon om heen draaide; Copernicus concludeerde dat dat niet klopte). Het draait niet om de BUN.
Het boeddhistisch universum (in Nederland) wordt trouwens eerder gekenmerkt met de typering ‘brownse bewegingen ’.

Dit heb ik ook – als troost bedoeld – gezegd tegen een vriend die zich zorgen maakt dat het nu de Vrije Universiteit is die met haar opleiding tot boeddhistische chaplain kans lijkt te gaan zien het Nederlandse boeddhisme te gaan institutionaliseren en de toekomstige boeddhistische leiders ambieert te kunnen gaan opleiden.
“Ik denk dat ze dat niet lukt, dat daarvoor de anarchistische kracht in het boeddhisme te groot is”.

Natuurlijk overdrijf ik en heeft de technocraat in mij (ik heb m.i. geen Boeddha-natuur maar wel ben ik technocraat in het diepst van mijn gedachten) het soms te kwaad als ik de chaos zie of voorzie.
Met name als ik boeddhistische beunhazerij zie. Maar dat verschijnsel is niet op te lossen met meer organisatie, eerder met meer boeddhistische journalistiek.

Ter voorkoming van misverstand: de veelvormigheid van het boeddhisme waardeer ik en ook de onmogelijkheid die te reduceren of (door de overheid bv) te ordenen. Juist door die veelvormigheid heeft het in zo veel verschillende tijden en culturen gestalte kunnen krijgen en nieuwe aanhangers vinden.
Maar tegelijk is de beoefening van het boeddhisme (van welke vorm dan ook, durf ik te zeggen) een kwestie van discipline, van een gekozen vorm niet zomaar weer verlaten voor een andere.
Het is ook geen vorm van religieus relativisme (in de trant van: alle religies en alle vormen van boeddhisme komen in wezen op hetzelfde neer): integendeel, ik vind dat er veel te makkelijk wordt gepraat over ´skilful means´, over ´upaya´.

Kortom: ik ben geen anarchistisch boeddhist; leve het anarchistische boeddhisme !

vrijdag 13 juli 2012

Geestelijke verzorging niet alleen vanuit de kerk of sangha en niet alleen vanuit de VU

De aankondiging van de VU dat in september 2013 de opleiding van boeddhistisch geestelijk verzorger gaat starten (master, gevolgd door ambtsopleiding), suggereert dat die mogelijkheid er nu nog niet is.
Ten onrechte. Er zijn diverse opleiding voor geestelijk verzorger, evenals die van de VU geacrediteerd.
Die opleidingen zijn echter algemeen, dus niet aan een bepaald geloof (zoals één van de christelijke als het protestantse of één van de boeddhistische geloven) gekoppeld.
Zie de lijst van geaccrediteerde opleidingen van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers, hier en hier. Die hebben waarschijnlijk de toekomst in het veld van de geestelijke zorg, zie het artikel hieronder.

Wel weten de meeste huidige in de zorg werkzame geestelijk verzorgers of sociale raadslieden) er worden diverse termen voor het beroep gebruikt) te weinig van het boeddhisme.
Want natuurlijk zijn er clienten en patienten in de zorginstellingen die boeddhist zijn of in ieder geval graag vanuit het boeddhisme steun willen ontvangen.
Daar is echter iets anders, iets aanmerkelijk sneller dan een complete boeddhistische VU-opleiding voor mogelijk, die door haar contract met de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) ook nog eens suggereert daar een monopolie op te hebben.

Voorzover een zendende instantie nog belangrijk is in de zorgsector, is de BZI zeker - in de toekomst - niet de enig mogelijke vanuit de boeddhistische gemeenschap. De BZI staat sterk onder invloed van de Dienst Geestelijke Verzorging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Te sterk, meen ik, daar zal ook de evaluatie door het KASKI niets aan veranderen. In een eerdere blog heb ik al beschreven dat er ook andere boeddhistische ´zenders´ zoals verenigde boeddhistische leraren kunnen komen.
Maar de meeste boeddhisten in Nederland zijn ongeorganiseerd en ongebonden, dus waarom ook de boeddhistisch geestelijk verzorgers niet?
Belangrijker dat het zenden is de kennis van het boeddhisme door geestelijk verzorgers, ´kennis´ van binnen uit, door het zelf beoefend te hebben en nog te beoefenen, al dan niet gecombineerd met het beoefenen van andere levensbeschouwingen
Met dat doel stel ik het volgende voor, aan de diverse reeds geaccrediteerde opleidingen voor geestelijk verzorgers:

Organiseer een geaccrediteerde nascholing boeddhisme

Een nascholing zoals bedoeld voor het in het veld werkzame geestelijk verzorgers / raadslieden.
Zie voor die accreditatie hier en hier .
Het is niet mijn deskundigheid en niet mijn taak hier als blogger gedetailleerd te beschrijven waar zo´n nascholing uit zou moeten bestaan.
Naast kennis van (de beoefening van) de diverse tradities denk ik wat betreft het boeddhistische in de geestelijke verzorging zelf aan het in oktober te verschijnen handboek
´Arts of Contemplative Care
Pioneering Voices in Buddhist Chaplaincy and Pastoral Work
´ Zie hier


Passages uit een artikel uit het Nederlands Dagblad van 6 juli 2012 ( Bron ) :

“Het is een trend in zorginstellingen algemeen geestelijk verzorgers (gv'ers) te benoemen in plaats van door de kerk gezonden geestelijk verzorgers.
Dat zegt stafmedewerker Christien den Draak van de Vereniging van Geestelijke Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) naar aanleiding van het bericht dat het Deventer Ziekenhuis haar geestelijke verzorging een 'bredere invulling' wil geven.
Eerder al vertrok een rooms-katholieke gv'er; nu heeft zijn protestantse collega - ds. Johan Weijenberg - een beroep aangenomen naar een gemeente. Voor hem wordt een algemeen verzorger gezocht, waardoor de kerkelijke presentie binnen de geestelijke verzorging in het ziekenhuis is verdwenen. 'Er zijn zo veel geloofs-smaken, dat wij menen dat een bredere geestelijke verzorging nodig is. Breder dan het werkveld voor een rooms-katholieke pastor of een predikant', licht een woordvoerder van het Deventer Ziekenhuis toe.
Volgens Den Draak heeft de trend om algemeen gv'ers te benoemen te maken met de nieuwe opleidingen voor geestelijke verzorging die zijn gekomen aan de universiteiten in Groningen,
Utrecht, Nijmegen en Amsterdam. 'Deze opleidingen leveren steeds meer mensen af. Zij hebben een brede religiewetenschappelijke basis gekregen, met een op geestelijke verzorging toegespitste master. Het is logisch dat de zorginstellingen deze gekwalificeerde mensen willen binnenhalen.'
...
De klassieke theologieopleidingen leveren steeds minder geestelijk verzorgers af. Den Draak schat zo'n tien per jaar. Dat aantal is in de loop der jaren flink afgenomen. Nu nog zijn de meeste geestelijke verzorgers door een kerk of het Humanistisch Verbond uitgezonden, zeker 750 van de 850 leden van de VVGZ, vertelt de stafmedewerkster. 'Maar het aantal niet-gezonden geestelijk-verzorgers neemt zeker toe.'
Het begrip algemeen verzorger wil overigens niet zeggen dat deze persoon niet gelovig zou zijn.
'Zeker niet, in de meeste gevallen is het iemand met een rooms-katholieke of protestantse achtergrond', aldus Den Draak.
De VGVZ-medewerkster merkt wel dat bij het besluit om algemeen gv'ers aan te stellen een vooroordeel kan meespelen. 'Een directie denkt dan dat een predikant er alleen is voor ziekenhuispatiënten die naar de kerk gaan. Dat is een misverstand. Een theologisch opgeleide geestelijk verzorgers met een kerkelijke binding is er voor iedereen.'
....
“

dinsdag 10 juli 2012

Een aangevuld verslag van het gesprek van het KASKI met mij

Het onderstaande is het concept-verslag zoals opgesteld door dr. Ton Bernts van het KASKI over het gesprek van hem en prof Paul van der Velde met mij, met toevoegingen van mij: deels punten die volgens mij ook gezegd waren en deels aanvullingen achteraf.
Zie ook mijn primaire reflectie op dit interview hier .

De inhoud van onderstaande is door genoemde aanpassingen voor mijn verantwoording (paragraaf A).

Een aparte aanvulling, een paar dagen na het retourneren van het verbeterde verslag aan het KASKI gestuurd was naar aanleiding van het uitkomen van het evaluatierapport van het KASKI over de Nederlandse Hindoe Raad (zie hier .)
Dat voeg ik ook hier met als openingswoord ‘herstructurering’ toe (paragraaf B).

Tenslotte, op mijn Kaski-dossier compleet te maken, voeg ik ook een reactie toe die ik onlangs op de site van *OpenBoeddhisme* heb geplaatst. (paragraaf C)
Zie voor de context hier .


A. Maar eerst het Kaski-verslag, met hier en daar een aanvulling, die ik hier cursief zet.

“Vooraf heeft Romeijn schriftelijk al gesteld dat de criteria van deze evaluatie enigszins afwijken van de criteria zoals opgenomen in de ´Erkenningsovereenkomst´ tussen Justitie en de BUN uit november 2008. Met name het eerste criterium ('representativiteit') dient z.i. wel in de geest van artikel 2 lid 4 van de 'Erkenningsovereenkomst' worden begrepen.

Romeijn is een belangrijke zegsman namens de niet-georganiseerde boeddhisten in Nederland, en als zodanig ook geïnterviewd door de werkgroep Lotusbloem.. Niet-georganiseerd betekent niet aangesloten bij een sangha. Romeijn is overigens lid van een meditatiegroep in de Theravada traditie. Deze groep is weer aangesloten bij de SIM.

Romeijn begint het gesprek door te zeggen het niet verstandig te vinden (ook wetenschappelijk gezien) dat de opdrachtgever van deze evaluatie ermee heeft ingestemd dat (op verzoek van het BUN-bestuur) de BUN-leden hun vragenformulier na de ledenvergadering van 9 juni mochten terugsturen. Op deze wijze hebben de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) kunnen afstemmen.
Dit met name (toevoeging achteraf) omdat hij toch al de indruk heeft gekregen dat de opdrachtgever net zo lang de evaluatie heeft uitgesteld en de evaluatiecriteria heeft aangepast in de hoop dat er een keer een positief evaluatie-moment aanbreekt.


1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben volgens Romeijn vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000 personen. Het totale aantal boeddhisten in Nederland is moeilijk te schatten. Romeijn meent dat het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal is. Dit betekent dat de BUN slechts zo’n 6% van de boeddhisten in Nederland representeert.
Romeijn stelt dat het probleem rond de BUN ontstaat, omdat de overheid een formele vertegenwoordiging van het boeddhisme wil als contactorgaan. De BUN had meer afstand moeten bewaren tegenover deze wens van de overheid. Want de BUN kan z.i. niet namens de boeddhisten in Nederland spreken.

Romeijn meent dat er ook geen zendende instantie nodig is voor de gv bij justitie. Hij verwijst hiervoor mede naar de regeling van Albayrak dat gv ook op declaratiebasis door leraren gedaan zou kunnen worden. M.a.w., een terugkeer naar de oude situatie.
Romeijn stelt dat de BUN trouwens ook te weinig expertise heeft om deze gv aan te sturen en vorm te geven, want men heeft zich bijvoorbeeld ook nog geen enkele gedachte gevormd over gv in de zorgsector. Daarom heeft hij daar zelf een studie aan gewijd en erover gepubliceerd in zijn blog.
Overigens gaat het in de zorgsector ook zonder zendende instantie. Daarbij speelt dat de BUN uiteraard geen leergezag heeft. Dat blijkt ook straks als de afgestudeerden van de ambtsopleiding een zending krijgen van een leraar, en niet van de BZI. Romeijn meent dat het belangrijk is dat er vanuit het Nederlandse boeddhisme een pastorale traditie wordt ontwikkeld. In dit verband is er ook nog onduidelijkheid over de verhouding tussen de ‘buddhist chaplains’ die straks van de ambtsopleiding komen, en de leraren.

Romeijn heeft met enkele medestanders herhaaldelijk bij de BUN aangekaart om ook de niet-georganiseerde boeddhisten toe te laten tot de vereniging. Hij verwijst naar het Duitse model, waarbij de individuele boeddhisten 3 stemmen hebben in de ledenvergadering. Dit zou de representativiteit en de legitimiteit van de BUN verhogen, al blijft het een benadering omdat men moeilijk de grote groep niet-georganiseerde boeddhisten kan vertegenwoordigen. Bovendien kan de BUN, eventueel ook via de leden, op die manier ook zorg dragen voor de individuele boeddhisten, bijvoorbeeld huiskamergroepen te organiseren en een klankbord voor hen te vormen. Hieraan is een gemis in de boeddhistische gemeenschap. De BUN hanteert steeds het argument dat men maar lid van een sangha moet worden. In het verleden is wel gepoogd om de Stichting Vrienden van het Boeddhisme om te bouwen tot een platform voor de ongeorganiseerde boeddhisten. Dat heeft de SVB uiteindelijk niet gedaan.

Romeijn meent dat de persoonlijke verhoudingen op dit moment toelating van de niet-georganiseerde boeddhisten bemoeilijken (dat wil zeggen dat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden) ; niettemin heeft de laatste ALV ingestemd met het voorstel van de werkgroep Lotusbloem om te onderzoeken hoe een platform gecreëerd kan worden voor de ongebonden boeddhisten. Romeijn heeft echter geen enkele verwachting dat de BUN nog een draai kan maken en vindt het beter iets nieuws te starten.

Romeijn wijst (in een aanvulling achteraf) op de brief van BUN-voorzitter André Kalden van 25 juni 2012. Daarin wordt gemeld dat de leden dit onderwerp weinig prioriteit hebben gegeven. In dit jaar zal er niets aan dit onderwerp gebeuren.

Een andere mogelijkheid is dat de overheid de BUN erkent als vereniging van sangha’s, bijvoorbeeld voor wat betreft de BOS. Maar de pretentie dat de BUN daarmee het grootste deel van de boeddhisten vertegenwoordigt, is niet vol te houden. En dat is toch de legitimiteit die Justitie vereist voor een zendende instantie, namelijk voor het boeddhisme representatief (en niet slechts voor het georganiseerde boeddhisme).

Romeijn meent wel dat de meeste stromingen in de BUN zijn vertegenwoordigd, hij noemt als ontbrekende stromingen/groepen de Nicherin, en enkele Tibetaanse groepen die zich niet goed verstaan met de Maitreya groep. En uiteraard het zogenaamde ‘seculiere’ of westerse boeddhisme dat grote aanhang heeft bij de ongebonden boeddhisten. Maar deze groep heeft zich zoals gezegd nog niet georganiseerd en blijft daarom onzichtbaar. Overigens kent dit seculiere boeddhisme diverse rituele en devotionele aspecten, en is als zodanig te onderscheiden van mindfulness als pure psychotherapie.

2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?
Romeijn denkt van wel, maar dan zoals al aangegeven expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat, meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.

3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?
Nee. Bij allerlei ontwikkelingen staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO (of een andere omroep) heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.

Romeijn meldt een recente terugvordering van € 50.000 plus een boete die de BUN recentelijk heeft gekregen van het Commissariaat voor de Media vanwege het onjuist gebruiken van omroepmiddelen bij de aanvraag voor een zendmachtiging voor 2010-2015 toont volgens hem pijnlijk aan dat de BUN alleen maar in naam de aanvrager is geweest omdat dat van de Mediawet zo moet; de BOS heeft de regie ervan geheel in eigen hand gehouden.
Het geheel maakt een klungelige indruk.


Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om. De eigen website vervult geen forumfunctie. Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl.

Gebrek aan effectiviteit blijkt ook uit het eerder aangekaarte feit dat de BUN de ongebonden boeddhisten in de kou laat staan. Deze zwakke effectiviteit wordt mede veroorzaakt doordat de leden van de BUN vooral met zichzelf bezig zijn en weinig bijdragen aan de taken die de BUN zou dienen te vervullen voor de boeddhistische gemeenschap. Er is ook weinig animo om bestuurder te worden. Hier en daar doen sangha’s wel op eigen initiatief activiteiten.
In de loop der jaren is het aantal activiteiten buiten BZI en BOS teruggelopen, zoals studiedagen en de vroeger jaarlijks georganiseerde ‘Change-your-mind-day’. De organisatorische kracht is nihil, mede ook door het verdwijnen van de Achmea-inkomsten per 2011.
Ook aan het maatschappelijke debat, bijvoorbeeld over duurzaamheid of ritueel slachten, wordt vanuit de boeddhistische visie(s) niet bijgedragen.
Werkgroepen die die BUN heeft gehad rond geëngageerd boeddhisme, onderwijs en ´boeddhisme en sterven´, zijn al weer een aantal jaar geleden ermee gestopt.
Ook aan de ondersteuning van sangha’s wordt volgens Romeijn niets gedaan.

4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?
Hoewel Romeijn niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet tot welke traditie ze behoren, meent hij dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is. Romeijn vraagt zich af of etnische boeddhisten een geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.

5. Werkgroep Lotusbloem
De werkgroep komt voort uit het conflict over bevoegdheden tussen de professionele ‘dochters (BOS en gv)’ en het door vrijwilligers bestuurde en bemensde BUN. Om dat op te lossen heeft men de dochters semi-autonoom gemaakt via delegatieovereenkomsten, maar die gingen toen (mn de BOS) sterk hun eigen gang, los van de BUN. De leden hadden op deze manier te weinig inspraak en beslissingsbevoegdheid.
Romeijn meent dat de aanbevelingen van de werkgroep te ambitieus zijn, gezien de huidige bestuurskracht van de BUN. De gebrekkige communicatie tussen BZI en BUN bleek bijvoorbeeld weer onlangs uit de bijgestelde definitieve overeenkomst met de VU, waarvan de leden van de BUN niet op de hoogte waren. In dit verband vraagt Romeijn zich af of de BZI voldoende inspraak heeft in het beleid rond de gv en voldoende tegenwicht kan bieden aan de hg, mede gezien ook de onderlinge persoonlijke verhouding tussen hg en voorzitter BZI. Overigens zou er voor de zorgsector een andere zendende instantie ingesteld kunnen worden.

Achteraf schrijft Romeijn hierover in zijn blog en meldt aan ons:
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.`


Romeijn vraagt zich af of de BZI voldoende deskundigheid in huis had om met de VU te onderhandelen. Zijn indruk (zoals hij in zijn blogs heeft geanalyseerd) is dat de BZI en daarmee de BUN door de V.U. is ‘ingepakt’.

6. De beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger
Romeijn herinnert kort aan een aantal van zijn blogs waarin hij ingaat op dit vierde evaluatiecriterium waaraan het Kaski de BUN moet toetsen:
“ beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger “
Hij memoreert dat het in de ‘Erkenningsovereenkomst’ iets stelliger staat:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is. “
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.

Aan het eind van het gesprek wijst Romeijn op een in zijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloemgemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland.“
Nee, zegt hij: het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN zo klein (onder de tien procent).”



B. Herstructurering van en aantal aanvullingen op mijn (=Joop R)
eerdere antwoorden en opinies aan de hand van de systematiek
van het Kaski-rapport “Evaluatie Hindoe Raad Nederland”

De indeling in 16 criteria zoals gebruikt in dit rapport bieden me een kapstok mijn opvattingen nog eens te structureren. Ik beperk me tot criteria 1, 3, 4, 10 en 15
Vooraf moet ik opmerken dat, HRN en BUN-BZI vergelijkend, het Kaski het lastig zal krijgen om in haar rapport over de boeddhisten te bepalen wanneer over de BUN en wanneer over de BZI gesproken moet worden. Immers de BUN is `erkend´ door Justitie en moet dus geëvalueerd worden maar de daarbij horende taken heeft het BUN-bestuur vrijwel geheel weggeven aan de (stichting) BZI.

Criterium 1: De HRN vertegenwoordigt voldoende groeperingen uit de hindoe gemeenschap
Zoals ik al uitvoerig heb beschreven, vertegenwoordigt de BUN expliciet (zie ook de bijlage bij criterium 4) niet de ´groeperingen´ van de ongeorganiseerde boeddhisten.
Op pag 15 van het rapport wordt melding gemaakt van de ´Representativiteitstoets Hindoeraad Nederland´, waarmee de huidige situatie wordt vergeleken. Er is voor de erkenning van de BUN eind 2008 voor de BUN nooit zo´n toets geweest, de toenmalige BUN-voorzitter is zomaar op zijn woord geloofd.

Criterium 3: De HRN vervult een effectieve rol voor de hindoe gemeenschap,
zowel intern als naar de Nederlandse samenleving

Hierover heb ik al genoeg geschreven dat de BUN deze rol voor de boeddhistische gemeenschap niet speelt en m.i. ook niet kan spelen. Ook het rapport van het Werkgroep de Lotus Bloem benoemt dit probleem.

Criterium 4: De HRN wordt gekenmerkt door bestuurlijke en financiële stabiliteit en continuïteit
In mijn ogen is er sinds 2009 van een permanente crisis bij de BUN sprake. Vele bestuursmutaties, ontbreken van jaarstukken en dreigen met moties van wantrouwen zijn daar een voorbeeld van. De relatieve rust van dit moment lijkt meer op de rust van het graf.
Bij dit criterium is één van de gegevens aan de hand waarvan wordt beoordeeld, het eventueel wijziging van de statuten in de periode waarover geëvalueerd wordt. De heeft bij de BUN in april 2009 plaatsgevonden, met aan aantal wijzigingen is de mogelijkheden dat individuele boeddhisten betrokken kunen worden bij het BUN-beleid uitgesloten, zie bijlage !

Criterium 10: Er is vanuit de HRN respectievelijk de hoofd-geestelijke voldoende inhoudelijke aansturing van de geestelijke verzorging
De aansturing moet door beide instanties plaatsvinden, blijkt uit de tekst op pag 39-41.
Dat Varamitra als HBGV heeft aangestuurd, geloof ik graag. Op 39 wordt vermeld dat het in 2010 benoemde hoofd geestelijke voor de hindoe denominatie (volgens de DGV) voldoet aan de geldende ambtelijke en ambtenaarlijke functievereisten. Dit geldt niet voor het (via een onduidelijke procedure direct na de voorlopige erkenning) hoofd BGV: geen academicus en geen geestelijk verzorger geweest
De vraag is vervolgens of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BZI sprake is (geweest)?
De vraag is nog sterker of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BUN sprake is (geweest)?
Ik ken geen enkele tekst van BUN of BZI die daarop wijst. Met jalouzie lees ik op pag 40 van het Kaski-rapport over een door de HRN geaccordeerd ‘Filosofisch Kader Hindoe Geestelijke Verzorging’.

Criterium 15: Uiterlijk 22 juni 2012 gaat de universitaire opleiding tot hindoe geestelijk verzorger van start
De datum van 22 juni 2012 is te begrijpen omdat de HRN in juni 2009 voorlopig erkend is.
De BUN is voorlopig erkend november 2008. Het criterium bij de evaluatie van de BUN zou dus moeten zijn dat de opleiding er november 2011 had moeten zijn. De voorlopige erkenningsovereenkomst is in november 2011 verlengd tot het moment dat de evaluatie volledig is afgerond. Dat kan toch niet betekenen dat de opleiding er pas hoeft te zijn als de evaluatie is afgerond? Dat zou toch merkwaardig zijn: dan wordt de evaluatie uitgesteld (door het ministerie) net zo lang tot aan alle criteria wordt voldaan?
Op pag 53 van het Kaski-rapport staat: `Voor de VU is de status van de HRN als zendende instantie van uiterst belang. Wordt de HRN deze status ontnomen, dan verliest het opleidingstraject in kwestie daarmee volgens de VU een groot deel van zijn maatschappelijke legitimering en inbedding. De VU zorgt immers voor de academische kwalificaties, de HRN voor een contextgerelateerde afstemming en daadwerkelijke zending.´
Het zou onjuist zijn als een dergelijke quote van de VU in het evaluatie-rapport over de BUN wordt opgenomen. Het suggereert dat de BUN door Justitie erkend moet worden omdat anders de VU-opleiding in de lucht komt te hangen, dat lijkt mij een ondernemersrisiko van de VU.
Bovendien heb ik al aangegeven dat het mogelijk en zelfs wenselijk dat er er voor gv door boeddhistische ´chaplains´ in de zorgsector een nieuwe zendende instantie gaat komen; daar is erkenning door het ministerie van Veiligheid en Justitie helemaal niet voor nodig.


C. Een reactie van mij in *OpenBoeddhisme* bij het item ‘Kaski reageert niet op MOA-vragen’

Na het bestuderen van het reeds voltooide evaluatierapport van de Nederlandse Hindoe Raad en als geïnterviewd niet-BUN-lid in de evaluatie van de BUN denk ik dat het methodologische probleem een ander is dan Lex Olivier van de MOA construeert.
Het bevragen van de BUN-leden is een nogal marginaal onderdeel van het beleidsonderzoek van het Kaski. Ik neem aan dat de lage respons en het veel op elkaar lijken van antwoorden de betekenis van het resultaat daarvan nog verder verzwakt, ook in de analyse van de onderzoekers.
Maar hoe groot is die betekenis?
Want het grootste probleem is: hoe heeft het Kaski bepaald dat het functioneren van de Hindoeraad als zendende instantie voldoende is? Dat is namelijk de slotconclusie in hun rapport.
De oorspronkelijke voorwaarden van de voorlopige erkenning door het ministerie van Justitie ruim drie jaar geleden zijn verfijnd tot 16 criteria. Op elk daarvan zou het Kaski in theorie een cijfer kunnen geven, tussen zeer goed en zeer onvoldoende. En dan zou met een bewerking van die 16 cijfers een eindoordeel bepaald kunnen worden. Die werkwijze was er misschien wel maar heb ik niet ontdekt in het rapport.
Wogen ze alle 16 even zwaar? Dat zou niet terecht zijn, vind ik, want nogal wat criteria gaan over het functioneren van de geestelijke verzorging binnen Justitie en maar een enkele over de kwaliteit van de zendende instantie terwijl juist die geëvalueerd moest worden.
Voor mij zou de vraag aan het Kaski daarom moeten zijn: hoe worden de 16 deelresultaten bepaald en hoe omgezet in een gewogen eindadvies?
Ik ga er van uit dat het Kaski in de rapportage over de BUN-evaluatie (die laat nog wel ruim een maand op zich wachten) op deze vragen uitvoeriger in zal gaan dan zij in de rapportage over de Hindoeraad heeft gedaan.
Het Kaski-rapport over de Hindoeraad is hier te vinden:
Kennisname ervan is nuttig, ook om de MOA-vragen beter te begrijpen.



Bijlage ad B, criterium 4
De belangrijkste verschillen tussen de BUN-Statuten van 2006 en 2009


De ledenvergadering van de BUN van 18 april 2009 heeft de tot dan geldende statuten (laatstelijk gewijzigd in 2006), op een aantal punten aangepast.
De nieuwe statuten (verder genoemd versie 2009) zijn op 12 oktober 2009 notarieel vastgelegd.

Artikel 2 lid 1 Uit de versie van 2006 is m.b.t. de doelstelling ‘behartigen van belangen’ in 2009 GESCHRAPT de passage: “en personen welke zich met het boeddhisme verbonden weten”.

Artikel 2 lid 2 van de statuten versie 2006
“Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door, steeds handelend in overeenstemming met de boeddhistische gedragscode,
- contacten te onderhouden met al die organisaties, groeperingen EN INDIVIDUEN, welke contacten voor de realisering van haar doelstellingen zinvol zijn, zowel binnen Nederland als daarbuiten;
- het verlenen van praktische hulp en bijstand aan in Nederland werkzame boeddhistische groeperingen en in Nederland levende boeddhisten EN PERSONEN die zich met het Boeddhisme verbonden weten;
...
“
Het verschil tussen de versie van 2006 en die van 2009 is het GESCHRAPT zijn in versie 2009 van de (door mij) vet en groot gemaakte woorden in de versie van 2006.

Artikel 8 van de Statuten versie 2006
“1. Donateurs zijn zij, die door het bestuur als donateur zijn toegelaten. Het bestuur is bevoegd het donateurschap door schriftelijke opzegging te beëindigen.
Donateurs zijn verplicht jaarlijks aan de vereniging een geldelijke bijdrage te verlenen, waarvan de minimale omvang door de algemene ledenvergadering wordt vastgesteld.
Donateurs hebben uitsluitend het recht om de algemene ledenvergadering bij te wonen. Zij hebben daarin geen stemrecht, maar wel het recht om het woord te voeren.
“
In de Statuten versie 2009 is dit hele artikel dat individuen, bv ongeorganiseerden, de mogelijkheid van spreekrecht bood, VERVALLEN.