Buddhist Global Relief (BGR) is een Amerikaanse internationaal georiënteerde actiegroep. Oprichter en voorzitter is de bekende Theravada-monnik Bhikkhu Bodhi . Het is echter een traditie-overstijgende organisatie. Hun website www.buddhistglobalrelief.org/
Het centrale thema van BGR is: honger; op wereldschaal.
Hun activiteiten bestaan uit bewustmaking en geld inzamelen. Bijvoorbeeld van 'Walk Events', gecombineerd met vinden van sponsors.
Het klinkt zo eenvoudig, maar ze doen het.
Centraal staat het begrip 'voedsel-souvereiniteit' :
"BGR seeks to promote food sovereignty rather than food dependency. The concept of food sovereignty is based on the principle that “everyone must have access to safe, nutritious, and culturally appropriate food in sufficient quantity and quality to sustain a healthy life with full human dignity” (see www.viacampesina.org). Our projects are intended to enable our beneficiaries to develop projects that they themselves can implement and manage for the benefit of their own communities. "
Wat me zo aanspreekt in dit initiatief is niet alleen de doelstelling en werkwijze op zich. Die zijn niet volstrekt uniek. Bijzonder – voor mij – is dat de initiatiefnemer Bhikkhu Bodhi is.
Al vanaf het moment dat ik het boeddhisme ontdekte en me bij de Theravada-vorm het meeste thuis voelde, is Bhikkhu Bodhi een baken voor me geweest, in meerdere betekenissen. Volstrekt betrouwbaar om te weten wat de Pali Canon en de Theravada inhoudt, als vertaler en toelichter. Bijvoorbeeld over het Edele Achtvoudige Pad. Z'n vertalingen van de Samyutta Nikaya en de Majjhima Nikaya neem ik vaak ter hand, van de Anguttara Nikaya heb ik een selectie van hem en zijn leraar Nyanaponika Thera; zie z'n uitgever Wisdom .
Maar ook ergerlijk in z'n orthodoxie, z'n trouw volgen van Buddhaghosa (6e eeuw van onze jaartelling) met de Visuddhimagga en andere commentaren.
Veel van z'n teksten zijn (gratis) online te lezen, onder andere via Accesstoinsight.org
Soms ben ik het met hem eens, bv in z'n kritiek op het non-dualisme ('Dhamma and Non-duality').
Dan weer volstrekt niet als hij Stephen Batchelor's 'Boeddhisme zonder geloof' bestrijdt, zie het 'Journal of Buddhist Ethics'
Een jaar of wat geleden is hij van Sri Lanka teruggegaan naar de Verenigde Staten, z'n geboorteland. Z'n gezondheidstoestand speelde daarbij een rol maar m.i. ook het feit dat Sri Lanka steeds minder een spiritueel hoogstaand land genoemd kan worden.
In de V.S. verblijft hij in een Chinees-boeddhistisch klooster – de Chuang Yen Monastery – ook al een doorbraak in de qua tradities sterk gesegregeerde boeddhistische cultuur, ook in het Westen.
Als zo'n stijve, wereldvreemde, inmiddels tamelijke oude Theravada-monnik die het in z'n leven meer over renunciatie dan over compassie heeft gehad (laat staan over 'actie'), zo'n initiatief heeft genomen, dan is het dus hard nodig en dan kunnen anderen het ook.
Ik vertaal 'Buddhist Global Relief' als 'Boeddhistische Globale Verlichting', mij goed realiserend dat 'verlichting' hier niet de ultieme verlichting oftewel 'Ontwaken' betekent maar letterlijk 'lichter maken'. Woordenboek-betekenissen van het Engelse 'relief': opluchting, opheffing, ontheffen, hulp, ontzet (van een belegerde stad). Maar ook: reliëf.
Er is een tweede reden voor m'n gebruik van het woord 'hulpeloos' in de titel van deze tekst.
Niet alleen vanwege m'n beperkte (ver)taalgevoel maar ook omdat ik graag zou willen dat er ook in Nederland een organisatie als de BGR zou komen maar niet denk dat het mij of iemand anders zal lukken dat hier van de grond te krijgen.
M'n poging tien jaar geleden een landelijke 'Werkgroep geëngageerd boeddhisme' te starten is maar heel beperkt aangeslagen. Ongetwijfeld door m'n gebrek aan charisma maar toch ook wel omdat de meeste 'boeddhisten' in Nederland vrijblijvend beoefenen of àls ze geëngageerd zijn, dat niet aan hun beoefening koppelen.
De meesten prefereren mooie gevoelens boven in actie komen. In mijn minder milde dagen noem ik dat wel labbekakkerig.
Maar wie weet …
Bekijk eens de video's waarin Bhikkhu Bodhi een 'Integral Model of Buddhism ' uiteenzet:
Part 1 of 7 en volgende.
"Een poging een model te ontwikkelen voor het begrijpen en beoefenen van het Boeddhisme op een wijze die geschikt is voor het postmoderne stadium van de evolutie van de geest."
=======================================================================
Een aantal citaten uit de website www.buddhistglobalrelief.org/
Our History
In 2007 the American Buddhist scholar-monk, Ven. Bhikkhu Bodhi, was invited to write an editorial essay for the Buddhist magazine Buddhadharma.
In his essay, he called attention to the narrowly inward focus of American Buddhism, which has been pursued to the neglect of the active dimension of Buddhist compassion expressed through programs of social engagement. Several of Ven. Bodhi’s students who read the essay felt a desire to follow up on his suggestions. After a few rounds of discussions, they resolved to form a Buddhist relief organization dedicated to alleviating the suffering of the poor and disadvantaged in the developing world. At the initial meetings, seeking a point of focus, they decided to direct their relief efforts at the problem of global hunger, especially by supporting local efforts by those in developing countries to achieve self-sufficiency through improved food productivity. Contacts were made with leaders and members of other Buddhist communities in the greater New York area, and before long Buddhist Global Relief emerged as an inter-denominational organization comprising people of different Buddhist groups who share the vision of a Buddhism actively committed to the task of alleviating social and economic suffering.
Our Vision
We are inspired by the vision of a world in which debilitating poverty has finally been banished; a world in which all can avail themselves of the basic material supports of a meaningful life—food, clothing, housing, and health care; a world in which everyone can achieve a satisfactory level of education and freely pursue that which gives their life value and purpose; a world in which all people dwell in peace and harmony with one another and with the natural environment.
“May I be a good doctor for those who suffer from illness,
a guide for those who have gone astray,
a lamp for those who dwell in darkness,
a source of treasure for those in poverty and need.”
- Vows of Samantabhadra, Avatamsaka Sutra
Our Mission
Our mission is to combat chronic hunger and malnutrition. Bearing in mind the Buddha’s statements that “hunger is the worst kind of illness” and “the gift of food is the gift of life,” we sponsor projects that promote hunger relief for poor communities around the world. We pursue our mission by:
* providing direct food aid to people afflicted by hunger and malnutrition
* helping develop better long-term methods of sustainable food production and management appropriate to the cultures and traditions of the beneficiaries
* promoting the education of girls and women, so essential in the struggle against poverty and malnutrition
* giving women an opportunity to start right livelihood projects to support their families.
We also seek to raise awareness of global hunger and advocate for an international food system that exemplifies social justice and conduces to ecological sustainability.
How BGR Operates
BGR operates by raising funds for food relief and related projects from both private donors and philanthropic organizations. We work in partnership with agencies, institutions, and relief organizations already operating on the ground in the communities that our projects serve. We closely screen proposals for projects from prospective partners and collaborate with organizations that have established a track record of effectiveness and responsibility. We receive full reports about the projects we sponsor and share the results with our supporters on our website and in our newsletter and annual reports.
Our emphasis is not on disaster relief or crisis management but on fostering better long-term methods of sustainable food production and distribution designed to ensure its beneficiaries a constant supply of healthy and nutritious food. We seek to promote food sovereignty rather than food dependency, that is, to enable our beneficiaries to develop food projects that they themselves can implement and manage for the benefit of their own communities. In sponsoring projects, we do not discriminate on the basis of nationality, ethnicity, gender, or religion
We also seek to address the root causes of poverty and malnutrition. Since one of the most persistent of these roots in traditional cultures is the subordinate status of girls and women, we offer food aid to needy families as an incentive to keep their girls in school. We also sponsor training and right livelihood opportunities for adult women, enabling them to earn more for their families.
Through our website, Facebook page, and blog, we seek to raise awareness about the extent of world hunger and to mobilize action to promote social justice on food-related issues.
Core Beliefs
As a Buddhist organization, BGR is inspired and guided by the teachings of Buddhism. Among the teachings central to our mission are:
•We should extend a mind of loving-kindness towards the entire world and regard each person as a member of our own family. For this reason, just as we would not want our parents, children, or other close relatives to suffer, we similarly feel moved to alleviate the suffering of countless unknown, unseen people throughout the world.
•All life on this planet is interconnected and interdependent. In particular, the current high standard of living in the West was largely founded on the labor and resources of those in the East and South. For this reason, we should seek to reciprocate their kindness by helping their descendents in their time of need.
•The endeavor to establish a just social and political order is integral to the Buddha’s teachings. The Buddha taught that it is the government’s duty to guard and protect all the residents of the land, eliminating poverty through state-sponsored deeds of charity. In our present international order, we who live in relative affluence should look after the needs of the destitute and broadly extend our range of concern to the entire global community.
Posts tonen met het label Pali-Canon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pali-Canon. Alle posts tonen
donderdag 12 december 2013
donderdag 5 december 2013
Boeddhisme en wetenschap; mogelijke toepassing: Dharmawiel en gyroscoop (en voertuigen)
Steeds als ik – bijvoorbeeld in een in Sutta – de uitdrukking 'de draaiing van het Wiel van de Dhamma ' lees, moet ik aan een gyroscoop denken. En nog meer bij 'het Wiel van de Dharma'.
Ik begin met een Sutta-tekst, zelfs uit wat vaak beschouwd wordt als de eerste Sutta, nr 56.11 uit de Samyutta Nikaya, de Dhamma Cakkappavattana Sutta .
Een citaat uit een Nederlandse vertaling 'Het wiel van de Dhamma' is hier vertaald als 'het wiel der wet'.
…..
“En gedurende deze uitspraak, verrees in de Eerwaarde Kondañña de hartstochtloze, onbevlekte visie van waarheid: 'Alles wat de aard van opkomen in zich heeft, heeft ook de aard van vergaan in zich.'
Toen het Wiel der Wet aldus door de Boeddha te Isipatana in beweging werd gezet, verkondigden de Bhummatha deva's (aardgoden) éénstemmig: 'Het onvergelijkbare wiel der wet is door de Gezegende in het hertenpark van Isipatana, nabij Varanasi, in beweging gezet en het is niet meer te stuiten door kluizenaar (samana), priester (brahmaan), hemelwezen (deva), de verzoeker (Mara), hoge goddelijkheid (deva's) of wie dan ook in de wereld'. “
Het wiel is in beweging gezet, het is gaan draaien dus. Of het daarmee (en het voertuig dat er aan vast zit) ook is gaan rijden, wordt feitelijk niet gezegd.
Vaak wordt de relatie gelegd tussen het boeddhisme en de moderne natuurwetenschap, de quantummechanika is dan een favoriet voorbeeld, meestal zoals ook in dit voorbeeld op onzinnige wijze.
Toch de vraag: is het draaien van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van een gyroscoop ?
Of als variant de meervoudvorm: zijn de draaiingen van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van gyroscopen ?
Of de actieve vorm: is het in beweging brengen van het wiel van de Dharma niet goed te vergelijken met het tot draaien brengen van een gyroscoop-wiel?
Voor de duidelijkheid: ik stel niet dat het misschien hetzelfde is, in denk dat de beeldspraak erg goed bruikbaar is en dat die beeldspraak verder ontwikkeld kan worden om het draaien van het wiel van de Dhamma (Pali) of Dharma (Sanskriet) beter te begrijpen.
Wikipedia legt uit: “Een gyroscoop is een rotatiesymmetrische massa die om zijn as kan draaien. Populair gezegd is een gyroscoop een tol. Met een gyroscoop kan de wet van behoud van impulsmoment gedemonstreerd worden: het vliegwiel blijft draaien als het eenmaal in beweging is. Een snel draaiende gyroscoop zal zich daarbij verzetten tegen verandering van de stand van de draaias. …
Wanneer een gyroscoop eenmaal in beweging is gebracht, zal door de wet van behoud van impulsmoment de draaias in dezelfde richting blijven. ” Bron: Wikipedia
De beeldspraak is op zich helder en fraai: het (door de Boeddha) in beweging gebrachte wiel blijft draaien, zoals een fietswiel als ik m'n fiets op de kop zet, bv om te zien of het wiel spoort.
De beeldspraak betreft twee zaken:
– de richting waarin het wiel draait, verandert niet
– het wiel blijft draaien
Beide alleen onder voorwaarden: In dezelfde richting tenzij er veel zijdelingse kracht op wordt uitgeoefend.
En het blijft draaien tenzij het door wrijvingsweerstand langzaam tot stilstand komt .
En met deze laatste voorwaarde komen de problemen in de geschiedenis van het boeddhisme.
Waarom blijft het wiel niet draaien? Heeft de Boeddha er geen goede zwieper aan gegeven zodat het na een paar duizend jaar tot stilstand komt? Of zelfs na een paar jaar al als je Mahayanisten moet geloven, want die spreken van een tweede (Mahayana) en derde draaiing (Tibetaans) door de Boeddha later in zijn loopbaan gegeven. Of na een paar honderd jaar als je naar de geschiedenis van het boeddhisme kijkt.
De beeldspraak wordt dan onduidelijk: gaf de Boeddha aan hetzelfde wiel nog een keer een zwiep? Of bracht hij naast het eerste wiel nog twee andere wielen in beweging die dus naast elkaar draaien? Volgens mij is daar niet over nagedacht.
Eerst een meer objectieve beschrijving van dit proces, uit de steeds opnieuw waardevolle Nederlandstalige website van White Jade River :
“ De term "Drie Cyclussen van het in Beweging Zetten van het Wiel van de Dharma" wordt in het bijzonder gehanteerd door de Mahāyāna-tradities uit de Himalayas, dus Tibet, Bhutan, Ladakh, en een deel van Nepal, plus het tibetaans boeddhisme zoals dat weer aan het herontstaan is in Mongolië, Kalmikië en nog een of twee nieuwe Republieken in Rusland.
De engelstalige pagina van wikipedia geeft het hele legendarische verhaal, want een groot deel van deze zienswijze is gebaseerd op legende. Een oudere of orthodoxe traditie zoals de Theravāda, meent dat het Wiel van de Dharma slechts een keer door Boeddha in beweging gezet is, en dat meer niet nodig was. Daar zit wat in.
Ook in chinese, koreaanse en japanse boeddhistische tradities komt het concept "Drie Cyclussen ... etc." niet of sporadisch voor, met uitzondering van de Huayen-traditie waarover hieronder meer.
In die Himalaya-tradities gaat men er dan van uit dat de eerste draai aan dat Dharmawiel door Boeddha werd gegeven toen hij in het Hertenpark in Sarnath, India, de Eerste Leerrede hield ten overstaan van zijn eerste 5 gezellen.
De tweede draai aan het wiel, zeggen genoemde kringen, werd gegeven toen Boeddha op de Gierenpiek, een heuvel nabij Radjgir, eveneens in India, voor het eerst predikte ten overstaan van bodhisattvas, verlichtte of verlichtende wezens. Hier, zo wordt gezegd, onderwees Boeddha (in meer uitgebreide vorm dan voorheen) het concept van ledigheid, sunyatā, en wel aan de hand van de Perfectie van Wijsheids-filosofie.
De derde draai aan het wiel zou dan vooral in de stad Shravastié, maar ook in andere plaatsen, gegeven zijn, en wel om de boeddhanatuur en de boeddhamatrix-leer te onderwijzen. De eerste tastbare bewijzen van de boeddhanatuur-filosofie vinden we pas in de manuscripten die door de chinese monnik Tao-Sheng zijn nagelaten.
Er wordt dan gezegd dat de chinese Huayen-traditie een "vierde Cyclus ... etc" predikte om de boeddhamatrix-leer uiteen te zetten zoals deze traditie dat wil verstaan. De Huayen sprak niet in termen van "cyclus", maar maakte een onderverdeling naar tijd vergelijkbaar met die van Zhiyi, de stichter van de T'ien-t'ai traditie. “
De enig denkbare oplossing voor de onduidelijkheid is om de gyroscoop-beeldspraak verder door te trekken.
In de ruimtevaart gaat het om bewegingen en oriëntaties in drie ruimtelijke dimensies. Om een satelliet met telescoop (bv de Hubble, zie website ) steeds in dezelfde richting te houden, zijn (minstens) drie gyroscopen nodig. Die draaiende assen daarvan staan dan loodrecht op elkaar !
Zouden ze (Mahayanisten) dit bedoelen? Dat er drie orthogonale draaiende wielen zijn? Zo'n voertuig beweegt dan niet meer, lijkt mij.
Ik vind één gyroscoop genoeg om het Pad te gaan. En helemaal geen voertuig: ik ga zelf wel.
Ik begin met een Sutta-tekst, zelfs uit wat vaak beschouwd wordt als de eerste Sutta, nr 56.11 uit de Samyutta Nikaya, de Dhamma Cakkappavattana Sutta .
Een citaat uit een Nederlandse vertaling 'Het wiel van de Dhamma' is hier vertaald als 'het wiel der wet'.
…..
“En gedurende deze uitspraak, verrees in de Eerwaarde Kondañña de hartstochtloze, onbevlekte visie van waarheid: 'Alles wat de aard van opkomen in zich heeft, heeft ook de aard van vergaan in zich.'
Toen het Wiel der Wet aldus door de Boeddha te Isipatana in beweging werd gezet, verkondigden de Bhummatha deva's (aardgoden) éénstemmig: 'Het onvergelijkbare wiel der wet is door de Gezegende in het hertenpark van Isipatana, nabij Varanasi, in beweging gezet en het is niet meer te stuiten door kluizenaar (samana), priester (brahmaan), hemelwezen (deva), de verzoeker (Mara), hoge goddelijkheid (deva's) of wie dan ook in de wereld'. “
Het wiel is in beweging gezet, het is gaan draaien dus. Of het daarmee (en het voertuig dat er aan vast zit) ook is gaan rijden, wordt feitelijk niet gezegd.
Vaak wordt de relatie gelegd tussen het boeddhisme en de moderne natuurwetenschap, de quantummechanika is dan een favoriet voorbeeld, meestal zoals ook in dit voorbeeld op onzinnige wijze.
Toch de vraag: is het draaien van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van een gyroscoop ?
Of als variant de meervoudvorm: zijn de draaiingen van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van gyroscopen ?
Of de actieve vorm: is het in beweging brengen van het wiel van de Dharma niet goed te vergelijken met het tot draaien brengen van een gyroscoop-wiel?
Voor de duidelijkheid: ik stel niet dat het misschien hetzelfde is, in denk dat de beeldspraak erg goed bruikbaar is en dat die beeldspraak verder ontwikkeld kan worden om het draaien van het wiel van de Dhamma (Pali) of Dharma (Sanskriet) beter te begrijpen.
Wikipedia legt uit: “Een gyroscoop is een rotatiesymmetrische massa die om zijn as kan draaien. Populair gezegd is een gyroscoop een tol. Met een gyroscoop kan de wet van behoud van impulsmoment gedemonstreerd worden: het vliegwiel blijft draaien als het eenmaal in beweging is. Een snel draaiende gyroscoop zal zich daarbij verzetten tegen verandering van de stand van de draaias. …
Wanneer een gyroscoop eenmaal in beweging is gebracht, zal door de wet van behoud van impulsmoment de draaias in dezelfde richting blijven. ” Bron: Wikipedia
De beeldspraak is op zich helder en fraai: het (door de Boeddha) in beweging gebrachte wiel blijft draaien, zoals een fietswiel als ik m'n fiets op de kop zet, bv om te zien of het wiel spoort.
De beeldspraak betreft twee zaken:
– de richting waarin het wiel draait, verandert niet
– het wiel blijft draaien
Beide alleen onder voorwaarden: In dezelfde richting tenzij er veel zijdelingse kracht op wordt uitgeoefend.
En het blijft draaien tenzij het door wrijvingsweerstand langzaam tot stilstand komt .
En met deze laatste voorwaarde komen de problemen in de geschiedenis van het boeddhisme.
Waarom blijft het wiel niet draaien? Heeft de Boeddha er geen goede zwieper aan gegeven zodat het na een paar duizend jaar tot stilstand komt? Of zelfs na een paar jaar al als je Mahayanisten moet geloven, want die spreken van een tweede (Mahayana) en derde draaiing (Tibetaans) door de Boeddha later in zijn loopbaan gegeven. Of na een paar honderd jaar als je naar de geschiedenis van het boeddhisme kijkt.
De beeldspraak wordt dan onduidelijk: gaf de Boeddha aan hetzelfde wiel nog een keer een zwiep? Of bracht hij naast het eerste wiel nog twee andere wielen in beweging die dus naast elkaar draaien? Volgens mij is daar niet over nagedacht.
Eerst een meer objectieve beschrijving van dit proces, uit de steeds opnieuw waardevolle Nederlandstalige website van White Jade River :
“ De term "Drie Cyclussen van het in Beweging Zetten van het Wiel van de Dharma" wordt in het bijzonder gehanteerd door de Mahāyāna-tradities uit de Himalayas, dus Tibet, Bhutan, Ladakh, en een deel van Nepal, plus het tibetaans boeddhisme zoals dat weer aan het herontstaan is in Mongolië, Kalmikië en nog een of twee nieuwe Republieken in Rusland.
De engelstalige pagina van wikipedia geeft het hele legendarische verhaal, want een groot deel van deze zienswijze is gebaseerd op legende. Een oudere of orthodoxe traditie zoals de Theravāda, meent dat het Wiel van de Dharma slechts een keer door Boeddha in beweging gezet is, en dat meer niet nodig was. Daar zit wat in.
Ook in chinese, koreaanse en japanse boeddhistische tradities komt het concept "Drie Cyclussen ... etc." niet of sporadisch voor, met uitzondering van de Huayen-traditie waarover hieronder meer.
In die Himalaya-tradities gaat men er dan van uit dat de eerste draai aan dat Dharmawiel door Boeddha werd gegeven toen hij in het Hertenpark in Sarnath, India, de Eerste Leerrede hield ten overstaan van zijn eerste 5 gezellen.
De tweede draai aan het wiel, zeggen genoemde kringen, werd gegeven toen Boeddha op de Gierenpiek, een heuvel nabij Radjgir, eveneens in India, voor het eerst predikte ten overstaan van bodhisattvas, verlichtte of verlichtende wezens. Hier, zo wordt gezegd, onderwees Boeddha (in meer uitgebreide vorm dan voorheen) het concept van ledigheid, sunyatā, en wel aan de hand van de Perfectie van Wijsheids-filosofie.
De derde draai aan het wiel zou dan vooral in de stad Shravastié, maar ook in andere plaatsen, gegeven zijn, en wel om de boeddhanatuur en de boeddhamatrix-leer te onderwijzen. De eerste tastbare bewijzen van de boeddhanatuur-filosofie vinden we pas in de manuscripten die door de chinese monnik Tao-Sheng zijn nagelaten.
Er wordt dan gezegd dat de chinese Huayen-traditie een "vierde Cyclus ... etc" predikte om de boeddhamatrix-leer uiteen te zetten zoals deze traditie dat wil verstaan. De Huayen sprak niet in termen van "cyclus", maar maakte een onderverdeling naar tijd vergelijkbaar met die van Zhiyi, de stichter van de T'ien-t'ai traditie. “
De enig denkbare oplossing voor de onduidelijkheid is om de gyroscoop-beeldspraak verder door te trekken.
In de ruimtevaart gaat het om bewegingen en oriëntaties in drie ruimtelijke dimensies. Om een satelliet met telescoop (bv de Hubble, zie website ) steeds in dezelfde richting te houden, zijn (minstens) drie gyroscopen nodig. Die draaiende assen daarvan staan dan loodrecht op elkaar !
Zouden ze (Mahayanisten) dit bedoelen? Dat er drie orthogonale draaiende wielen zijn? Zo'n voertuig beweegt dan niet meer, lijkt mij.
Ik vind één gyroscoop genoeg om het Pad te gaan. En helemaal geen voertuig: ik ga zelf wel.
woensdag 27 november 2013
Boeddhistische boeken op een onbewoond eiland
Het is een al lang bestaande vorm van lijstjes. De gedachten-oefening:
Stel dat ik naar een onbewoond eiland ga, welke boeken zou ik dan willen meenenen ?
Helemaal realistisch is deze fantasie natuurlijk niet. Misschien zou ik beter een boek over overleven mee kunnen nemen en nog beter gebruiksvoorwerpen daarvoor.
Maar goed, ik zie van het realisme af en beperk me tot wat ik nu thuis graag doe: boeddhistische en boeddhologische (niet hetzelfde maar weer wel een beetje) boeken lezen.
Het probleem is dat ik wel een boek per week kan verorberen; een e-reader meenemen heeft geen zin omdat er geen oplaadmogelijkheid op dat eiland is. Daarom ouderwets papieren boeken en omdat ik toch een keus moet maken, slechts zes. Boeken die ik niet in één keer uit heb, die steeds weer opnieuw gelezen kunnen worden.
Met een prioriteitsvolgorde.
1. Mindfulness with breathing
door Buddhadasa Bhikkhu
Vertaald uit het Thai en van een conlusie voorzien door Santikaro Bhikkhu
Wisdom Publications, 1997
Het enige Theravada-boek in deze lijst. Maar wat voor één.
Het is voor mij het boek dat alle andere boeken overbodig maakt.
Van regel tot regel, van paragraaf tot paragraaf inzichtgevend. En inspirerend tot beoefening: van anapanasati-meditatie . Ik ga geen voorbeelden geven of proberen samen te vatten: lezen en doen! Samatha en vipassana in hun logische volgorde en samenhang.
Niet om mee te nemen naar dat eiland, maar voor nu: Er is ook een electronische versie van dit boek, gemaakt van een iets minder uitgebreide eerdere druk.
De titel bevat een subtiliteit (heeft Leigh Brasington me op gewezen): meestal wordt gesproken van 'mindfulness of breathing ' maar hier
van '… with … '. Een verschil om over na te denken.
Ik ken ook een ander boek over de Anapanasati Sutta (nr. 117 van de Majjhima Nikaya):
'Adem is bewustzijn ' door Thich Nhat Hanh .
Ook inspirend maar met wat veel glimlachen en minder specifiek over de meditatie-methode.
2. Verzen uit het midden (de door Batchelor gegeven titel) door Nagarjuna
Andere titels van vertalingen van dit werk: 'Grondregels van de filosofie van het midden' (Erik Hoogcarspel; 'The Fundamental Wisdom of the Middle Way' (Garfield), 'Nagarjuna: The philosophy of the Middle Way' (Kalupahana) en
'Nagarjuna's Middle Way: Mulamadhyamakakarika' (Siderits & Katsura)
Alleen de laatste vertaling ken ik niet maar noem ik toch, omdat het de meest recente is en goede recensies gekregen heeft.
Er zijn er nog meer, en de verschillen zijn groot, in vertaling en in interpretatie.
Iedereen zijn eigen Nagarjuna !
Ik ook want het gebruik van 'leegte' (sunyata) is voor mij de kern van het boeddhisme, niet compassie en zo.
Dat wordt herlezen. Ik kies voor het meenemen van:
The Fundamental Wisdom of the Middle Way – Nagarjuna's Mulamadhyamakakarika
Translation and commentary by Jay L. Garfield
Oxford University Press, USA, 1995. Zie in Amazon
Soms wat meer Tibetaans boeddhisme dan Madhyamaka maar Garfield zegt dat er op die plaatsen dan wel bij.
3. A Few Good Man – The Bodhisattva Path according to The Inquiry of Ugra
door Jan Nattier
University of Hawaii Press, 2005
Dit is boeddhologie in optima forma. Over het boeiendste van alle processen: het ontstaan van Mahayana, of liever 'Bodhisattvayana' zoals Nattier het noemt, losgekomen van het vroege boeddhisme met haar Arhat-ideaal.
Minitieus maar ook levendig.Je bent bij wijze van spreken in het klooster waar volgelingen van beide idealen samen-leven.
Zie voor de eerste 48 bladzijden Booklens
4. Buddhist Phenomenology; A Philosophical Investigation of Yogacara Buddhism
door Dan Lusthaus
Routledge, 2003
Bijna meer een naslagwerk dan een monografie. Iets minder aardig gezegd: een omgevallen boekenkast.
Maar zeer rijk aan informatie, over Yogacara en de verspreiding ervan naar China.
Een aantal pagina's er van om een indruk te krijgen bij Amazon
5. Tao Te King ook wel geschreven als Tao Te King
Door Lao Tzu , ook wel geschreven Lao Tse
Geen boeddhistisch boek, maar taoistisch.
Toch wil ik een vertaling (er zijn er vele, ik heb oude maar er zijn ook nieuwe) daarvan meenemen omdat ooit mijn spirituele 'carrière' als adolescent met deze tekst begonnen is. Lang niet meer gelezen.
Mee dus omdat ik aanneem op dat eiland mijn leven af te sluiten.
6. Mijn eigen verzameld werk
Is dat niet nogal narcistisch en weinig onthecht, m'n eigen teksten meenemen? De blogteksten vooral die ik de afgelopen zes jaar heb geschreven?
In zekere zin wel. Maar de teksten bevatten ook heel veel informatie en bovendien lijkt het me goed me op zo'n eiland te bezinnen op wie ik ben. Ook om al die opvattingen van me en de gewichtigheid daarvan wat te kunnen relativeren.
Het lijkt me onwaarschijnlijk dat daar ook een boek van gemaakt wordt, dan alles maar uitprinten?
Eénzijdig, kan ik de achterkant gebruiken om verder te schrijven.
De lezer kan die teksten ook wel vinden: in deze blog dus.
Andere boeken?
Ik had me voorgenomen me beperken tot zes boeddhistische boeken; en eigenlijk zijn het er maar vier geworden, nr 5 is niet-boeddhistisch en nr 6 is geen boek.
Als ruimte en gewicht geen probleem zijn, zou ik
als nonfictie een boek over astrofysica willen meenemen: hoe moeilijker hoe beter; bv
'Time Reborn: From the Crisis in Physics to the Future of the Universe' door Lee Smolin;
en als fictie ' De man zonder eigenschappen ' van Robert Musil . Meer dan dertienhonderd pagina's, meer dan anderhalf kilo; en dan is ook nog langzaam lezen noodzakelijk.
Update 29 november:
Nu ik er nog eens over nadenk:
dat onbewoonde eiland kan ook een kamer in een verpleeghuis worden.
Stel dat ik naar een onbewoond eiland ga, welke boeken zou ik dan willen meenenen ?
Helemaal realistisch is deze fantasie natuurlijk niet. Misschien zou ik beter een boek over overleven mee kunnen nemen en nog beter gebruiksvoorwerpen daarvoor.
Maar goed, ik zie van het realisme af en beperk me tot wat ik nu thuis graag doe: boeddhistische en boeddhologische (niet hetzelfde maar weer wel een beetje) boeken lezen.
Het probleem is dat ik wel een boek per week kan verorberen; een e-reader meenemen heeft geen zin omdat er geen oplaadmogelijkheid op dat eiland is. Daarom ouderwets papieren boeken en omdat ik toch een keus moet maken, slechts zes. Boeken die ik niet in één keer uit heb, die steeds weer opnieuw gelezen kunnen worden.
Met een prioriteitsvolgorde.
1. Mindfulness with breathing
door Buddhadasa Bhikkhu
Vertaald uit het Thai en van een conlusie voorzien door Santikaro Bhikkhu
Wisdom Publications, 1997
Het enige Theravada-boek in deze lijst. Maar wat voor één.
Het is voor mij het boek dat alle andere boeken overbodig maakt.
Van regel tot regel, van paragraaf tot paragraaf inzichtgevend. En inspirerend tot beoefening: van anapanasati-meditatie . Ik ga geen voorbeelden geven of proberen samen te vatten: lezen en doen! Samatha en vipassana in hun logische volgorde en samenhang.
Niet om mee te nemen naar dat eiland, maar voor nu: Er is ook een electronische versie van dit boek, gemaakt van een iets minder uitgebreide eerdere druk.
De titel bevat een subtiliteit (heeft Leigh Brasington me op gewezen): meestal wordt gesproken van 'mindfulness of breathing ' maar hier
van '… with … '. Een verschil om over na te denken.
Ik ken ook een ander boek over de Anapanasati Sutta (nr. 117 van de Majjhima Nikaya):
'Adem is bewustzijn ' door Thich Nhat Hanh .
Ook inspirend maar met wat veel glimlachen en minder specifiek over de meditatie-methode.
2. Verzen uit het midden (de door Batchelor gegeven titel) door Nagarjuna
Andere titels van vertalingen van dit werk: 'Grondregels van de filosofie van het midden' (Erik Hoogcarspel; 'The Fundamental Wisdom of the Middle Way' (Garfield), 'Nagarjuna: The philosophy of the Middle Way' (Kalupahana) en
'Nagarjuna's Middle Way: Mulamadhyamakakarika' (Siderits & Katsura)
Alleen de laatste vertaling ken ik niet maar noem ik toch, omdat het de meest recente is en goede recensies gekregen heeft.
Er zijn er nog meer, en de verschillen zijn groot, in vertaling en in interpretatie.
Iedereen zijn eigen Nagarjuna !
Ik ook want het gebruik van 'leegte' (sunyata) is voor mij de kern van het boeddhisme, niet compassie en zo.
Dat wordt herlezen. Ik kies voor het meenemen van:
The Fundamental Wisdom of the Middle Way – Nagarjuna's Mulamadhyamakakarika
Translation and commentary by Jay L. Garfield
Oxford University Press, USA, 1995. Zie in Amazon
Soms wat meer Tibetaans boeddhisme dan Madhyamaka maar Garfield zegt dat er op die plaatsen dan wel bij.
3. A Few Good Man – The Bodhisattva Path according to The Inquiry of Ugra
door Jan Nattier
University of Hawaii Press, 2005
Dit is boeddhologie in optima forma. Over het boeiendste van alle processen: het ontstaan van Mahayana, of liever 'Bodhisattvayana' zoals Nattier het noemt, losgekomen van het vroege boeddhisme met haar Arhat-ideaal.
Minitieus maar ook levendig.Je bent bij wijze van spreken in het klooster waar volgelingen van beide idealen samen-leven.
Zie voor de eerste 48 bladzijden Booklens
4. Buddhist Phenomenology; A Philosophical Investigation of Yogacara Buddhism
door Dan Lusthaus
Routledge, 2003
Bijna meer een naslagwerk dan een monografie. Iets minder aardig gezegd: een omgevallen boekenkast.
Maar zeer rijk aan informatie, over Yogacara en de verspreiding ervan naar China.
Een aantal pagina's er van om een indruk te krijgen bij Amazon
5. Tao Te King ook wel geschreven als Tao Te King
Door Lao Tzu , ook wel geschreven Lao Tse
Geen boeddhistisch boek, maar taoistisch.
Toch wil ik een vertaling (er zijn er vele, ik heb oude maar er zijn ook nieuwe) daarvan meenemen omdat ooit mijn spirituele 'carrière' als adolescent met deze tekst begonnen is. Lang niet meer gelezen.
Mee dus omdat ik aanneem op dat eiland mijn leven af te sluiten.
6. Mijn eigen verzameld werk
Is dat niet nogal narcistisch en weinig onthecht, m'n eigen teksten meenemen? De blogteksten vooral die ik de afgelopen zes jaar heb geschreven?
In zekere zin wel. Maar de teksten bevatten ook heel veel informatie en bovendien lijkt het me goed me op zo'n eiland te bezinnen op wie ik ben. Ook om al die opvattingen van me en de gewichtigheid daarvan wat te kunnen relativeren.
Het lijkt me onwaarschijnlijk dat daar ook een boek van gemaakt wordt, dan alles maar uitprinten?
Eénzijdig, kan ik de achterkant gebruiken om verder te schrijven.
De lezer kan die teksten ook wel vinden: in deze blog dus.
Andere boeken?
Ik had me voorgenomen me beperken tot zes boeddhistische boeken; en eigenlijk zijn het er maar vier geworden, nr 5 is niet-boeddhistisch en nr 6 is geen boek.
Als ruimte en gewicht geen probleem zijn, zou ik
als nonfictie een boek over astrofysica willen meenemen: hoe moeilijker hoe beter; bv
'Time Reborn: From the Crisis in Physics to the Future of the Universe' door Lee Smolin;
en als fictie ' De man zonder eigenschappen ' van Robert Musil . Meer dan dertienhonderd pagina's, meer dan anderhalf kilo; en dan is ook nog langzaam lezen noodzakelijk.
Update 29 november:
Nu ik er nog eens over nadenk:
dat onbewoonde eiland kan ook een kamer in een verpleeghuis worden.
vrijdag 15 november 2013
Een eigen klooster (ook een voor nonnen) en een eigen meditatiecentrum en zendende instantie; eindelijk een boeddhist die het over macht durft te hebben
De publikatie van de mail van Adi Ichsan aan de vipassana-leraren waarover *OpenBoeddhisme* eerder deze week heeft gepubliceerd, heeft mij behoorlijk geschokt. (Zie Mail Ichsan )
Ik heb er behoefte aan daarover een duidelijk standpunt in te nemen, niet als buitenstaander maar als betrokkene.
Niet-Theravadins begrijpen hier waarschijnlijk weinig van en moeten het maar niet lezen, ik ga niet alles uitleggen (maar misschien willen ze toch wel weten hoe macht werkt in het boeddhisme).
Eerst een aanloop.
Het bestuur van de stichting Vipassana Meditatiecentrum had een bijeenkomst belegd voor haar 'vrienden' (dat zijn haar donateurs en aspirant-donateurs) op 26 oktober. Over deze uitnodiging heb ik eerder geschreven, op 2 oktober .
Ik was er aanwezig, niet als bloggend toeschouwer/ journalist maar als Theravadin die het mooi zou vinden als er een eigen meditatiecentrum zou komen (voor vipassana- maar ook voor andere methoden zoals samatha- en Brahmnavihara-meditatie).
Van hetgeen besproken is de 26e maak ik me af door te verwijzen naar de verslagen in het Boeddhistisch Dagblad: BD 27 oktober en BD 28 oktober .
Combineren van de functies 'meditatiecentrum' en 'woonvoorziening' in één organisatie ongewenst
Eén punt dat ik daar aan de orde heb gesteld, wil ik hier nog eens herhalen.
De relatie tussen een meditatiecentrum en een klooster/woonvoorziening-8+ is in de voorstellen niet goed doordacht, het gaat om verschillende functies.
Eerst de code 'woonvoorziening 8+' ; ik bedoel hiermee een leefgemeenschap van Theravadins die 8 (of meer) voorschriften hebben aangenomen en in sterke mate contemplatief wensen te leven. Geen echt klooster voor monniken en nonnen met ruim 200 c.q. 300 voorschriften van de Vinaya.
'In sterke mate', want ik ga er wel van uit dat deze mannen en vrouwen zelf de koop of huur van woonruimte in deze voorziening kunnen betalen. En ook verder in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien; of dat geheel kan uit dana voor het geven van meditatielessen en retraites, betwijfel ik.
Juist om verwarring tussen beide functies te voorkomen pleitte ik voor
twee afzonderlijke stichtingen:
één voor het Vipassana Meditatiecentrum en één voor de Woonvoorziening.
Omdat het nog jaren duurt (denk ik) voordat de stichting Vipassana Meditatiecentrum voldoende geld bij elkaar heeft gespaard zo'n centrum te kopen of bouwen; en omdat het nog jaren duurt eer de gemeente Epe het bestemmingsplan voor het voormalige Maitreya-terrein in Emst heeft gewijzigd, was dit alles nog vrij theoretisch.
Echter ...
Een nieuw feit diende zich aan
De mail van Adi Ichsan van eind oktober aan o.a. de vipassana-leraren, zoals *OpenBoeddhisme* die heeft weergegeven en die ik ook al uit andere bronnen had begrepen. Door het bestuur van het Thaise (monniken-)klooster in Landsmeer wordt waarschijnlijk een gebouw in Purmerend gekocht waar ook een klooster voor vrouwen kan komen en een meditatiecentrum voor 40 personen met overnachtingsmogelijkheid. Deze tempel kan zich dan ook gaan presenteren als zendende instantie (dhamma duta, een woordcombinatie die ik nog niet eerder ben tegengekomen) voor het Theravada boeddhisme. Er wordt aan het eind van de mail een beroep gedaan op de andere vipassana-leraren, dit project moreel en financieel te steunen.
Het lijkt me heel goed dat er een andere behuizing komt voor (het klooster) Wat Buddhavihara, nu nog gevestigd in Landsmeer. En ook dat daar ook een klooster voor nonnen (bhikkhuni's of is dat al te progressief gedacht?) aan gekoppeld wordt.
Op één politiek gevoelig punt na: de mededeling in de mail over sponsoring door de Thaise Ambassade, dus door de regering van Thailand. Daar wordt in ons land – met de scheiding van kerk en staat – kritisch naar gekeken als het een moskee betreft en dus ook als het een boeddhistisch klooster betreft. Ik heb er m'n bedenkingen bij, in ieder geval moet de hoogte van de donatie bekend worden en moet de preciese bestemming en de voorwaarden openbaar worden gemaakt.
Een eigen Theravada-meditatie-centrum?
Dan de suggestie dat hier in hetzelfde gebouw of op het zelfde terrein, ook een meditatie-centrum kan komen. Een aanval in de rug van de initiatiefnemers van (de stichting) Meditatie Centrum Vipassana Nederland en 'vrienden', zoals die 26 oktober bij elkaar zijn geweest.
En bovendien vrees ik dat de regie van dit centrum in Purmerend in orthodoxe Theravada-handen komt; lang niet alle leraren die nu (in bijvoorbeeld SIM-retraites) in Nederland komen, zullen daar welkom zijn. Een paar jaar geleden heeft bijvoorbeeld Adi Ichsan (vergeefs) een poging gedaan Stephen Batchelor te laten schrappen van de lijst van SIM-leraren. Maar ook mindfulness zal er vermoedelijk ook niet welkom zijn.
Laat ik het dus maar duidelijk zeggen: hier ben ik zeer ongelukkig over.
Ik blijf het initiatief van de stichting Meditatiecentrum Vipassana Nederland steunen, temeer daar ik er een (in mijn ogen) ideale locatie voor heb gevonden: aan de noordoostkant van Almere; vlak bij de (Vietnamees-boeddhistische) Van Hanh Pagode, bij een NS-station en bij de Oostvaardersplassen. Zie overzicht de Evenaar .
Mocht het bestuur van de stichting het bijltje er bij neergooien, dan zeg ik – met tegenzin en alleen dan – dat een meditatiecentrum in Purmerend alleen acceptabel is, als deze een eigen organisatie met eigen bestuur vormt, en dus formeel niet onder bestuur en monniken (en adviseurs !) van de Thaise tempel valt.
Een Theravada Zendende Instantie?
Dat in dit (andere) initiatief voorgesteld wordt, een eigen Theravada Zendende Instantie in te stellen, voor boeddhistisch geestelijk verzorgers, is nog mijn minste zorg. Het sluit wel aan bij de – voorzichtig geformuleerde – kritische opmerking van de Dharma Advies Groep, te vinden bij de stukken voor de BUN-ALV van 15 oktober. Citaat: “... de(on)wenselijkheid van uitbreiding van de centralistische rol van de BUN in relatie tot de overheid. ”. Zie daarvoor mijn blog van 19 okt.
Een TZI (ik kort maar af) ondermijnt de BZI, zowel naar de BUN als naar de VU toe, want dit impliceert ook een Zen.nl-zendende instantie, een Kanzeon-zendende instantie etc voor alle grotere tradities.
Van mij mogen ze (ik ben voor aansluiting van geestelijk verzorgers bij de
'Raad voor onafhankelijke spiritualiteit', zoals ik 19 oktober beschreef) maar het ministerie van Veiligheid en Justitie zal dit niet accepteren.
Overigens: het klooster in Landmeer is geen BUN-lid, 'Dhammadipa' (Pieterspoortsteeg) in Amsterdam wel. Het lijkt er op dat Adi soms een fusie tussen die twee aan het regelen is. Eventueel het (kapitaalkrachtige) 'Sangha Metta' er ook nog bij; hoewel die juist een paar jaar geleden (toen Jotika stopte bij de Pieterspoortsteeg) uit elkaar zijn gegaan?
Kortom: Adi heeft een steen in meerdere vijvers tegelijk weten te werpen. Hoeveel zullen er afketsen en hoeveel zullen diepe rimpels veroorzaken? Want ik voorzie nog wel wat bestemmingsplan-problemen in Purmerend en de Stichting Meditatiecentrum Vipassana Nederland zal toch wel gaan reageren op deze zet?
Maar de vrede is hoe dan ook verstoord.
Ik heb er behoefte aan daarover een duidelijk standpunt in te nemen, niet als buitenstaander maar als betrokkene.
Niet-Theravadins begrijpen hier waarschijnlijk weinig van en moeten het maar niet lezen, ik ga niet alles uitleggen (maar misschien willen ze toch wel weten hoe macht werkt in het boeddhisme).
Eerst een aanloop.
Het bestuur van de stichting Vipassana Meditatiecentrum had een bijeenkomst belegd voor haar 'vrienden' (dat zijn haar donateurs en aspirant-donateurs) op 26 oktober. Over deze uitnodiging heb ik eerder geschreven, op 2 oktober .
Ik was er aanwezig, niet als bloggend toeschouwer/ journalist maar als Theravadin die het mooi zou vinden als er een eigen meditatiecentrum zou komen (voor vipassana- maar ook voor andere methoden zoals samatha- en Brahmnavihara-meditatie).
Van hetgeen besproken is de 26e maak ik me af door te verwijzen naar de verslagen in het Boeddhistisch Dagblad: BD 27 oktober en BD 28 oktober .
Combineren van de functies 'meditatiecentrum' en 'woonvoorziening' in één organisatie ongewenst
Eén punt dat ik daar aan de orde heb gesteld, wil ik hier nog eens herhalen.
De relatie tussen een meditatiecentrum en een klooster/woonvoorziening-8+ is in de voorstellen niet goed doordacht, het gaat om verschillende functies.
Eerst de code 'woonvoorziening 8+' ; ik bedoel hiermee een leefgemeenschap van Theravadins die 8 (of meer) voorschriften hebben aangenomen en in sterke mate contemplatief wensen te leven. Geen echt klooster voor monniken en nonnen met ruim 200 c.q. 300 voorschriften van de Vinaya.
'In sterke mate', want ik ga er wel van uit dat deze mannen en vrouwen zelf de koop of huur van woonruimte in deze voorziening kunnen betalen. En ook verder in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien; of dat geheel kan uit dana voor het geven van meditatielessen en retraites, betwijfel ik.
Juist om verwarring tussen beide functies te voorkomen pleitte ik voor
twee afzonderlijke stichtingen:
één voor het Vipassana Meditatiecentrum en één voor de Woonvoorziening.
Omdat het nog jaren duurt (denk ik) voordat de stichting Vipassana Meditatiecentrum voldoende geld bij elkaar heeft gespaard zo'n centrum te kopen of bouwen; en omdat het nog jaren duurt eer de gemeente Epe het bestemmingsplan voor het voormalige Maitreya-terrein in Emst heeft gewijzigd, was dit alles nog vrij theoretisch.
Echter ...
Een nieuw feit diende zich aan
De mail van Adi Ichsan van eind oktober aan o.a. de vipassana-leraren, zoals *OpenBoeddhisme* die heeft weergegeven en die ik ook al uit andere bronnen had begrepen. Door het bestuur van het Thaise (monniken-)klooster in Landsmeer wordt waarschijnlijk een gebouw in Purmerend gekocht waar ook een klooster voor vrouwen kan komen en een meditatiecentrum voor 40 personen met overnachtingsmogelijkheid. Deze tempel kan zich dan ook gaan presenteren als zendende instantie (dhamma duta, een woordcombinatie die ik nog niet eerder ben tegengekomen) voor het Theravada boeddhisme. Er wordt aan het eind van de mail een beroep gedaan op de andere vipassana-leraren, dit project moreel en financieel te steunen.
Het lijkt me heel goed dat er een andere behuizing komt voor (het klooster) Wat Buddhavihara, nu nog gevestigd in Landsmeer. En ook dat daar ook een klooster voor nonnen (bhikkhuni's of is dat al te progressief gedacht?) aan gekoppeld wordt.
Op één politiek gevoelig punt na: de mededeling in de mail over sponsoring door de Thaise Ambassade, dus door de regering van Thailand. Daar wordt in ons land – met de scheiding van kerk en staat – kritisch naar gekeken als het een moskee betreft en dus ook als het een boeddhistisch klooster betreft. Ik heb er m'n bedenkingen bij, in ieder geval moet de hoogte van de donatie bekend worden en moet de preciese bestemming en de voorwaarden openbaar worden gemaakt.
Een eigen Theravada-meditatie-centrum?
Dan de suggestie dat hier in hetzelfde gebouw of op het zelfde terrein, ook een meditatie-centrum kan komen. Een aanval in de rug van de initiatiefnemers van (de stichting) Meditatie Centrum Vipassana Nederland en 'vrienden', zoals die 26 oktober bij elkaar zijn geweest.
En bovendien vrees ik dat de regie van dit centrum in Purmerend in orthodoxe Theravada-handen komt; lang niet alle leraren die nu (in bijvoorbeeld SIM-retraites) in Nederland komen, zullen daar welkom zijn. Een paar jaar geleden heeft bijvoorbeeld Adi Ichsan (vergeefs) een poging gedaan Stephen Batchelor te laten schrappen van de lijst van SIM-leraren. Maar ook mindfulness zal er vermoedelijk ook niet welkom zijn.
Laat ik het dus maar duidelijk zeggen: hier ben ik zeer ongelukkig over.
Ik blijf het initiatief van de stichting Meditatiecentrum Vipassana Nederland steunen, temeer daar ik er een (in mijn ogen) ideale locatie voor heb gevonden: aan de noordoostkant van Almere; vlak bij de (Vietnamees-boeddhistische) Van Hanh Pagode, bij een NS-station en bij de Oostvaardersplassen. Zie overzicht de Evenaar .
Mocht het bestuur van de stichting het bijltje er bij neergooien, dan zeg ik – met tegenzin en alleen dan – dat een meditatiecentrum in Purmerend alleen acceptabel is, als deze een eigen organisatie met eigen bestuur vormt, en dus formeel niet onder bestuur en monniken (en adviseurs !) van de Thaise tempel valt.
Een Theravada Zendende Instantie?
Dat in dit (andere) initiatief voorgesteld wordt, een eigen Theravada Zendende Instantie in te stellen, voor boeddhistisch geestelijk verzorgers, is nog mijn minste zorg. Het sluit wel aan bij de – voorzichtig geformuleerde – kritische opmerking van de Dharma Advies Groep, te vinden bij de stukken voor de BUN-ALV van 15 oktober. Citaat: “... de(on)wenselijkheid van uitbreiding van de centralistische rol van de BUN in relatie tot de overheid. ”. Zie daarvoor mijn blog van 19 okt.
Een TZI (ik kort maar af) ondermijnt de BZI, zowel naar de BUN als naar de VU toe, want dit impliceert ook een Zen.nl-zendende instantie, een Kanzeon-zendende instantie etc voor alle grotere tradities.
Van mij mogen ze (ik ben voor aansluiting van geestelijk verzorgers bij de
'Raad voor onafhankelijke spiritualiteit', zoals ik 19 oktober beschreef) maar het ministerie van Veiligheid en Justitie zal dit niet accepteren.
Overigens: het klooster in Landmeer is geen BUN-lid, 'Dhammadipa' (Pieterspoortsteeg) in Amsterdam wel. Het lijkt er op dat Adi soms een fusie tussen die twee aan het regelen is. Eventueel het (kapitaalkrachtige) 'Sangha Metta' er ook nog bij; hoewel die juist een paar jaar geleden (toen Jotika stopte bij de Pieterspoortsteeg) uit elkaar zijn gegaan?
Kortom: Adi heeft een steen in meerdere vijvers tegelijk weten te werpen. Hoeveel zullen er afketsen en hoeveel zullen diepe rimpels veroorzaken? Want ik voorzie nog wel wat bestemmingsplan-problemen in Purmerend en de Stichting Meditatiecentrum Vipassana Nederland zal toch wel gaan reageren op deze zet?
Maar de vrede is hoe dan ook verstoord.
zondag 3 november 2013
Is boeddhistische humor leuk ?
Twee websites met een behoorlijke overlap aan grappen:
Sujato en Buddhist jokes
Eentje dan, één type grap: het indraaien van lampen:
How many vipassana meditators does it take to change a light bulb?
No need. Just note: ‘darkness, darkness, darkness’.
How many Abhidhamma scholars does it take to change a light bulb?
There are 20W light bulbs, 40W light bulbs, 80W light bulbs, 100W… 200W…
There are 6V light bulbs, 12V light bulbs, 120V light bulbs, 240V light bulbs…
There are incandescent bulbs, fluorescent bulbs…
There are clear light bulbs, pearled light bulbs, colored light bulbs…
There are screw-in light bulbs, bayonet light bulbs…
There are 20W light bulbs that are 6V, there are 20W light bulbs that are 12V… 120V… 240V…
There are 40W light bulbs that are 6V… 240V…
80W… 100W… 200W…
There are 20W light bulbs that are 6V incandescent…
There are 200W light bulbs that are 240V, florescent, coloured, and bayonet …
Q: How many Zen Buddhists does it take to screw in a lightbulb?
A: An oak tree in the garden.
How many Buddhist monks does it take to change a lightbulb?
None….the lightbulb must change from within.
Tibetan Buddhists and the light bulb question:
How many Madhayamka scholars does it take to screw in a light bulb?
Four:
One to scew it in.
One to not screw it in.
One to both screw it in and not screw it in.
One too neither screw it in nor not screw it in.
How many Gelugpas does it take to screw in a light bulb?
Three:
2 to have a debate about the nature of light and 1 to twist the bulb
How many Sakyapas?
Two:
1 to write the instructions and the auto-commentary, 1 to twist the bulb
How many Kagyupas?
One:
But he has to spend years and years sealed in a cave first.
How many Nyingmapas?
One:
But he has to dig up the instructions to find out the bulb is already in.
How many Bonpos?
One:
But their bulbs screw in the other direction.
Sujato en Buddhist jokes
Eentje dan, één type grap: het indraaien van lampen:
How many vipassana meditators does it take to change a light bulb?
No need. Just note: ‘darkness, darkness, darkness’.
How many Abhidhamma scholars does it take to change a light bulb?
There are 20W light bulbs, 40W light bulbs, 80W light bulbs, 100W… 200W…
There are 6V light bulbs, 12V light bulbs, 120V light bulbs, 240V light bulbs…
There are incandescent bulbs, fluorescent bulbs…
There are clear light bulbs, pearled light bulbs, colored light bulbs…
There are screw-in light bulbs, bayonet light bulbs…
There are 20W light bulbs that are 6V, there are 20W light bulbs that are 12V… 120V… 240V…
There are 40W light bulbs that are 6V… 240V…
80W… 100W… 200W…
There are 20W light bulbs that are 6V incandescent…
There are 200W light bulbs that are 240V, florescent, coloured, and bayonet …
Q: How many Zen Buddhists does it take to screw in a lightbulb?
A: An oak tree in the garden.
How many Buddhist monks does it take to change a lightbulb?
None….the lightbulb must change from within.
Tibetan Buddhists and the light bulb question:
How many Madhayamka scholars does it take to screw in a light bulb?
Four:
One to scew it in.
One to not screw it in.
One to both screw it in and not screw it in.
One too neither screw it in nor not screw it in.
How many Gelugpas does it take to screw in a light bulb?
Three:
2 to have a debate about the nature of light and 1 to twist the bulb
How many Sakyapas?
Two:
1 to write the instructions and the auto-commentary, 1 to twist the bulb
How many Kagyupas?
One:
But he has to spend years and years sealed in a cave first.
How many Nyingmapas?
One:
But he has to dig up the instructions to find out the bulb is already in.
How many Bonpos?
One:
But their bulbs screw in the other direction.
dinsdag 17 september 2013
Boeddhisme voor autisten
Verleden week las ik dat er een eigen voetbalcompetitie komt voor autisten. In de voor- en nadelen daarvan heb ik me niet zo verdiept (zie het Volkskrant-artikel hieronder) maar interessant is het wel.
Nu wordt de term 'autist' te pas en vooral te onpas gebruikt, en worden er allerlei betekenissen in geprojecteerd. Soms is het een scheldwoord en betekent zowat 'asociaal'; en soms is het een ziektebeeld, een handicap die extra aandacht verdient, soms een vorm van zielig vinden.
Nu heb ik – in een steeds langer verleden – in m'n professionele leven wel met 'echte' (volwassen) autisten en vormen van 'early infantile autism' te maken gehad en heb ik geen behoefte, daar ironisch over te doen.
Wie het echt wil weten, leze over 'autisme in DSM5' .
Een artikel dat het betoog van deze blog nog verder relativeert, is 'Spinoza-blog' , waarin de auteur gehakt maakt van de mening (van ene Fitzgerald) als zou Spinoza een autist zijn, net zo als veel beroemde geniale onaangepaste historische figuren. Het zou kunnen maar we weten het eenvoudig niet.
Hier heb ik het onwetenschappelijk over autistiform gedrag, nerd-achtig. Bijvoorbeeld zoals in televisieserie 'The Big Bang Theory'. Over mezelf dus. Een bèta; vroeger (ouwe lul) werd er gesproken over alfa's die goed waren in talen en geesteswetenschappen en bèta's die vooral wis- en natuurkunde (en soms techniek) fijn vonden. De gamma's van de gedragswetenschappen zijn daar pas later bijgekomen.
De bèta's dus.
En ik heb het niet alleen over 'boeddhisme voor autisten', uiteraard is de Dhamma/Dharma voor iedereen, maar ook over het autistisch beoefenen van het boeddhisme, misschien wel één van de werkelijk bedoelde vormen (extreem maar niet onjuist gezegd: zonder menselijke bindingen; 'in de wereld maar niet van de wereld').
Mensen zijn verschillend, allemaal binnen de marges van wat 'normaal' is.
Sommigen zijn gevoelig voor het lot van hun medemens, hun wereld is een netwerk van relaties, hun overtuiging dat er een grote stroom van liefdevolle energie is en dat de mens van nature goed is.
Anderen zien hun wereld meer als een netwerk van afspraken en hebben niet zo'n uitgesproken mening over de aard van de mens en van menselijke relaties.
Natuurlijk overdrijf ik hier de verschillen, ik geef de uitersten van de marges van normaliteit aan. In werkelijkheid zitten de mensen ergens tussen die uitersten, de een wat meer naar rechts, de ander wat meer naar links.
In het boeddhisme worden de verschillen tussen mensen ook onderkend en erkend
Mijn liefde voor alle levende wezens is beperkt. Insecten bijvoorbeeld 'mogen er ook zijn', ik ga ze niet doden maar hun lot interesseert me eerlijk gezegd niets.
Mij stelling is nu: het boeddhisme is uitermate geschikt voor autisten, eigenlijk is het boeddhisme een vorm van autisme. Op z'n minst mag een autistiforme vorm van boeddhisme beoefenen er ook zijn.
In ieder geval is het de moeite waard als er een stroming is 'boeddhisme voor autisten '.
Waarom geen boek?
Waarom wel 'Boeddhisme voor Moeders' en niet 'Boeddhisme voor Autisten' ?
Waarom wel 'Buddhism for Kids' en niet 'Buddhism for Nerds' ?
Waarom wel 'Boeddhisme voor Dummies' en niet 'Boeddhisme voor Slimmerikken' ?
want autisten (die vorm althans waar ik het over heb), zijn slim, houden van het gebruik van hun intelligentie vooral. En veel troetelboeddhisten houden daar niet van, soms denk ik: uit jalouzie.
De (journalistieke) blog 'BoeddhistischDagblad' is vooral verblijfplaats voor de anti-autisten, wetenschap is niets voor de meeste lezers, ze onderkennen heel veel zielige levende (en stervende) wezens. Er schrijven mij daar wat veel 'troetelboeddhisten , wellicht een aardiger woord dan 'anti-autisten'.
Ik ben bij deze hele beschouwing gekomen omdat ik me weer eens afvroeg: waar ik me nu mee bezig houd en wat ik om me heen hoor, is dat waarom ik ooit ontdekte dat ik eigenlijk boeddhist was? Dat waren en zijn thema's als anatta, anicca en sunyata , ook wel eens vertaald als 'grondeloosheid'. Daar herkende ik me ooit in hoewel ik het niet goed begreep en daar herken ik me nog in, terwijl ik het een stukje beter begrijp.
Veel meer dan nu populaire begrippen als boeddhanatuur en compassie.
Wat, heb je niet zoveel met compassie? Dan kan je geen boeddhist zijn! Ik hoor dat stemmetje al.
Dat valt wel mee, denk ik. Ik ben alleen wat pessimistisch over de vraag of men überhaupt andere levende wezens wel kan helpen (de bevrijding te bereiken). En ik denk dat de mens, ondanks al zijn of haar spiegelneuronen, wezenlijk alleen is, alleen geboren is en alleen sterft, en de ander slechts in beperkte zin kan bereiken.
Wat ik wel heb proberen te perfectioneren en nog steeds - met kleine stapjes - probeer, is steeds ietsje meer mildheid te verwerven, over en met de andere tobbers op deze aarde.
That's all there is.
En hoe zit het met de BoeddhaNatuur, zie je dan niet dat je die ook al hebt? Deze vraag maakt een uitstapje naar de boeddhologie nodig. In haar artikel 'The Doctrine of Buddha-Nature I Impeccably Buddhist' (in 'Pruning the Bodhi Tree ') verdedigt Sallie King het boeddhistische karakter van het begrip 'BoeddhaNatuur' door op de herkomst ervan te wijzen, het is namelijk ontwikkeld ten behoeve van degenen die het begrip 'leegte' (sunyata, emptiness) nihilistisch vonden omdat ze dat – als beginnelingen op het pad – niet goed doorgronden. (zie een langer citaat hieronder).
'Sunyata' is vooral een begrip voor autistische boeddhisten terwijl 'boeddhanatuur' meer hoort bij troetelboeddhisten.
Eigenlijk denk ik dat een autistisch boeddhist psychologisch ook niet met upaya's uit de voeten kan, daarvoor is hij (en soms 'zij') te rechtlijnig.
Bijlage
Uit 'The Doctrine of Buddha-Nature Is Impeccably Buddhist '
“Probably the single most important motivation for the author of the Buddha-Nature Treatise (and, I surmise, others in the Buddha-nature camp) is his concern over the negative language prevailing among exponents of šðnyavada. The author states many times that an important part of his audience is neophyte bodhisattvas who misunderstand the language of emptiness as nihilistic. Mind you, the author himself does not make this mistake, and indeed incorporates the idea of emptiness in a fundamental way into his own work. He is aware, however, that there are some among his contemporaries who, by virtue of the doctrine of emptiness, regard the Buddha as having expounded a nihilistic view and are themselves engaged in spreading this interpretation. Others seem to have responded to emptiness language with fear and perhaps left the Buddhist fold altogether. Still others apparently found that the relentless negativity of šðnya dialectics simply sapped them. To all such persons, the author of the Buddha-Nature Treatise was very much concerned to demonstrate that Buddhism is not nihilistic but, much to the contrary, holds a promise of something of great value that can be discovered through Buddhist practice. Since emptiness language has these negative effects, and since, after all, šðnyavada is not the Truth but simply an upaya, why not experiment with other ways to communicate the Dharma? And since šðnyavada had pretty well exhausted the via negativa , and language, being dualistic, basically offers only negative and positive options, why not experiment with articulating the Dharma in positive language?
Our author wants to attract people to the Buddha-dharma; in particular, he wants very much to encourage them to practice so that they will realize in their own lives that to which the words of scripture point. In his view, negative language has had its day; it is time to give positive language a try. His dilemma, of course, is a classic one for a Buddhist: how to speak positively of that which the Buddha himself refused to elucidate; how to speak of what is found at the end of the Path without betraying fundamental Buddhist philosophical or soteriological principles. I am convinced that our author is consciously walking a tightrope between the unacceptable negativity of šðnyavada on the one hand, and, on the other, language that violates Buddhist principles (in particular, essentialist or entitative language). What kind of language can he construct that will overcome the negativity of emptiness language without itself becoming entitative? Readers may judge for themselves whether our author succeeds in this very difficult undertaking, but I urge you to understand his effort in the context of this motivation and this objective. "
(Pruning the Bodhi Tree, pag.175/176)
Nu wordt de term 'autist' te pas en vooral te onpas gebruikt, en worden er allerlei betekenissen in geprojecteerd. Soms is het een scheldwoord en betekent zowat 'asociaal'; en soms is het een ziektebeeld, een handicap die extra aandacht verdient, soms een vorm van zielig vinden.
Nu heb ik – in een steeds langer verleden – in m'n professionele leven wel met 'echte' (volwassen) autisten en vormen van 'early infantile autism' te maken gehad en heb ik geen behoefte, daar ironisch over te doen.
Wie het echt wil weten, leze over 'autisme in DSM5' .
Een artikel dat het betoog van deze blog nog verder relativeert, is 'Spinoza-blog' , waarin de auteur gehakt maakt van de mening (van ene Fitzgerald) als zou Spinoza een autist zijn, net zo als veel beroemde geniale onaangepaste historische figuren. Het zou kunnen maar we weten het eenvoudig niet.
Hier heb ik het onwetenschappelijk over autistiform gedrag, nerd-achtig. Bijvoorbeeld zoals in televisieserie 'The Big Bang Theory'. Over mezelf dus. Een bèta; vroeger (ouwe lul) werd er gesproken over alfa's die goed waren in talen en geesteswetenschappen en bèta's die vooral wis- en natuurkunde (en soms techniek) fijn vonden. De gamma's van de gedragswetenschappen zijn daar pas later bijgekomen.
De bèta's dus.
En ik heb het niet alleen over 'boeddhisme voor autisten', uiteraard is de Dhamma/Dharma voor iedereen, maar ook over het autistisch beoefenen van het boeddhisme, misschien wel één van de werkelijk bedoelde vormen (extreem maar niet onjuist gezegd: zonder menselijke bindingen; 'in de wereld maar niet van de wereld').
Mensen zijn verschillend, allemaal binnen de marges van wat 'normaal' is.
Sommigen zijn gevoelig voor het lot van hun medemens, hun wereld is een netwerk van relaties, hun overtuiging dat er een grote stroom van liefdevolle energie is en dat de mens van nature goed is.
Anderen zien hun wereld meer als een netwerk van afspraken en hebben niet zo'n uitgesproken mening over de aard van de mens en van menselijke relaties.
Natuurlijk overdrijf ik hier de verschillen, ik geef de uitersten van de marges van normaliteit aan. In werkelijkheid zitten de mensen ergens tussen die uitersten, de een wat meer naar rechts, de ander wat meer naar links.
In het boeddhisme worden de verschillen tussen mensen ook onderkend en erkend
Mijn liefde voor alle levende wezens is beperkt. Insecten bijvoorbeeld 'mogen er ook zijn', ik ga ze niet doden maar hun lot interesseert me eerlijk gezegd niets.
Mij stelling is nu: het boeddhisme is uitermate geschikt voor autisten, eigenlijk is het boeddhisme een vorm van autisme. Op z'n minst mag een autistiforme vorm van boeddhisme beoefenen er ook zijn.
In ieder geval is het de moeite waard als er een stroming is 'boeddhisme voor autisten '.
Waarom geen boek?
Waarom wel 'Boeddhisme voor Moeders' en niet 'Boeddhisme voor Autisten' ?
Waarom wel 'Buddhism for Kids' en niet 'Buddhism for Nerds' ?
Waarom wel 'Boeddhisme voor Dummies' en niet 'Boeddhisme voor Slimmerikken' ?
want autisten (die vorm althans waar ik het over heb), zijn slim, houden van het gebruik van hun intelligentie vooral. En veel troetelboeddhisten houden daar niet van, soms denk ik: uit jalouzie.
De (journalistieke) blog 'BoeddhistischDagblad' is vooral verblijfplaats voor de anti-autisten, wetenschap is niets voor de meeste lezers, ze onderkennen heel veel zielige levende (en stervende) wezens. Er schrijven mij daar wat veel 'troetelboeddhisten , wellicht een aardiger woord dan 'anti-autisten'.
Ik ben bij deze hele beschouwing gekomen omdat ik me weer eens afvroeg: waar ik me nu mee bezig houd en wat ik om me heen hoor, is dat waarom ik ooit ontdekte dat ik eigenlijk boeddhist was? Dat waren en zijn thema's als anatta, anicca en sunyata , ook wel eens vertaald als 'grondeloosheid'. Daar herkende ik me ooit in hoewel ik het niet goed begreep en daar herken ik me nog in, terwijl ik het een stukje beter begrijp.
Veel meer dan nu populaire begrippen als boeddhanatuur en compassie.
Wat, heb je niet zoveel met compassie? Dan kan je geen boeddhist zijn! Ik hoor dat stemmetje al.
Dat valt wel mee, denk ik. Ik ben alleen wat pessimistisch over de vraag of men überhaupt andere levende wezens wel kan helpen (de bevrijding te bereiken). En ik denk dat de mens, ondanks al zijn of haar spiegelneuronen, wezenlijk alleen is, alleen geboren is en alleen sterft, en de ander slechts in beperkte zin kan bereiken.
Wat ik wel heb proberen te perfectioneren en nog steeds - met kleine stapjes - probeer, is steeds ietsje meer mildheid te verwerven, over en met de andere tobbers op deze aarde.
That's all there is.
En hoe zit het met de BoeddhaNatuur, zie je dan niet dat je die ook al hebt? Deze vraag maakt een uitstapje naar de boeddhologie nodig. In haar artikel 'The Doctrine of Buddha-Nature I Impeccably Buddhist' (in 'Pruning the Bodhi Tree ') verdedigt Sallie King het boeddhistische karakter van het begrip 'BoeddhaNatuur' door op de herkomst ervan te wijzen, het is namelijk ontwikkeld ten behoeve van degenen die het begrip 'leegte' (sunyata, emptiness) nihilistisch vonden omdat ze dat – als beginnelingen op het pad – niet goed doorgronden. (zie een langer citaat hieronder).
'Sunyata' is vooral een begrip voor autistische boeddhisten terwijl 'boeddhanatuur' meer hoort bij troetelboeddhisten.
Eigenlijk denk ik dat een autistisch boeddhist psychologisch ook niet met upaya's uit de voeten kan, daarvoor is hij (en soms 'zij') te rechtlijnig.
Bijlage
Uit 'The Doctrine of Buddha-Nature Is Impeccably Buddhist '
“Probably the single most important motivation for the author of the Buddha-Nature Treatise (and, I surmise, others in the Buddha-nature camp) is his concern over the negative language prevailing among exponents of šðnyavada. The author states many times that an important part of his audience is neophyte bodhisattvas who misunderstand the language of emptiness as nihilistic. Mind you, the author himself does not make this mistake, and indeed incorporates the idea of emptiness in a fundamental way into his own work. He is aware, however, that there are some among his contemporaries who, by virtue of the doctrine of emptiness, regard the Buddha as having expounded a nihilistic view and are themselves engaged in spreading this interpretation. Others seem to have responded to emptiness language with fear and perhaps left the Buddhist fold altogether. Still others apparently found that the relentless negativity of šðnya dialectics simply sapped them. To all such persons, the author of the Buddha-Nature Treatise was very much concerned to demonstrate that Buddhism is not nihilistic but, much to the contrary, holds a promise of something of great value that can be discovered through Buddhist practice. Since emptiness language has these negative effects, and since, after all, šðnyavada is not the Truth but simply an upaya, why not experiment with other ways to communicate the Dharma? And since šðnyavada had pretty well exhausted the via negativa , and language, being dualistic, basically offers only negative and positive options, why not experiment with articulating the Dharma in positive language?
Our author wants to attract people to the Buddha-dharma; in particular, he wants very much to encourage them to practice so that they will realize in their own lives that to which the words of scripture point. In his view, negative language has had its day; it is time to give positive language a try. His dilemma, of course, is a classic one for a Buddhist: how to speak positively of that which the Buddha himself refused to elucidate; how to speak of what is found at the end of the Path without betraying fundamental Buddhist philosophical or soteriological principles. I am convinced that our author is consciously walking a tightrope between the unacceptable negativity of šðnyavada on the one hand, and, on the other, language that violates Buddhist principles (in particular, essentialist or entitative language). What kind of language can he construct that will overcome the negativity of emptiness language without itself becoming entitative? Readers may judge for themselves whether our author succeeds in this very difficult undertaking, but I urge you to understand his effort in the context of this motivation and this objective. "
(Pruning the Bodhi Tree, pag.175/176)
Labels:
boeddhisme in Nederland,
ervaring,
Nagarjuna,
Pali-Canon
vrijdag 6 september 2013
Dood gaan voor beginners; vervolg
Veel is er niet gebeurd sinds ik op 5 Mei m'n blog 'Dood gaan voor beginners ' plaatste.
Of eigenlijk wel: ik ben sinds die dag weer (op 6 september) 124 dagen dichter bij mijn dood gekomen, wanneer die dan ook is.
En ik heb me verdiept in de contemplaties op de dood (Maranassati), en op Vijf contemplaties voor iedereen en het boek dat Rosenberg daarover heeft geschreven.
Contempleren - te begrijpen als 'diep denken ' - elke dag op:
Over deze tekst (volledige sutta-versie: zie onderaan), en meer gedetailleerde contemplaties, heeft Larry Rosenberg geschreven:
Living In The Light Of Death ;
On The Art Of Being Truly Alive
Shambhala Publications Inc, september 2001, 192 pagina's
Te koop via boekhandel of Bol.com of Amazon.com (met een aantal bladzijden in te zien.)
Samenvatting
This book presents the Buddhist approach to facing the inevitable facts of growing older, getting sick, and dying. These tough realities are not given much attention by many people until midlife, when they become harder to avoid. Using a Buddhist text known as the Five Subjects for Frequent Recollection, Larry Rosenberg shows how intimacy with the realities of aging can actually be used as a means to liberation. When we become intimate with these inevitable aspects of life, he writes, we also become intimate with ourselves, with others, with the world--indeed with all things.
======================================================================
Een vervolg op m'n blog van 5 mei dus.
Maar ook weer niet. In die periode was ik intensief met mijn dood bezig, zonder concrete aanleiding (geen ziekte, geen voorjaarsmoeheid of zo); zo maar, van binnen uit.
Nu ben ik dat nauwelijks. Dat komt wel weer; zoals ik een paar dagen geleden aan iemand schreef: als er iets is waar ik me geen zorgen over hoef te maken, is dat het feit dat ik dood ga.
Maar juist omdat ik er niet - vanuit mezelf - mee bezig ben, moet ik er mee bezig zijn.
Dicht bij de tekst blijvend, zal ik hier passages uit hoofdstuk 3 van dit boek (pagina 78-121)samenvattend vertalen:
' (CHAPTER 3)- THE THIRD MESSENGER – DEATH IS UNAVOIDABLE '.
Vrijblijvend met dit thema zijn kan niet, werkt niet: we moeten 'standvastig en stevig' naar het feit van de dood kijken. We kunnen er niet 'kort en achteloos een blik op werpen.
Eigenlijk is de hele beoefenen van de Dharma van mij tot nu toe een voorbereiding, om me sterk genoeg te maken om te kijken naar mijn doodsangst. Er is ook aandachtigheid en concentratie voor nodig. Geen rigide concentratie maar een tedere gemoedstoestand.
Voor een formele beoefening maakt Rosenberg gebruik van een negendelige meditatie, gebaseerd op een tekst van de Indiase boeddhist Atisha (980-1055).
Drie thema's die steeds ook uit drie contemplaties bestaan.
Het is aan te bevelen een contemplatie steeds te beginnen met aandacht voor de ademhaling (anapanasati), totdat er een zekere kalmte bereikt is; want deze contemplaties vereisen een geconcentreerde geest. Met zo'n serene geest kan men scherp en soepel denken.
De woorden waarop gecontempleerd wordt, lijken simpel, maar na verloop van tijd komt hun diepere betekenis naar voren.
DE ONVERMIJDELIJKHEID VAN DE DOOD
1. Iedereen moet sterven;
2. Het aantal dagen dat we nog leven, vermindert continu;
3. De dood komt, of we nu wel of niet de tijd hebben genomen de Dharma te beoefenen.
DE ONZEKERHEID OVER HET TIJDSTIP VAN DE DOOD
4. De menselijke levensverwachting is onzeker;
5. Er zijn veel oorzaken van de dood;
6. Het menselijk lichaam is heel fragiel en kwetsbaar.
ALLEEN DE BEOEFENING VAN DE DHARMA KAN ONS HELPEN ALS WE GAAN STERVEN
7. Onze bezittingen kunnen ons niet helpen;
8. Degenen die van ons houden kunnen ons niet helpen;
9. Ons lichaam kan ons niet helpen.
Dat zijn ze, ga er maar aan staan; of liever: ik moet er nu echt aan beginnen.
Vooral de achtste vind ik moeilijk, dat realiseert ook Rosenberg zich.
"We denken dat onze menselijke relaties niet – zoals bezittingen – een ego bevatten. Onze relatie tot onze partner. Onze ouders. Onze kinderen. Broers en zussen. Nabije vrienden. Onze spirituele leraren. We geloven dat we een aantal relaties hebben die een zekere zuiverheid bevatten.
Dat mag waar zijn. Maar het is ook waar dat onze vrienden ons niet kunnen helpen als we sterven. Mogelijk zijn ze in de buurt (of niet, we weten niet hoe het gaat). Ze kunnen ons geruststellen. Maar op het eind, uiteindelijk, moeten we 'dag' tegen ze zeggen en ze niet meer terug zien. We moeten alleen sterven. " (pagina 101)
======================================================================
Er zijn vijf onderwerpen, monniken, waarop vaak gecontempleerd zou moeten worden door mannen en vrouwen, lekevolgelingen en monniken. Wat zijn deze vijf onderwerpen?
’Ik weet zeker dat ik ouder word. Ik kan ouder worden niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik ziek word. Ik kan ziekte niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik doodga. Ik kan de dood niet vermijden.’
’In alle dierbare en geliefde dingen zal verandering optreden en er zal scheiding van zijn.’
’Ik ben de eigenaar van mijn handelingen (kamma), de erfgenaam van mijn handelingen, handelingen zijn de schoot (waaruit ik ontstaan ben), handelingen zijn mijn verwanten, handelingen zijn mijn bescherming. Welke handeling, goed of slecht, ik zal er de erfgenaam van zijn.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn ouder te worden en ouder worden niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze jong zijn, trots op hun jeugdigheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak
contempleert op dat feit (van de zekerheid van ouder worden), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ouder worden) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze 'er zeker van zijn ziek te worden en het niet kunnen vermijden'? Wezens zijn als ze gezond zijn, trots op hun gezondheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van ziekte), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ziekte) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn dood te gaan en de dood niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze in leven zijn, trots op het levend zijn; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van de dood), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van de dood) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ’in alle dingen, dierbaar en geliefd, verandering zal optreden en dat er scheiding van zal zijn’? Wezens hebben een wellustig verlangen naar dat wat dierbaar en geliefd is; en brandend door wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert (op verandering in en scheiding van dierbare en geliefde dingen), zal het wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van verandering en scheiding in wat geliefd is) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik dikwijls contempleren op het feit dat zij de ‘de eigenaren van hun handelingen zijn, de erfgenamen van hun handelingen, dat hun handelingen hun schoot zijn, handelingen hun verwanten zijn, handelingen hun bescherming zijn en dat welke handeling ze ook verrichten, goed of slecht, zij er de erfgenamen van zullen zijn'? Er zijn wezens die een slecht leven leiden in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert op het feit (van bezit van zijn eigen handelingen)zal dat slechte gedrag ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze reden zou het feit dikwijls overdacht moeten worden.
De nobele discipel nu, contempleert aldus: ’Ik ben niet de enige die er zeker van is ouder te worden, ziek te worden en dood te gaan. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, ze zijn allen onderhevig aan ouder worden, ziekte en dood. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad van de stadia van heiligheid op.
Hij begeeft zich nu regelmatig op het Pad, onderhoudt het en versterkt het.
Terwijl hij dit doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen slechte neigingen ophouden te bestaan.
Verder contempleert de nobele discipel als volgt: ’Ik ben niet de enige voor wie er verandering optreedt in wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de eigenaar en erfgenaam van zijn handelen is. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, voor hen allen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is; en zij allen zijn de eigenaar en de erfgenaam van hun handelingen. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad op. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad, onderhoudt het en versterkt het. Terwijl hij dat doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen de slechte neigingen ophouden te bestaan.
Onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood, wezens in deze toestand worden verafschuwd door de wereldling. Maar hij zou beter kunnen denken: ’Als ik weerzin zou voelen voor wezens van een dergelijke soort, zou dit niet juist zijn voor mij, die evenzeer een dergelijk lot beschoren is.
Terwijl ik in dergelijke gedachten verblijf en weet heb van (Nibbāna’s) zorgeloze staat, zal ik de drievoudige trots verslaan, van gezondheid, jeugdigheid en uitbundigheid van leven, omdat ik zie dat de zekere vrede in verzaking ligt.
Turend naar Nibbāna, ontstaat er geestdrift in mij:
Nu kan ik nooit meer zwichten voor zintuiglijk verlangen!
Iemand die nooit meer terugkeert, zal ik worden.
Het verheven leven is nu mijn hoogste doel.’ "
Uit: Anguttara Nikaya V, 57. De Verzameling Predikingen met Numerieke Rangschikking.-
Een selectie door Nyanaponika Mahathera.
Bron: buddhistmahavihara.com/admin/uploads/why_buddhism_(dutch).pdf
Dr. K. Sri Dhammananda
Vertaling: Arjan Schrier
PS
De 3-september-versie van deze blog was onvolledig.
Excuses voor het bestaan van twee versies
Of eigenlijk wel: ik ben sinds die dag weer (op 6 september) 124 dagen dichter bij mijn dood gekomen, wanneer die dan ook is.
En ik heb me verdiept in de contemplaties op de dood (Maranassati), en op Vijf contemplaties voor iedereen en het boek dat Rosenberg daarover heeft geschreven.
Contempleren - te begrijpen als 'diep denken ' - elke dag op:
’Ik weet zeker dat ik ouder word. Ik kan ouder worden niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik ziek word. Ik kan ziekte niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik doodga. Ik kan de dood niet vermijden.’
’In alle dierbare en geliefde dingen zal verandering optreden en er zal scheiding van zijn.’
’Ik ben de eigenaar van mijn handelingen (kamma), de erfgenaam van mijn handelingen, handelingen zijn de schoot (waaruit ik ontstaan ben), handelingen zijn mijn verwanten, handelingen zijn mijn bescherming. Welke handeling, goed of slecht, ik zal er de erfgenaam van zijn.'
Over deze tekst (volledige sutta-versie: zie onderaan), en meer gedetailleerde contemplaties, heeft Larry Rosenberg geschreven:
Living In The Light Of Death ;
On The Art Of Being Truly Alive
Shambhala Publications Inc, september 2001, 192 pagina's
Te koop via boekhandel of Bol.com of Amazon.com (met een aantal bladzijden in te zien.)
Samenvatting
This book presents the Buddhist approach to facing the inevitable facts of growing older, getting sick, and dying. These tough realities are not given much attention by many people until midlife, when they become harder to avoid. Using a Buddhist text known as the Five Subjects for Frequent Recollection, Larry Rosenberg shows how intimacy with the realities of aging can actually be used as a means to liberation. When we become intimate with these inevitable aspects of life, he writes, we also become intimate with ourselves, with others, with the world--indeed with all things.
======================================================================
Een vervolg op m'n blog van 5 mei dus.
Maar ook weer niet. In die periode was ik intensief met mijn dood bezig, zonder concrete aanleiding (geen ziekte, geen voorjaarsmoeheid of zo); zo maar, van binnen uit.
Nu ben ik dat nauwelijks. Dat komt wel weer; zoals ik een paar dagen geleden aan iemand schreef: als er iets is waar ik me geen zorgen over hoef te maken, is dat het feit dat ik dood ga.
Maar juist omdat ik er niet - vanuit mezelf - mee bezig ben, moet ik er mee bezig zijn.
Dicht bij de tekst blijvend, zal ik hier passages uit hoofdstuk 3 van dit boek (pagina 78-121)samenvattend vertalen:
' (CHAPTER 3)- THE THIRD MESSENGER – DEATH IS UNAVOIDABLE '.
Vrijblijvend met dit thema zijn kan niet, werkt niet: we moeten 'standvastig en stevig' naar het feit van de dood kijken. We kunnen er niet 'kort en achteloos een blik op werpen.
Eigenlijk is de hele beoefenen van de Dharma van mij tot nu toe een voorbereiding, om me sterk genoeg te maken om te kijken naar mijn doodsangst. Er is ook aandachtigheid en concentratie voor nodig. Geen rigide concentratie maar een tedere gemoedstoestand.
Voor een formele beoefening maakt Rosenberg gebruik van een negendelige meditatie, gebaseerd op een tekst van de Indiase boeddhist Atisha (980-1055).
Drie thema's die steeds ook uit drie contemplaties bestaan.
Het is aan te bevelen een contemplatie steeds te beginnen met aandacht voor de ademhaling (anapanasati), totdat er een zekere kalmte bereikt is; want deze contemplaties vereisen een geconcentreerde geest. Met zo'n serene geest kan men scherp en soepel denken.
De woorden waarop gecontempleerd wordt, lijken simpel, maar na verloop van tijd komt hun diepere betekenis naar voren.
DE ONVERMIJDELIJKHEID VAN DE DOOD
1. Iedereen moet sterven;
2. Het aantal dagen dat we nog leven, vermindert continu;
3. De dood komt, of we nu wel of niet de tijd hebben genomen de Dharma te beoefenen.
DE ONZEKERHEID OVER HET TIJDSTIP VAN DE DOOD
4. De menselijke levensverwachting is onzeker;
5. Er zijn veel oorzaken van de dood;
6. Het menselijk lichaam is heel fragiel en kwetsbaar.
ALLEEN DE BEOEFENING VAN DE DHARMA KAN ONS HELPEN ALS WE GAAN STERVEN
7. Onze bezittingen kunnen ons niet helpen;
8. Degenen die van ons houden kunnen ons niet helpen;
9. Ons lichaam kan ons niet helpen.
Dat zijn ze, ga er maar aan staan; of liever: ik moet er nu echt aan beginnen.
Vooral de achtste vind ik moeilijk, dat realiseert ook Rosenberg zich.
"We denken dat onze menselijke relaties niet – zoals bezittingen – een ego bevatten. Onze relatie tot onze partner. Onze ouders. Onze kinderen. Broers en zussen. Nabije vrienden. Onze spirituele leraren. We geloven dat we een aantal relaties hebben die een zekere zuiverheid bevatten.
Dat mag waar zijn. Maar het is ook waar dat onze vrienden ons niet kunnen helpen als we sterven. Mogelijk zijn ze in de buurt (of niet, we weten niet hoe het gaat). Ze kunnen ons geruststellen. Maar op het eind, uiteindelijk, moeten we 'dag' tegen ze zeggen en ze niet meer terug zien. We moeten alleen sterven. " (pagina 101)
======================================================================
" Vijf contemplaties voor iedereen
Er zijn vijf onderwerpen, monniken, waarop vaak gecontempleerd zou moeten worden door mannen en vrouwen, lekevolgelingen en monniken. Wat zijn deze vijf onderwerpen?
’Ik weet zeker dat ik ouder word. Ik kan ouder worden niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik ziek word. Ik kan ziekte niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik doodga. Ik kan de dood niet vermijden.’
’In alle dierbare en geliefde dingen zal verandering optreden en er zal scheiding van zijn.’
’Ik ben de eigenaar van mijn handelingen (kamma), de erfgenaam van mijn handelingen, handelingen zijn de schoot (waaruit ik ontstaan ben), handelingen zijn mijn verwanten, handelingen zijn mijn bescherming. Welke handeling, goed of slecht, ik zal er de erfgenaam van zijn.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn ouder te worden en ouder worden niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze jong zijn, trots op hun jeugdigheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak
contempleert op dat feit (van de zekerheid van ouder worden), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ouder worden) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze 'er zeker van zijn ziek te worden en het niet kunnen vermijden'? Wezens zijn als ze gezond zijn, trots op hun gezondheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van ziekte), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ziekte) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn dood te gaan en de dood niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze in leven zijn, trots op het levend zijn; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van de dood), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van de dood) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ’in alle dingen, dierbaar en geliefd, verandering zal optreden en dat er scheiding van zal zijn’? Wezens hebben een wellustig verlangen naar dat wat dierbaar en geliefd is; en brandend door wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert (op verandering in en scheiding van dierbare en geliefde dingen), zal het wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van verandering en scheiding in wat geliefd is) dikwijls overdacht moeten worden.
Om welke goede reden moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik dikwijls contempleren op het feit dat zij de ‘de eigenaren van hun handelingen zijn, de erfgenamen van hun handelingen, dat hun handelingen hun schoot zijn, handelingen hun verwanten zijn, handelingen hun bescherming zijn en dat welke handeling ze ook verrichten, goed of slecht, zij er de erfgenamen van zullen zijn'? Er zijn wezens die een slecht leven leiden in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert op het feit (van bezit van zijn eigen handelingen)zal dat slechte gedrag ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze reden zou het feit dikwijls overdacht moeten worden.
De nobele discipel nu, contempleert aldus: ’Ik ben niet de enige die er zeker van is ouder te worden, ziek te worden en dood te gaan. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, ze zijn allen onderhevig aan ouder worden, ziekte en dood. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad van de stadia van heiligheid op.
Hij begeeft zich nu regelmatig op het Pad, onderhoudt het en versterkt het.
Terwijl hij dit doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen slechte neigingen ophouden te bestaan.
Verder contempleert de nobele discipel als volgt: ’Ik ben niet de enige voor wie er verandering optreedt in wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de eigenaar en erfgenaam van zijn handelen is. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, voor hen allen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is; en zij allen zijn de eigenaar en de erfgenaam van hun handelingen. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad op. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad, onderhoudt het en versterkt het. Terwijl hij dat doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen de slechte neigingen ophouden te bestaan.
Onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood, wezens in deze toestand worden verafschuwd door de wereldling. Maar hij zou beter kunnen denken: ’Als ik weerzin zou voelen voor wezens van een dergelijke soort, zou dit niet juist zijn voor mij, die evenzeer een dergelijk lot beschoren is.
Terwijl ik in dergelijke gedachten verblijf en weet heb van (Nibbāna’s) zorgeloze staat, zal ik de drievoudige trots verslaan, van gezondheid, jeugdigheid en uitbundigheid van leven, omdat ik zie dat de zekere vrede in verzaking ligt.
Turend naar Nibbāna, ontstaat er geestdrift in mij:
Nu kan ik nooit meer zwichten voor zintuiglijk verlangen!
Iemand die nooit meer terugkeert, zal ik worden.
Het verheven leven is nu mijn hoogste doel.’ "
Uit: Anguttara Nikaya V, 57. De Verzameling Predikingen met Numerieke Rangschikking.-
Een selectie door Nyanaponika Mahathera.
Bron: buddhistmahavihara.com/admin/uploads/why_buddhism_(dutch).pdf
Dr. K. Sri Dhammananda
Vertaling: Arjan Schrier
PS
De 3-september-versie van deze blog was onvolledig.
Excuses voor het bestaan van twee versies
Labels:
boeken,
ervaring,
Mahayana,
meditatie,
Pali-Canon
zondag 11 augustus 2013
Teksten en discussiethema's over samatha-meditatie
Vooraf
Deze blogtekst hoort in een serie van de afgelopen en komende maanden.
Ze zijn – voor mezelf en misschien voor de lezers – een voorbereiding op het seminar/miniretraite in Amersfoort van 29 en 30 oktober te geven door Leigh Brasington
Zie de aankondiging en uitnodiging op de website van de SIM, www.simsara.nl
Er is nog een tiental plaatsen voor elk van beide dagen beschikbaar.
Zie voor eerdere teksten hier en hier .
In september en oktober wil ik nog meer teksten plaatsen, bv het interview met Leigh in het boek van Shankman en een samenvatting van een artikel van Quli (voor beide: zie onder)
Ook wil ik een (Nederlandse) samenvatting geven van een artikel van de bekende monnik-geleerde-meditatieleraar Henepola Gunaratana, met de uitdagende titel: Should we come out of Jhåna to practice Vipassanå ? Ik zal het antwoord vast verklappen: nee .
Dit keer een overzicht van interviews met Leigh, twee berichten en twee wat langere teksten.
==================================================================
A . Een paar interviews met Leigh en artikelen n.a.v. interviews
Als kennismaking met Leigh Brasington en zijn benadering van samatha meditatie en de jhana's, en als voorbereiding op het seminar/minitraite 29 en 30 oktober
Een Video Interview with Willoughby Britton of the Cheetah House
' Leigh Brasington on the Dark Night ' 7 Jan 2013 → Hier te beluisteren en bekijken '
' What are Jhanas ?' Een video-interview uit 2011, door Stephanie Nash, hier
' Practical Jhānas: Right Concentration and the Suttas ' door Leigh Brasington
Secular Buddhism Conference – Barre Center for Buddhist Studies 26 March, 2013
Zie hier
Een uitgebreid interview met Leigh in het boek 'The experience of Samadhi', door Richard Shankman, hieronder verder genoemd. Ik overweeg deze tekst in een volgende blog op te nemen of samen te vatten.
' Multiple Buddhist Modernisms: Jhāna in Convert Theravāda ' door Natalie Quli
Zie Quli-Jhana . Zoals hierboven aangekondigd, wil ik dit – deels op interviews gebaseerde - artikel in september samenvatten.
==================================================================
B . Nog een retraite over en met samatha (en vipassana)
Dan nog meer goed nieuws voor wie al langer vermoedt dat er meer is dan alleen vipassana-meditatie.
Naast de bijeenkomst met Brasington eind oktober is er ook – door de stichting Sanghametta – een retraite georganiseerd van 3 tot 24 september (kan ook deels) a.s. in Vught met de dhammalerares Christina Garbe. Over een paar weken al, dus snel nagaan of er nog plaats is.
Zie de aankondiging ervan:
“Best of both worlds
Het onderricht van Christina Garbe is een combinatie van concentratiemeditatie (samatha) en inzichtsmeditatie (vipassana), een samengaan van het beste van de Mahasi en de Pa Auk methode. Door deze combinatie van opmerkzaamheid/mindfulness en concentratie ontstaat een krachtige geest die zuiver wordt en tot diepere inzichten kan komen.
Opbouw retraite
We beginnen met anderhalve dag oefenen, theorie en uitwisseling om bekend te worden met de concentratiemeditatie. Vervolgens wordt de overige 19 dagen in stilte gemediteerd. ”
Ik heb dit voorjaar een korte retraite bij haar gedaan en zie een verschil tussen haar benadering (en van haar Burmese leraren) en die van Brasington als Ayya Khema –leerling. Deels, en in ieder geval volgens mij komt dit verschil neer op het werken met het Jhana-begrip uit de Sutta's en dat volgens de Visuddhimagga.
Over het verschil daartussen: zie onderstaande tekst van Richard Shankman. D.w.z. de eerste ervan; de tweede tekst is een interview van Shankman met Leigh Brasington, die m.i. De Sutta-lijn volgt.
Van Christina Garbe (die de retraite in het Engels geeft!) heb ik alleen een Duitse tekst beschikbaar over samadhi, aan het eind van deze blog citeer ik een deel daarvan.
==================================================================
C . Twee artikelen van Gerolf 't Hooft over Concentratie en Jhana in BoeddhaMagazine
Nog een bewijs voor de toenemende belangstelling voor de concentratie-meditatie (met name dan in de Theravada-gemeenschap) is een tweetal artikelen geschreven door Gerolf 't Hooft (oprichter van uitgever Asoka) in het tijdschrift BoeddhaMagazine in de eerste helft van 2013.
Zie de website Boeddhamagazine Online en website Uitgever
Bij beide artikelen – die ook online te raadplegen zijn – een paar opmerkingen. Verder: in hun geheel lezen!
' Concentratie (of het openen van de deur van de geest)' door Gerolf T'Hooft
Zie de link http://boeddhamagazine.nl/concentratie/
Dicht bij het vroege boeddhisme blijvend wordt een overzicht gegeven van de verschillende vormen (niveaus) van concentratie-meditatie; en bij de verhouding vipassana-samatha.
'Concentratie' omschrijft 't Hooft als: 'de strijd tegen hindernissen '.
De 'vijf factoren van concentratie ' (vitakka, vicara, piti, sukha, ekagatta) zijn een soort tegengif (een term die hij niet gebruikt) tegen de vijf respectievelijke hindernissen.
Of dat één-op-één klopt, weet ik niet zeker, ook vermoed ik dat Brasington vitakka en vicara niet vertaalt als 'initiële' c.q. 'aanhoudende gerichtheid' en of hij ekagatta (éénpuntigheid) als factor bij de eerste jhana beschouwt.
' Jhāna (of het afdalen in de diepten van de geest) ' door Gerolf T'Hooft
Zie de link http://boeddhamagazine.nl/jhana/
In dit tweede artikel gaat de auteur door op het bereiken van 'Jhana' als tevolg van concentratie-meditatie. Zeer verhelderend, ook terminonolgisch.
De vier jhana's worden steeds met één woord getypeerd:
'Verrukking' (eerste jhana);
'Vreugde' (tweede jhana);
'Rust' (derde jhana);
'Gelijkmoedigheid' (vierde jhana);
De afsluitende paragraaf heeft als kopje 'Inzicht '; ik citeer:
"Deze vier meditatiestadia zijn uiterst aangename ervaringen en het geluk dat ermee gepaard gaat overtreft alles wat we via de gebruikelijke zintuigen kunnen beleven. Het zijn en blijven echter geconditioneerde fenomenen. De jhāna’s hebben weliswaar de kracht om blijvend de illusie te doorbreken dat we voor ons geluk afhankelijk zijn van de buitenwereld, toch is er nog steeds de afhankelijkheid van concentratie. In combinatie met een retrospectieve analyse van de jhāna’s als veranderlijke verschijnselen (anicca) vormen ze volgens de Boeddha echter de noodzakelijke maar ideale springplank naar transformerend inzicht in de drie kenmerken van het persoonlijk bestaan: dukkha, anicca en anattā, de drie deuren naar bevrijding, de drie vensters op nibbāna. Alleen een geest die d.m.v. de jhāna’s is voorbereid, soepel, open en tevreden is, kan de sprong wagen naar een totaal ander soort inzicht. Een inzicht dat zo diep en onomkeerbaar ingrijpt in onze gebruikelijke manier van ervaren, dat we volgens de Boeddha vanaf dat moment feitelijk een ander soort mens worden ..."
==================================================================
D . Citaat hfst 4 van Shankman: Controversies Surrounding Samadhi
Belangrijk – met name in de Theravada-vipassana-gemeenschap is het verschijnen in 2008 geweest van het boek
'The Experience of SAMADHI
An In-depth Exploration of Buddhist Meditation
door Richard Shankman , zelf boeddhistisch meditatie-leraar.
In dit boek gaat hij na hoe 'Samadhi' en 'Jhana' in de Pali-teksten voorkomt, eerst in de Sutta's en vervolgens in de Visuddhimagga van Buddhagghosa (zie mijn blog van 14 juni hierover)
Hier neem ik een deel over van het hoofdstuk dat de (oude en nieuwe) controversen over deze begrippen beschrijft. In een volgende blog neem ik het interview op van Shankman met Brasington.
Chapter 4 - - - Controversies Surrounding Samadhi
Having released knots, a sage here in the world does not follow any faction when disputes arise.
Calmed among those who are not calm, equanimous, he does not take up opinions, saying “Let others take them up. ”
The Buddha, Sutta Nipata, 912
It is easy to see why there is a range of viewa about samadhi and the nature of jhana, and easy to understand why later commentators were eager to clarify the meaning of the Pali suttas according to their own understandings. Many of the meditative states and techniques for attaining them are described very concisely in the suttas, using compressed formulas with little or incomplete explanatory detail, and so are only partially adequate as practical meditation guides. Sutta passages often rely on standard prescribed phrases, which served to assist in memorization for their oral transmission in the early centuries before they were finally codified in written form. A few of them sketch out a full map for the practice, but none of them fill in all the details. Although perhaps the details would has been enough for a practitioner during the time when the suttas were composed, the - original meanings of some words, as intended within a sutta’s context, may not be clearly understood by modern Pali scholars (it is also quite possible that greater detail was provided orally, outside the formulaic pattern o f the suttas). There is reason to suspect that certain passages were inserted at later dates. Unless we want to pick and choose the portions of the suttas we are inclined to accept as original, leaving the rest, we must accept the suttas as they exist today. We can find either inconsistency or congruency amongthe wide range of practices in the canonical and commentarial texts, depending on our viewpoint.
There is disagreement about what jhana is, and the term is used to describe a range of experiences by various teachers. Jhana is always defined by the standard formula, in which the presence or absence of five jhana factors and other supplemental elements characterize the various levels ofjhana. Because these factors are present, to varying degrees, throughout a wide range oflevels and types of samadhi, various meditation teachers, each presenting a different idea ofwhatjhana is, can legitimately claim to be teaching the “real” jhana. There is no consensus onwhether or not jhana is necessary to realize the deeper stages ofinsight, and scriptural evidence can be found to support either view.
The scriptural sources can be conflicting. The Buddha of the early Pali suttas taught contextually, varying his advice depending on his audience and the immediate circumstances. The suttas, therefore, are not entirely consistent, presenting an array of styles and approaches to practice that vary to suit the range ofhuman temperaments, and lending themselves to various interpretations regarding the path of meditation.
Now that we have examined the range of ways samadhi and jhana are described in the suttas and the Visuddhimagga, some of the controversyand disagreement surrounding samadhi and how it is taught can be discussed.
The approach taken here is to remain open and receptive to reconciling the suttas and the Visuddhimagga, without having to do so, recognizing that there may be points of tension and incompatibility between the two. If the beginning premise is that the Visuddhimagga is the authority for understanding the suttas correctly, then the two sources must agree, and one
will be predisposed to interpret the suttas in light of the Visuddhimagga.
One will be disposed to construe the words and phrases of the suttas in the light of the explanations given by the Visuddhimagga. In the preceding chapters each has been viewed on its own terms, and they can now be compared in order to highlight their similarities and differences, convergences and inconsistencies. Various teachers and methods can then be surveyed without passingjudgment on their interpretations.
The debates surrounding samadhi can roughly be summarized by three broad questions:
(i ) What is jhana?
(2) Are concentration and insight two distinct paths of meditation practice or one?
(3) Is jhana necessary for insight?
The answers to all of these questions depend upon whether the Visuddhimagga is taken to be the authoritative interpretation of the suttas, and upon which interpretation of the suttas one adopts.
(pagina 77-79)
............
CONCLUSION
The Visuddhimagga presents a path of meditation and the states within it that is new and distinct from the Pali suttas. During the centuries between the composition of the suttas and Buddhaghosa’s great work, the understanding of jhana evolved from being a state of undistracted awareness and profound insight into the ' nature of changing phenomena to states of extreme
tranquillityin which the mind is utterly engrossed in the mental qualities of the jhana itself. Whether the path of meditation developed to adapt to that change or the new understanding arose from a change in the way meditation was practiced we cannot know. In any case, insight meditation and the path of concentration and tranquillity were necessarily separated because, in the fixed concentration of the Visuddhimagga, insight could arise onlyupon leaving jhana.
The basis for separatingmeditation into two paths and the controversy surrounding whether jhana is necessary at all for the deepest levels of awakening, is the notion that jhana is ancillary to insight meditation.Jhana may be developed, or not, prior to insight meditation, according to one’s own predispositions. In the Visuddhimagga, the entire reason for developing tranquillity is to attain jhana in order to then turn to other practices for cultivating insight.
The suttas, however, do not make such a clear distinction. The suttas never clearly articulate a dry path of pure insight in which jhana plays no role. One could separate insight meditation from samatha meditation, though both are part of the same path. The practice of right samadhi seems
to integrate tranquillity and insight into a single meditative path. Mindfulness meditation is a concentration practice leading toward jhana; insight meditation is not a separate practice. Although achieving tranquillity is not the ultimate goal of concentration meditation, the suttas regard tranquillity as important. Tranquillity is a supporting condition for insight to arise.
Tranquillity and insight are two inseparable facets of mental cultivation, mutually supportive and necessary. They can be cultivated independently, but ultimately must be brought together in a balanced way.
The two jhanas are equivalent in terms of the strength of concentration, but dissimilar in terms of the type of concentration. In both cases the mind has reached the peak of stillness.Jhana in the suttas is a state of heightened mindfulness and awareness of an ever-changing stream of experiences, in which the mind is unmoving. Jhana in the Visuddhimagga is a state of fixed concentration, where there is no experience of changing phenomena whatsoever, because the objects of the mind are unmoving.
The jhana factors vitakka-vicara, which can be understood in' the suttas in at least two possible ways, as applying and maintaining the mind on the object of meditation or as other mental activity, such as volition, thought, and mental evaluation, are strictly confined in meaning
in the Visuddhimagga to connecting and sustaining. Ekaggata, most properly understood in the suttas as unification of mind inclusive of all changing experiences, is a one-pointed, fixed concentration in the Visuddhimagga.
The prominent role of physical-body awareness in the sutta jhana definition, which is underscored in the jhana similes and the Mindfulness of the Body Sutta, is understood purely as the “mental” body in the Visuddhimagga.
The Visuddhimagga introduces several other concepts and terms that are not found in the suttas. Preparatory, access, and attainment concentration, as well as the signs (nimittas) accompanying these stages, are not found in the suttas. The word nimitta does appear in the suttas in connection with right concentration, but there it simply means “theme” or “basis” of concentration, and is equated with the four foundations of mindfulness. The forty meditation subjects can be found in the suttas, but many are only mentioned peripherally, often with little or no explanatory detail. There are certainly not the extensive and meticulous descriptions
found in the Visuddhimagga. In particular, kasil).a practice, which is central to the Visuddhimagga understanding ofjhana, is never explained in detail in the suttas at all.
The suttas and the Visuddhimagga are in agreement that a state of strong concentration totally divorced from any awareness of the body is not necessary for awakening. They differ simply in that the suttas do not define such a state as constituting the fourjhanas, whereas the Visuddhimagga does.
.png)
Jhana is clearly not required for any of the stages of enlightenment in the Visuddhimagga. The suttas are ambiguous about the necessity ofjhana for stream-entry, and the case becomes increasingly strong with each successive stage of enlightenment. The controversies over what is the “real” jhana resolve when we realize that there are two distinct jhanas in the Pali literature, each one true and correct within its own system: “sutta jhana” and “Visuddhimagga jhana.” These two jhana systems are not the same. They comprise different meditative states, sharing some features in common, but with their own unique characteristics, potentials, and methods for realizing them. Each can be properly understood only within the overall context of the texts within which, it appears.
(pagina 101-104)
====================================================================
Het hele boek van Shankman (236 pagina's) kan als pdf op verzoek bij mij verkregen worden, evenals het hele artikel van Garbe.
====================================================================
E . Openingsparagraaf uit de pdf: 'Samādhi '
(door) Christina Garbe
Samatha bhāvanā - Konzentrationsmeditation
Der gewöhnliche Geist ist abgelenkt und unkontrolliert. Buddhistische Meditation ist eine
Methode der geistigen Entwicklung, um den Geist zu beruhigen, zu reinigen, zu Erkenntnis
zu gelangen und Leiden endgültig zu überkommen, ein Weg der Befreiung. Um Befreiung
von Leiden, was bedeutet, von Problemen, Schwierigkeiten jeglicher Art, zu erreichen, ist
Meditation von grundlegender Bedeutung. Die Meditationsarten in der theravādabuddhistischen
Tradition basieren auf den eigenen Erfahrungen des letzten Buddha Gotama,
der vor ca. 2500 Jahren in Indien lebte und diesen Weg praktiziert hat. Es ist der Weg, um
vollkommene Erleuchtung zu erfahren.
In den überlieferten Schriften, im buddhistischen Pāḷikanon, werden zwei Arten von
Meditation beschrieben:
Samatha-bhāvanā, Ruhe- oder Konzentrationsmeditation und Vipassanā-bhāvanā,
Einsichtsmeditation.
Ruhe/Konzentrationsmeditation gibt es auch in anderen Religionen, Einsichtsmeditation gibt
es nur in der buddhistischen Lehre. Der Buddha hat am Anfang seines Meditationsweges
auch schon Konzentrationsmeditation bei zwei Lehrern praktiziert. Er hat sich damit auf
seiner Suche nach endgültiger Befreiung von jeglichem Leiden jedoch nicht zufrieden
gegeben. Er ist allein den Weg weiter gegangen und hat dann die Einsichtsmeditation
(vipassanā), basierend auf Konzentrationsmeditation, wiederentdeckt.
Für die Einsichtsmeditation gibt es zwei Zugänge, den über die geistigen Absorptionen
(Jhānā), entwickelt durch Konzentrationsmeditation, und den über die Entwicklung von
Konzentration durch Achtsamkeit auf verschiedene Objekte in Körper und Geist. Die erste
Annäherung, ist auch für die zweite, die Entwicklung der allgemeinen korrekten Achtsamkeit,
sehr förderlich. Gleichzeitig ist die allgemeine Achtsamkeit notwendig, um Konzentration
entsprechend der Samatha-Meditation zu entwickeln. Um Einsichtsmeditation zu praktizieren
mit dem Ziel des Erleuchtungsbewußtseins, muß man nicht die geistigen Absorptionen
(Jhānā) erreichen können. Es ist jedoch ein sehr viel komfortablerer und einfacherer Weg,
wenn man geschickt ist im Erreichen der Absorptionen (Jhānā). Auch die Einsichten sind
klarer und stabiler. Das erlangte Wissen aus direktem Sehen ist umfassender, je
umfassender das Wissen, je besser und einfacher kann man mit dem Dharma (der Lehre)
leben. Man könnte die Einsichtsmeditation mit dem Anschauen des Körpers im Spiegel
vergleichen. Der Spiegel ist dabei das Werkzeug, um sich anschauen zu können, wie in der
Meditation die Konzentration das Werkzeug ist. Wenn wir den Spiegel die ganze Zeit der
Betrachtung mit den Händen festhalten müssen, wird es sehr anstrengend und wir können
uns nicht von allen Seiten ungehindert betrachten. Hängen wir den Spiegel jedoch an einen
festen Haken an die Wand, können wir uns in Ruhe und von allen Seiten betrachten. So ist
es auch mit einer gut gefestigten Konzentration, je tiefer und stabiler die Konzentration, je
besser können wir das Dasein ohne Anstrengung von allen Seiten betrachten.
Einsichtsmeditation oder Achtsamkeitspraxis ohne ausreichende Konzentration bleibt
oberflächlich und führt nicht zur letztendlichen Befreiung vom Leiden. Durch Konzentration
entwickelt man einen gesammelten, friedlichen, ruhigen Geist als Voraussetzung für die
Entwicklung von Weisheit in der Einsichtsmeditation.
Die Samatha-Meditation allein birgt in sich dieselben Gefahren, wie alle existierenden
Phänomene, des Anhaftens und des Wunsches nach Existenz, nach besserer Existenz als
der, die man gerade lebt, jedoch als Grundlage für die Vipassanā-Meditation und das dann
aus Einsicht geführte spirituelle Leben, eine entschiedene Erleichterung. Samatha-
Meditation, erfolgreich praktiziert mit Zugangs- oder Jhānakonzentration, beruht auf sehr
heilsamen Geisteszuständen, die lange Zeit aufrechterhalten werden können und damit zu
einer sehr effektiven Reinigung des Geistes von Verunreinigungen führen. Sie ermöglichen
dem/der Meditierenden für lange Zeit im Hier und Jetzt ununterbrochen in glücklichen
Geisteszuständen zu verweilen. Diese glücklichen Geisteszustände sind eine ideale Basis für
tiefgründige Einsicht in die Natur aller Phänomene. Der Buddha hat in sehr vielen Lehrreden
seine Schüler dazu angewiesen, die geistigen Absorptionen (Jhānā) zu entwickeln und hat
ihnen die Voraussetzungen, ein ethisch reines Verhalten, dazu erklärt.
Ruhemeditation ist das geistige Training, um rechte Konzentration entsprechend dem edlen
achtfachen Pfad zu entwickeln. Im Mahāsatipaṭṭhāna Sutta (DN 22) der Lehrrede von den Grundlagen der Achtsamkeit, nennt der Buddha die Praxis der vier geistigen Absorptionen
(Jhānā) rechte Konzentration im Sinne des edlen achtfachen Pfades. Unser gewöhnliches
Denken, Reflektieren, Kontemplieren und Sehen geschieht auf konzeptueller Ebene, d. h. wir
sehen Frauen, Männer, Kinder, Autos, Kleider usw. und denken über diese Konzepte nach.
Die wirkliche Natur der Dinge kann nur durch das Sehen und Erfahren von ultimativen,
letztendlichen Realitäten (paramattho), die jenseits von Konzepten liegen, erkannt werden.
Für dieses Erkennen ist eine tiefe, anhaltende Konzentration, wie sie in der Samatha-
Meditation geübt wird, notwendig. Von dem Buddha wurden vierzig Objekte1 gegeben, die
sich für diese Ruhemeditation eignen. Man kann entsprechend des Charakters des
Meditierenden das entsprechende auswählen.
Konzentration bedeutet ‚zusammen zum Mittelpunkt‘, das heißt, daß das Bewußtsein und die
Geistesfaktoren gesammelt zum Mittelpunkt, zum Objekt der Betrachtung, gehen. Samādhi
setzt sich aus den drei Wörtern ‚sam‘ - zusammen, ‚ā‘ auf etwas zu, gegenüber, ‚dhā‘ halten,
tragen, zusammen. So kann man sagen, etwas zusammen zu etwas tragen oder halten. Der
Sinn ist derselbe, wie der des lateinischen Wortes Konzentration. Samādhi ist ein Zustand
tiefer geistiger und körperlicher Entspannung durch Einsgerichtetheit, das diskursive,
assoziierende Denken hört völlig auf. Der Geist geht völlig auf in dem Objekt der
Konzentration. Geist und Objekt werden eins. Der Geist ist in einem vollkommen klaren und
wachen Zustand. Dadurch findet eine tiefgehende Reinigung des Geistes statt, die
Vernebelung durch Verblendung wird gesäubert, so daß Weisheit entfaltet werden kann.
Der edle achtfache Pfad wurde vom Buddha gelehrt, um Leiden zu überwinden und
anhaltendes Glück zu erlangen. Das Training der Konzentration umfaßt drei Glieder des
edlen achtfachen Pfades, nämlich das Aufbringen von Energie für heilsame Geisteszustände,
eine sinnvoll ausgerichtete Achtsamkeit (sati), um die Natur der Dinge zu erkennen und eine
einsgerichtete, ungestörte Konzentration.
Die anderen beiden Trainings des edlen achtfachen Pfads sind Ethik, die man vor der
Konzentrationsübung praktizieren muß, und Weisheit, die aufbauend auf Konzentration
durch Einsichtsmeditation erlangt wird. Man kann die Ruhemeditation deshalb auch
Reinigung des Geistes nennen, weil sie Voraussetzung ist, um Weisheit zu entwickeln. Der
Geist wird durch Konzentration vorbereitet und in einen Zustand versetzt, um Weisheit zu
erlangen. Durch Konzentration entsteht ein Geisteszustand, welcher nicht dem gewöhnlichen
assoziativen Denken entspricht, sondern welcher die Dinge klar und unbeeinflußt durch die
Vergangenheit, aus dem gegenwärtigen Moment, sieht.
…..
Deze blogtekst hoort in een serie van de afgelopen en komende maanden.
Ze zijn – voor mezelf en misschien voor de lezers – een voorbereiding op het seminar/miniretraite in Amersfoort van 29 en 30 oktober te geven door Leigh Brasington
Zie de aankondiging en uitnodiging op de website van de SIM, www.simsara.nl
Er is nog een tiental plaatsen voor elk van beide dagen beschikbaar.
Zie voor eerdere teksten hier en hier .
In september en oktober wil ik nog meer teksten plaatsen, bv het interview met Leigh in het boek van Shankman en een samenvatting van een artikel van Quli (voor beide: zie onder)
Ook wil ik een (Nederlandse) samenvatting geven van een artikel van de bekende monnik-geleerde-meditatieleraar Henepola Gunaratana, met de uitdagende titel: Should we come out of Jhåna to practice Vipassanå ? Ik zal het antwoord vast verklappen: nee .
Dit keer een overzicht van interviews met Leigh, twee berichten en twee wat langere teksten.
==================================================================
A . Een paar interviews met Leigh en artikelen n.a.v. interviews
Als kennismaking met Leigh Brasington en zijn benadering van samatha meditatie en de jhana's, en als voorbereiding op het seminar/minitraite 29 en 30 oktober
Een Video Interview with Willoughby Britton of the Cheetah House
' Leigh Brasington on the Dark Night ' 7 Jan 2013 → Hier te beluisteren en bekijken '
' What are Jhanas ?' Een video-interview uit 2011, door Stephanie Nash, hier
' Practical Jhānas: Right Concentration and the Suttas ' door Leigh Brasington
Secular Buddhism Conference – Barre Center for Buddhist Studies 26 March, 2013
Zie hier
Een uitgebreid interview met Leigh in het boek 'The experience of Samadhi', door Richard Shankman, hieronder verder genoemd. Ik overweeg deze tekst in een volgende blog op te nemen of samen te vatten.
' Multiple Buddhist Modernisms: Jhāna in Convert Theravāda ' door Natalie Quli
Zie Quli-Jhana . Zoals hierboven aangekondigd, wil ik dit – deels op interviews gebaseerde - artikel in september samenvatten.
==================================================================
B . Nog een retraite over en met samatha (en vipassana)
Dan nog meer goed nieuws voor wie al langer vermoedt dat er meer is dan alleen vipassana-meditatie.
Naast de bijeenkomst met Brasington eind oktober is er ook – door de stichting Sanghametta – een retraite georganiseerd van 3 tot 24 september (kan ook deels) a.s. in Vught met de dhammalerares Christina Garbe. Over een paar weken al, dus snel nagaan of er nog plaats is.
Zie de aankondiging ervan:
“Best of both worlds
Het onderricht van Christina Garbe is een combinatie van concentratiemeditatie (samatha) en inzichtsmeditatie (vipassana), een samengaan van het beste van de Mahasi en de Pa Auk methode. Door deze combinatie van opmerkzaamheid/mindfulness en concentratie ontstaat een krachtige geest die zuiver wordt en tot diepere inzichten kan komen.
Opbouw retraite
We beginnen met anderhalve dag oefenen, theorie en uitwisseling om bekend te worden met de concentratiemeditatie. Vervolgens wordt de overige 19 dagen in stilte gemediteerd. ”
Ik heb dit voorjaar een korte retraite bij haar gedaan en zie een verschil tussen haar benadering (en van haar Burmese leraren) en die van Brasington als Ayya Khema –leerling. Deels, en in ieder geval volgens mij komt dit verschil neer op het werken met het Jhana-begrip uit de Sutta's en dat volgens de Visuddhimagga.
Over het verschil daartussen: zie onderstaande tekst van Richard Shankman. D.w.z. de eerste ervan; de tweede tekst is een interview van Shankman met Leigh Brasington, die m.i. De Sutta-lijn volgt.
Van Christina Garbe (die de retraite in het Engels geeft!) heb ik alleen een Duitse tekst beschikbaar over samadhi, aan het eind van deze blog citeer ik een deel daarvan.
==================================================================
C . Twee artikelen van Gerolf 't Hooft over Concentratie en Jhana in BoeddhaMagazine
Nog een bewijs voor de toenemende belangstelling voor de concentratie-meditatie (met name dan in de Theravada-gemeenschap) is een tweetal artikelen geschreven door Gerolf 't Hooft (oprichter van uitgever Asoka) in het tijdschrift BoeddhaMagazine in de eerste helft van 2013.
Zie de website Boeddhamagazine Online en website Uitgever
Bij beide artikelen – die ook online te raadplegen zijn – een paar opmerkingen. Verder: in hun geheel lezen!
' Concentratie (of het openen van de deur van de geest)' door Gerolf T'Hooft
Zie de link http://boeddhamagazine.nl/concentratie/
Dicht bij het vroege boeddhisme blijvend wordt een overzicht gegeven van de verschillende vormen (niveaus) van concentratie-meditatie; en bij de verhouding vipassana-samatha.
'Concentratie' omschrijft 't Hooft als: 'de strijd tegen hindernissen '.
De 'vijf factoren van concentratie ' (vitakka, vicara, piti, sukha, ekagatta) zijn een soort tegengif (een term die hij niet gebruikt) tegen de vijf respectievelijke hindernissen.
Of dat één-op-één klopt, weet ik niet zeker, ook vermoed ik dat Brasington vitakka en vicara niet vertaalt als 'initiële' c.q. 'aanhoudende gerichtheid' en of hij ekagatta (éénpuntigheid) als factor bij de eerste jhana beschouwt.
' Jhāna (of het afdalen in de diepten van de geest) ' door Gerolf T'Hooft
Zie de link http://boeddhamagazine.nl/jhana/
In dit tweede artikel gaat de auteur door op het bereiken van 'Jhana' als tevolg van concentratie-meditatie. Zeer verhelderend, ook terminonolgisch.
De vier jhana's worden steeds met één woord getypeerd:
'Verrukking' (eerste jhana);
'Vreugde' (tweede jhana);
'Rust' (derde jhana);
'Gelijkmoedigheid' (vierde jhana);
De afsluitende paragraaf heeft als kopje 'Inzicht '; ik citeer:
"Deze vier meditatiestadia zijn uiterst aangename ervaringen en het geluk dat ermee gepaard gaat overtreft alles wat we via de gebruikelijke zintuigen kunnen beleven. Het zijn en blijven echter geconditioneerde fenomenen. De jhāna’s hebben weliswaar de kracht om blijvend de illusie te doorbreken dat we voor ons geluk afhankelijk zijn van de buitenwereld, toch is er nog steeds de afhankelijkheid van concentratie. In combinatie met een retrospectieve analyse van de jhāna’s als veranderlijke verschijnselen (anicca) vormen ze volgens de Boeddha echter de noodzakelijke maar ideale springplank naar transformerend inzicht in de drie kenmerken van het persoonlijk bestaan: dukkha, anicca en anattā, de drie deuren naar bevrijding, de drie vensters op nibbāna. Alleen een geest die d.m.v. de jhāna’s is voorbereid, soepel, open en tevreden is, kan de sprong wagen naar een totaal ander soort inzicht. Een inzicht dat zo diep en onomkeerbaar ingrijpt in onze gebruikelijke manier van ervaren, dat we volgens de Boeddha vanaf dat moment feitelijk een ander soort mens worden ..."
==================================================================
D . Citaat hfst 4 van Shankman: Controversies Surrounding Samadhi
Belangrijk – met name in de Theravada-vipassana-gemeenschap is het verschijnen in 2008 geweest van het boek
'The Experience of SAMADHI
An In-depth Exploration of Buddhist Meditation
door Richard Shankman , zelf boeddhistisch meditatie-leraar.
In dit boek gaat hij na hoe 'Samadhi' en 'Jhana' in de Pali-teksten voorkomt, eerst in de Sutta's en vervolgens in de Visuddhimagga van Buddhagghosa (zie mijn blog van 14 juni hierover)
Hier neem ik een deel over van het hoofdstuk dat de (oude en nieuwe) controversen over deze begrippen beschrijft. In een volgende blog neem ik het interview op van Shankman met Brasington.
Chapter 4 - - - Controversies Surrounding Samadhi
Having released knots, a sage here in the world does not follow any faction when disputes arise.
Calmed among those who are not calm, equanimous, he does not take up opinions, saying “Let others take them up. ”
The Buddha, Sutta Nipata, 912
It is easy to see why there is a range of viewa about samadhi and the nature of jhana, and easy to understand why later commentators were eager to clarify the meaning of the Pali suttas according to their own understandings. Many of the meditative states and techniques for attaining them are described very concisely in the suttas, using compressed formulas with little or incomplete explanatory detail, and so are only partially adequate as practical meditation guides. Sutta passages often rely on standard prescribed phrases, which served to assist in memorization for their oral transmission in the early centuries before they were finally codified in written form. A few of them sketch out a full map for the practice, but none of them fill in all the details. Although perhaps the details would has been enough for a practitioner during the time when the suttas were composed, the - original meanings of some words, as intended within a sutta’s context, may not be clearly understood by modern Pali scholars (it is also quite possible that greater detail was provided orally, outside the formulaic pattern o f the suttas). There is reason to suspect that certain passages were inserted at later dates. Unless we want to pick and choose the portions of the suttas we are inclined to accept as original, leaving the rest, we must accept the suttas as they exist today. We can find either inconsistency or congruency amongthe wide range of practices in the canonical and commentarial texts, depending on our viewpoint.
There is disagreement about what jhana is, and the term is used to describe a range of experiences by various teachers. Jhana is always defined by the standard formula, in which the presence or absence of five jhana factors and other supplemental elements characterize the various levels ofjhana. Because these factors are present, to varying degrees, throughout a wide range oflevels and types of samadhi, various meditation teachers, each presenting a different idea ofwhatjhana is, can legitimately claim to be teaching the “real” jhana. There is no consensus onwhether or not jhana is necessary to realize the deeper stages ofinsight, and scriptural evidence can be found to support either view.
The scriptural sources can be conflicting. The Buddha of the early Pali suttas taught contextually, varying his advice depending on his audience and the immediate circumstances. The suttas, therefore, are not entirely consistent, presenting an array of styles and approaches to practice that vary to suit the range ofhuman temperaments, and lending themselves to various interpretations regarding the path of meditation.
Now that we have examined the range of ways samadhi and jhana are described in the suttas and the Visuddhimagga, some of the controversyand disagreement surrounding samadhi and how it is taught can be discussed.
The approach taken here is to remain open and receptive to reconciling the suttas and the Visuddhimagga, without having to do so, recognizing that there may be points of tension and incompatibility between the two. If the beginning premise is that the Visuddhimagga is the authority for understanding the suttas correctly, then the two sources must agree, and one
will be predisposed to interpret the suttas in light of the Visuddhimagga.
One will be disposed to construe the words and phrases of the suttas in the light of the explanations given by the Visuddhimagga. In the preceding chapters each has been viewed on its own terms, and they can now be compared in order to highlight their similarities and differences, convergences and inconsistencies. Various teachers and methods can then be surveyed without passingjudgment on their interpretations.
The debates surrounding samadhi can roughly be summarized by three broad questions:
(i ) What is jhana?
(2) Are concentration and insight two distinct paths of meditation practice or one?
(3) Is jhana necessary for insight?
The answers to all of these questions depend upon whether the Visuddhimagga is taken to be the authoritative interpretation of the suttas, and upon which interpretation of the suttas one adopts.
(pagina 77-79)
............
CONCLUSION
The Visuddhimagga presents a path of meditation and the states within it that is new and distinct from the Pali suttas. During the centuries between the composition of the suttas and Buddhaghosa’s great work, the understanding of jhana evolved from being a state of undistracted awareness and profound insight into the ' nature of changing phenomena to states of extreme
tranquillityin which the mind is utterly engrossed in the mental qualities of the jhana itself. Whether the path of meditation developed to adapt to that change or the new understanding arose from a change in the way meditation was practiced we cannot know. In any case, insight meditation and the path of concentration and tranquillity were necessarily separated because, in the fixed concentration of the Visuddhimagga, insight could arise onlyupon leaving jhana.
The basis for separatingmeditation into two paths and the controversy surrounding whether jhana is necessary at all for the deepest levels of awakening, is the notion that jhana is ancillary to insight meditation.Jhana may be developed, or not, prior to insight meditation, according to one’s own predispositions. In the Visuddhimagga, the entire reason for developing tranquillity is to attain jhana in order to then turn to other practices for cultivating insight.
The suttas, however, do not make such a clear distinction. The suttas never clearly articulate a dry path of pure insight in which jhana plays no role. One could separate insight meditation from samatha meditation, though both are part of the same path. The practice of right samadhi seems
to integrate tranquillity and insight into a single meditative path. Mindfulness meditation is a concentration practice leading toward jhana; insight meditation is not a separate practice. Although achieving tranquillity is not the ultimate goal of concentration meditation, the suttas regard tranquillity as important. Tranquillity is a supporting condition for insight to arise.
Tranquillity and insight are two inseparable facets of mental cultivation, mutually supportive and necessary. They can be cultivated independently, but ultimately must be brought together in a balanced way.
The two jhanas are equivalent in terms of the strength of concentration, but dissimilar in terms of the type of concentration. In both cases the mind has reached the peak of stillness.Jhana in the suttas is a state of heightened mindfulness and awareness of an ever-changing stream of experiences, in which the mind is unmoving. Jhana in the Visuddhimagga is a state of fixed concentration, where there is no experience of changing phenomena whatsoever, because the objects of the mind are unmoving.
The jhana factors vitakka-vicara, which can be understood in' the suttas in at least two possible ways, as applying and maintaining the mind on the object of meditation or as other mental activity, such as volition, thought, and mental evaluation, are strictly confined in meaning
in the Visuddhimagga to connecting and sustaining. Ekaggata, most properly understood in the suttas as unification of mind inclusive of all changing experiences, is a one-pointed, fixed concentration in the Visuddhimagga.
The prominent role of physical-body awareness in the sutta jhana definition, which is underscored in the jhana similes and the Mindfulness of the Body Sutta, is understood purely as the “mental” body in the Visuddhimagga.
The Visuddhimagga introduces several other concepts and terms that are not found in the suttas. Preparatory, access, and attainment concentration, as well as the signs (nimittas) accompanying these stages, are not found in the suttas. The word nimitta does appear in the suttas in connection with right concentration, but there it simply means “theme” or “basis” of concentration, and is equated with the four foundations of mindfulness. The forty meditation subjects can be found in the suttas, but many are only mentioned peripherally, often with little or no explanatory detail. There are certainly not the extensive and meticulous descriptions
found in the Visuddhimagga. In particular, kasil).a practice, which is central to the Visuddhimagga understanding ofjhana, is never explained in detail in the suttas at all.
The suttas and the Visuddhimagga are in agreement that a state of strong concentration totally divorced from any awareness of the body is not necessary for awakening. They differ simply in that the suttas do not define such a state as constituting the fourjhanas, whereas the Visuddhimagga does.
.png)
Jhana is clearly not required for any of the stages of enlightenment in the Visuddhimagga. The suttas are ambiguous about the necessity ofjhana for stream-entry, and the case becomes increasingly strong with each successive stage of enlightenment. The controversies over what is the “real” jhana resolve when we realize that there are two distinct jhanas in the Pali literature, each one true and correct within its own system: “sutta jhana” and “Visuddhimagga jhana.” These two jhana systems are not the same. They comprise different meditative states, sharing some features in common, but with their own unique characteristics, potentials, and methods for realizing them. Each can be properly understood only within the overall context of the texts within which, it appears.
(pagina 101-104)
====================================================================
Het hele boek van Shankman (236 pagina's) kan als pdf op verzoek bij mij verkregen worden, evenals het hele artikel van Garbe.
====================================================================
E . Openingsparagraaf uit de pdf: 'Samādhi '
(door) Christina Garbe
Samatha bhāvanā - Konzentrationsmeditation
Der gewöhnliche Geist ist abgelenkt und unkontrolliert. Buddhistische Meditation ist eine
Methode der geistigen Entwicklung, um den Geist zu beruhigen, zu reinigen, zu Erkenntnis
zu gelangen und Leiden endgültig zu überkommen, ein Weg der Befreiung. Um Befreiung
von Leiden, was bedeutet, von Problemen, Schwierigkeiten jeglicher Art, zu erreichen, ist
Meditation von grundlegender Bedeutung. Die Meditationsarten in der theravādabuddhistischen
Tradition basieren auf den eigenen Erfahrungen des letzten Buddha Gotama,
der vor ca. 2500 Jahren in Indien lebte und diesen Weg praktiziert hat. Es ist der Weg, um
vollkommene Erleuchtung zu erfahren.
In den überlieferten Schriften, im buddhistischen Pāḷikanon, werden zwei Arten von
Meditation beschrieben:
Samatha-bhāvanā, Ruhe- oder Konzentrationsmeditation und Vipassanā-bhāvanā,
Einsichtsmeditation.
Ruhe/Konzentrationsmeditation gibt es auch in anderen Religionen, Einsichtsmeditation gibt
es nur in der buddhistischen Lehre. Der Buddha hat am Anfang seines Meditationsweges
auch schon Konzentrationsmeditation bei zwei Lehrern praktiziert. Er hat sich damit auf
seiner Suche nach endgültiger Befreiung von jeglichem Leiden jedoch nicht zufrieden
gegeben. Er ist allein den Weg weiter gegangen und hat dann die Einsichtsmeditation
(vipassanā), basierend auf Konzentrationsmeditation, wiederentdeckt.
Für die Einsichtsmeditation gibt es zwei Zugänge, den über die geistigen Absorptionen
(Jhānā), entwickelt durch Konzentrationsmeditation, und den über die Entwicklung von
Konzentration durch Achtsamkeit auf verschiedene Objekte in Körper und Geist. Die erste
Annäherung, ist auch für die zweite, die Entwicklung der allgemeinen korrekten Achtsamkeit,
sehr förderlich. Gleichzeitig ist die allgemeine Achtsamkeit notwendig, um Konzentration
entsprechend der Samatha-Meditation zu entwickeln. Um Einsichtsmeditation zu praktizieren
mit dem Ziel des Erleuchtungsbewußtseins, muß man nicht die geistigen Absorptionen
(Jhānā) erreichen können. Es ist jedoch ein sehr viel komfortablerer und einfacherer Weg,
wenn man geschickt ist im Erreichen der Absorptionen (Jhānā). Auch die Einsichten sind
klarer und stabiler. Das erlangte Wissen aus direktem Sehen ist umfassender, je
umfassender das Wissen, je besser und einfacher kann man mit dem Dharma (der Lehre)
leben. Man könnte die Einsichtsmeditation mit dem Anschauen des Körpers im Spiegel
vergleichen. Der Spiegel ist dabei das Werkzeug, um sich anschauen zu können, wie in der
Meditation die Konzentration das Werkzeug ist. Wenn wir den Spiegel die ganze Zeit der
Betrachtung mit den Händen festhalten müssen, wird es sehr anstrengend und wir können
uns nicht von allen Seiten ungehindert betrachten. Hängen wir den Spiegel jedoch an einen
festen Haken an die Wand, können wir uns in Ruhe und von allen Seiten betrachten. So ist
es auch mit einer gut gefestigten Konzentration, je tiefer und stabiler die Konzentration, je
besser können wir das Dasein ohne Anstrengung von allen Seiten betrachten.
Einsichtsmeditation oder Achtsamkeitspraxis ohne ausreichende Konzentration bleibt
oberflächlich und führt nicht zur letztendlichen Befreiung vom Leiden. Durch Konzentration
entwickelt man einen gesammelten, friedlichen, ruhigen Geist als Voraussetzung für die
Entwicklung von Weisheit in der Einsichtsmeditation.
Die Samatha-Meditation allein birgt in sich dieselben Gefahren, wie alle existierenden
Phänomene, des Anhaftens und des Wunsches nach Existenz, nach besserer Existenz als
der, die man gerade lebt, jedoch als Grundlage für die Vipassanā-Meditation und das dann
aus Einsicht geführte spirituelle Leben, eine entschiedene Erleichterung. Samatha-
Meditation, erfolgreich praktiziert mit Zugangs- oder Jhānakonzentration, beruht auf sehr
heilsamen Geisteszuständen, die lange Zeit aufrechterhalten werden können und damit zu
einer sehr effektiven Reinigung des Geistes von Verunreinigungen führen. Sie ermöglichen
dem/der Meditierenden für lange Zeit im Hier und Jetzt ununterbrochen in glücklichen
Geisteszuständen zu verweilen. Diese glücklichen Geisteszustände sind eine ideale Basis für
tiefgründige Einsicht in die Natur aller Phänomene. Der Buddha hat in sehr vielen Lehrreden
seine Schüler dazu angewiesen, die geistigen Absorptionen (Jhānā) zu entwickeln und hat
ihnen die Voraussetzungen, ein ethisch reines Verhalten, dazu erklärt.
Ruhemeditation ist das geistige Training, um rechte Konzentration entsprechend dem edlen
achtfachen Pfad zu entwickeln. Im Mahāsatipaṭṭhāna Sutta (DN 22) der Lehrrede von den Grundlagen der Achtsamkeit, nennt der Buddha die Praxis der vier geistigen Absorptionen
(Jhānā) rechte Konzentration im Sinne des edlen achtfachen Pfades. Unser gewöhnliches
Denken, Reflektieren, Kontemplieren und Sehen geschieht auf konzeptueller Ebene, d. h. wir
sehen Frauen, Männer, Kinder, Autos, Kleider usw. und denken über diese Konzepte nach.
Die wirkliche Natur der Dinge kann nur durch das Sehen und Erfahren von ultimativen,
letztendlichen Realitäten (paramattho), die jenseits von Konzepten liegen, erkannt werden.
Für dieses Erkennen ist eine tiefe, anhaltende Konzentration, wie sie in der Samatha-
Meditation geübt wird, notwendig. Von dem Buddha wurden vierzig Objekte1 gegeben, die
sich für diese Ruhemeditation eignen. Man kann entsprechend des Charakters des
Meditierenden das entsprechende auswählen.
Konzentration bedeutet ‚zusammen zum Mittelpunkt‘, das heißt, daß das Bewußtsein und die
Geistesfaktoren gesammelt zum Mittelpunkt, zum Objekt der Betrachtung, gehen. Samādhi
setzt sich aus den drei Wörtern ‚sam‘ - zusammen, ‚ā‘ auf etwas zu, gegenüber, ‚dhā‘ halten,
tragen, zusammen. So kann man sagen, etwas zusammen zu etwas tragen oder halten. Der
Sinn ist derselbe, wie der des lateinischen Wortes Konzentration. Samādhi ist ein Zustand
tiefer geistiger und körperlicher Entspannung durch Einsgerichtetheit, das diskursive,
assoziierende Denken hört völlig auf. Der Geist geht völlig auf in dem Objekt der
Konzentration. Geist und Objekt werden eins. Der Geist ist in einem vollkommen klaren und
wachen Zustand. Dadurch findet eine tiefgehende Reinigung des Geistes statt, die
Vernebelung durch Verblendung wird gesäubert, so daß Weisheit entfaltet werden kann.
Der edle achtfache Pfad wurde vom Buddha gelehrt, um Leiden zu überwinden und
anhaltendes Glück zu erlangen. Das Training der Konzentration umfaßt drei Glieder des
edlen achtfachen Pfades, nämlich das Aufbringen von Energie für heilsame Geisteszustände,
eine sinnvoll ausgerichtete Achtsamkeit (sati), um die Natur der Dinge zu erkennen und eine
einsgerichtete, ungestörte Konzentration.
Die anderen beiden Trainings des edlen achtfachen Pfads sind Ethik, die man vor der
Konzentrationsübung praktizieren muß, und Weisheit, die aufbauend auf Konzentration
durch Einsichtsmeditation erlangt wird. Man kann die Ruhemeditation deshalb auch
Reinigung des Geistes nennen, weil sie Voraussetzung ist, um Weisheit zu entwickeln. Der
Geist wird durch Konzentration vorbereitet und in einen Zustand versetzt, um Weisheit zu
erlangen. Durch Konzentration entsteht ein Geisteszustand, welcher nicht dem gewöhnlichen
assoziativen Denken entspricht, sondern welcher die Dinge klar und unbeeinflußt durch die
Vergangenheit, aus dem gegenwärtigen Moment, sieht.
…..
woensdag 26 juni 2013
Boeddhisme en seks: het meer totale plaatje (door Stephen Batchelor); en wat kanttekeningen
Het thema 'boeddhisme en seksualiteit ' blijft actueel, ook in Nederland, ook als we het er liever niet over willen hebben.
*OpenBoeddhisme* heeft er de afgelopen maanden een aantal maal over geschreven en het lijkt niet uitgesloten dat er meer publicaties volgen. Zie de tag 'seksueel misbruik'
Wat de diepere oorzaken van de problematiek kunnen zijn, is het onderwerp van een essay van Stephen Batchelor dat ik hieronder – door mij vertaald – weergeef.
Oorspronkelijke titel: Buddhism and Sex: the Bigger Picture .
========================================================================
In het licht van de schijnbaar eeuwigdurende controverse rond de kwestie van boeddhistische leraren die misbruik maken van hun gezag om seksuele gunsten te winnen van hun leerlingen, is het misschien nuttig om wat afstand te nemen van de analyse van specifieke gevallen; en elementen van het grotere geheel, waarin deze vorm van misbruik zich manifesteert, in de beschouwing te betrekken.
1. Seksueel verlangen is de meest krachtige biologische drift die we kennen van de mensheid.
Ongeacht welke geloften men heeft genomen om het te beheersen, kan lust zich ongevraagd onder alle omstandigheden voordoen en anderszins verantwoordelijke en goede mensen ertoe brengen zich aan handelingen over te geven die ze zonder aarzelen betreuren in anderen.
2. Overal waar mensen zijn in een positie van macht over andere mensen, is het onvermijdelijk dat sommigen die macht zullen gebruiken om hun eigen seksuele verlangens na te streven en te bevredigen. Ongeacht de redenen en de rechtvaardigingen die worden gebruikt om dergelijk gedrag te legitimeren, maakt de persoon aan de macht (meestal een man) misbruik van het vertrouwen van degene zonder macht (meestal een vrouw of, in een klooster: een jongen) òf om zowel te voldoen aan de fysieke lust òf aan een verlangen naar intimiteit.
3. De Boeddha zelf werd beschuldigd van het hebben van geslachtsgemeenschap met de vrouwelijke asceten Sundari en Cinca. Volgens de traditie waren deze beschuldigingen ongegrond, ze werden gebruikt door degenen die jaloers waren op zijn succes teneinde hem in diskrediet te brengen.
Seks hebben met zijn leerlingen is niet een hedendaagse kwestie die pas zijn kop is gaan steken in de tegelijkertijd tolerante als puriteinse samenlevingen van het Westen. Het is gewoon wat mensen in posities van gezag vatbaar voor zijn of van beschuldigd worden te doen.
4. Zijn er leerstellige of institutionele elementen binnen de boeddhistische traditie, die dergelijk gedrag waarschijnlijker zou maken?
Kunnen we evenzo andere elementen identificeren die werken in de richting van het minder waarschijnlijk maken dat dit gedrag plaatsvindt?
Ik neem het als gegeven dat er geen set van regels is, hoe nauwgezet omschreven ook en hoe precies ook toegepast, die ooit waterdicht zal kunnen worden.
5. De wortel van de machtsongelijkheid tussen leraar en leerling ligt in de overtuiging dat de eerste in zekere mate "verlicht" is, terwijl de laatste dat niet is. Dit weerspiegelt het verschil tussen de ariya (edel wezen) en de puthujjana (gewone wezen) die teruggaat tot de vroegste teksten.
Vervolgens kreeg dit onderscheid een leerstellige basis toen boeddhisten de theorie van de 'Twee Waarheden' een sleutelrol toekenden in hun exegetische denken. Waar de Boeddha (in de Pali canon) nooit onderscheid maakte tussen 'conventionele' (samvrti) en 'ultieme' (paramartha) waarheid, werd de theorie omarmd door alle scholen, waaronder het Theravada.
Het 'Twee Waarheden' leerstuk heeft niet alleen een didactische betekenis, het versterkt ook een 'twee-klassen-model' [Engels: two-tier-model ] van autoriteit: zij die directe kennis van de ultieme waarheid dragen, zijn ariya; terwijl degenen die dat niet doen louter puthujjana zijn.
Het gezag van de leraar krijgt daarmee een mystiek-ontologische in plaats van een louter institutionele rechtvaardiging.
6. Toen de boeddhistische traditie zich in de loop van de tijd ontwikkelde in een georganiseerde religie, werd de kloof tussen de ariya en de puthujjana breder en breder. De professionals (d.w.z. monniken, priesters en yogi's) kregen een steeds grotere charismatisch gezag als 'verlichten' toebedeeld; terwijl de leken steeds meer een eerbiedige en onderdanige rol moesten gaan spelen.
Dit culmineerde in het soort situatie dat we terugvinden in het Tibetaans boeddhisme heden ten dage waar de leraar (lama / guru) gezien moet worden als een volledig ontwaakte Boeddha, terwijl van de leerlingen wordt verwacht dat zij zich en hun 'zelfbestemming' aan hem overgeven teneinde eventuele vorderingen op het pad te maken, die, zo wordt hen verteld, alleen mogelijk is door de 'zegen' van de lama.
7. Als men zich weloverwogen een vorm van boeddhisme probeert voor te stellen die het best geschikt zou zijn om seksuele de mogelijkheden voor een leraar te optimaliseren, zou men moeilijk het model kunnen verbeteren dat in Tibet is ontstaan. In combinatie met een feodale opvatting van absolute macht en een geloof in tantrische seksuele praktijken als middel om verlichting te bereiken, komt men tot een kant-en-klare rechtvaardiging voor mannelijke leraren om te profiteren van de vrouwelijke leerlingen.
Deze situatie is veel opzichten hetzelfde in het Japanse Zen, waar een feodaal model eveneens de overhand heeft, zij het zonder het gebruik van tantrische elementen.
8. Het is geen toeval dat de meeste gemelde gevallen van misbruik van leerlingen afkomstig zijn uit de Tibetaanse en Japanse Zen tradities; dat wil zeggen, daar waar de grootste nadruk op onderwerping en gehoorzaamheid wordt gelegd.
Dit wil niet zeggen dat dergelijk misbruik afwezig is in de Theravada - het komt daar ook voor. Het wil ook niet zeggen dat er geen leraren in de Tibetaanse en Zen tradities zijn die zich ethisch integer gedragen - want dat zijn er zeer vele.
Terwijl misbruik altijd een onethische handeling is, verricht door een bepaald mens, die daarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk moet worden gehouden, moeten we ook erkennen dat bepaalde leerstellige en institutionele contexten dit soort gedrag meer bevorderen dan andere.
Zolang systemische ongelijkheid van institutionele macht onaangetast blijft, zal geen gewetensonderzoek in welke omvang dan ook noch het formuleren van steeds meer gedetailleerde morele 'richtlijnen' slagen in het samenhangend aanpakken van het kern-thema van het misbruik van macht.
9. Volgens de vroegste teksten is de rol van de ariya (leraar) niet, de puthujjana (leerling) afhankelijk van hem te maken, maar om de leerling in staat te stellen 'te veredelen' door de stroom te betreden (sotapatti) van het achtvoudige pad. Dus de rol van de leraar is om de leerling te helpen zo snel mogelijk op zijn eigen benen staan.
Want met het 'betreden van de stroom' wordt de persoon autonoom in zijn of haar beoefening en is niet langer afhankelijk van het gezag van een andere persoon (aparapaccaya) om door te gaan op het pad.
De suttas definiëren stroombetreden als het verkrijgen van 'lucide vertrouwen in de Boeddha, de Dharma en de Sangha' en het bereiken van het 'koesteren van de deugden dierbaar voor de edelen.'
Wat verandert is iemands oprechte ethische betrokkenheid op de beoefening. Stroombetreden heeft niets te maken met het bereiken van een esoterische 'verlichting', die vervolgens een bevoegdheid geeft om macht uit te oefenen over anderen.
10. Ten tijde van de Boeddha was het stroombetreden dat waartoe mensen uit alle lagen van de bevolking, ongeacht geslacht, hetzij monastieke of leek, werden uitgenodigd te doen.
'Sangha' verwees niet alleen naar monniken, d.w.z. de machthebbers, maar naar iedereen die de stroom van het pad had betreden. Zelfs iemand als Sarakani de Sakiyan, een man veracht door zijn collega's als de lokale dronkenlap. Door herstel van dit begrip van de stroombetreder, herstellen we een inclusief model van gemeenschap die bestaat uit autonome individuen die werken aan het ondersteunen en handhaven van elkaars beoefening.
Sommige van deze mensen kunnen 'heiligen' zijn, terwijl anderen mogelijk 'zondaars' zijn. Dat is niet het probleem.
In plaats van een reeks overeengekomen (geloofs)overtuigingen of een gedeelde toewijding aan een guru, is wat iedereen aan elkaar bindt, een bereidheid om de wijsheid elke sangha-lid hoog te houden, hem of haar tegelijk verantwoordelijk houdend voor zijn of haar tekortkomingen.
========================================================================
Tot zover de beschouwing van Batchelor.
Bron: http://sweepingzen.com/buddhism-and-sex-the-bigger-picture/ . Inclusief vele reacties!
Een paar kanttekeningen wil ik er bij maken:
Zijn verklaring van seksueel wangedrag van de leraar komt wellicht wat al te exclusief uit de ontwikkeling van het boeddhisme zelf. Voor mij is niet alleen de gezagsverhouding maar de afhankelijkheidsrelatie tussen leraar en leerling de bron van de problemen, net zo als die fout kan gaan tussen therapeut en client/patient. De leraar (of de therapeut) is zich er dan niet van bewust dat de schijnbare vrijwilligheid van de kant van de vrouw of het kind er niet echt is.
Ik voeg 'het kind' er aan toe, en bedoel 'jongen(tje)', want pedofilie door monniken moet m.i. ook 'seksueel wangedrag' genoemd worden, en komt waarschijnlijk niet alleen in de Theravada voor.
Verder noemt Batchelor de rol van het celibaat niet. In de Theravada, met een 'vrouwonhandigheid' tot vrouwvijandigheid die ik voor het gemak maar 'Aziatische cultuur' noem; (zie mijn samenvatting van de 'Achttien fouten van een klooster ' in m'n blog ) kan dit laag waarderen van vrouwen en leken risikoverhogend werken.
Om het wat ongebruikelijk te formuleren: het aanbieden van seksuele diensten kan (ook door de monnik) gezien worden als een van de vormen van dana van de leek aan de monnik, net zo als het aanbieden van voedsel of een nieuwe pij. Voor de zekerheid zeg ik er maar bij: een heel kromme redenering.
En dan de vraag:
Wat kan een (mede)leerling doen als hij of zij merkt dat er (wellicht) iets loos is in het contact tussen zijn/haar leraar en een ander?
Ik ben geen (ervarings)deskundige op dit gebied en wil niet maar wat theoretiseren.
Daarom alleen de opmerking dat er nooit een makkelijke route is; en een aantal bronnen:
Het meest concreet en toegesneden op de Nederlandse situatie is:
www.simsara.nl/ethisch-drieluik/
Beslist niet alleen bruikbaar voor beoefenaren van de inzichtsmeditatie.
En ook goed om te lezen voor iedereen uit preventief oogpunt.
Ook praktisch op het niveau van de individu is mijn vertaling van een Duitse tekst over heilzame en onheilzame structuren
Twee boeken:
Sex and the Spiritual Teacher: Why it happens, When it's a problem, and What we all can do door Scott Edelstein . O.a. via Amazon
en
Buddha Betrayed: When Spiritual Relationships Go Awry door Gerti Schoen
Ook via Amazon
Meer op beleidsniveau: hoe om te gaan met een 'schandaal' door de boeddhistische gemeenschap.
Een aankondiging van een Ronde-tafel-discussie deze zomer. Door de Buddhist Geeks
Belist niet overbodig in de Nederlandse situatie van de bevindingen kennis te nemen, want het gaat er hier meestal nogal onhandig aan toe, kunnen we bv in *OpenBoeddhisme* lezen.
Letter from Roshi Joan regarding Eido Shimano
Moeten we Joan Halifax nog nader aanbevelen?
========================================================================
Een aankondiging die enig verband heeft met bovenstaande:
Een lezing door Rita Gross
Hoe het vasthouden aan sekserollen verlichting ondermijnt
Op maandag 1 juli vanaf 19.30 uur in
Rigpa , ingang De Kuiperstraat ter hoogte van nr. 148, in Amsterdam
De voertaal is Engels. Uit de toelichting:
" Het boeddhistische onderricht van alle periodes en scholen van het boeddhisme is sekseneutraal en seksevrij, en proclameert dat vrouwen en mannen in gelijke mate in staat zijn realisatie te bereiken. Niettemin zit er een diepgewortelde tegenspraak in het hart van het boeddhisme tussen dit onderricht en de institutionele praktijken waar het om sekserollen gaat. In de geschiedenis hebben boeddhistische instituten vrouwen en mannen niet gelijk behandeld en dit probleem is door boeddhistische leraren niet krachtig genoeg bestreden. Deze algemene praktijk strekt zich zelfs uit tot het westerse boeddhisme. Maar waar het sekserollen betreft is het versterken van en het vasthouden aan conventionele normen en praktijken funest voor diepzinnige beoefening en realisatie. Het is duidelijk dat het vasthouden aan sekserollen verlichting ondermijnt. "
*OpenBoeddhisme* heeft er de afgelopen maanden een aantal maal over geschreven en het lijkt niet uitgesloten dat er meer publicaties volgen. Zie de tag 'seksueel misbruik'
Wat de diepere oorzaken van de problematiek kunnen zijn, is het onderwerp van een essay van Stephen Batchelor dat ik hieronder – door mij vertaald – weergeef.
Oorspronkelijke titel: Buddhism and Sex: the Bigger Picture .
========================================================================
In het licht van de schijnbaar eeuwigdurende controverse rond de kwestie van boeddhistische leraren die misbruik maken van hun gezag om seksuele gunsten te winnen van hun leerlingen, is het misschien nuttig om wat afstand te nemen van de analyse van specifieke gevallen; en elementen van het grotere geheel, waarin deze vorm van misbruik zich manifesteert, in de beschouwing te betrekken.
1. Seksueel verlangen is de meest krachtige biologische drift die we kennen van de mensheid.
Ongeacht welke geloften men heeft genomen om het te beheersen, kan lust zich ongevraagd onder alle omstandigheden voordoen en anderszins verantwoordelijke en goede mensen ertoe brengen zich aan handelingen over te geven die ze zonder aarzelen betreuren in anderen.
2. Overal waar mensen zijn in een positie van macht over andere mensen, is het onvermijdelijk dat sommigen die macht zullen gebruiken om hun eigen seksuele verlangens na te streven en te bevredigen. Ongeacht de redenen en de rechtvaardigingen die worden gebruikt om dergelijk gedrag te legitimeren, maakt de persoon aan de macht (meestal een man) misbruik van het vertrouwen van degene zonder macht (meestal een vrouw of, in een klooster: een jongen) òf om zowel te voldoen aan de fysieke lust òf aan een verlangen naar intimiteit.
3. De Boeddha zelf werd beschuldigd van het hebben van geslachtsgemeenschap met de vrouwelijke asceten Sundari en Cinca. Volgens de traditie waren deze beschuldigingen ongegrond, ze werden gebruikt door degenen die jaloers waren op zijn succes teneinde hem in diskrediet te brengen.
Seks hebben met zijn leerlingen is niet een hedendaagse kwestie die pas zijn kop is gaan steken in de tegelijkertijd tolerante als puriteinse samenlevingen van het Westen. Het is gewoon wat mensen in posities van gezag vatbaar voor zijn of van beschuldigd worden te doen.
4. Zijn er leerstellige of institutionele elementen binnen de boeddhistische traditie, die dergelijk gedrag waarschijnlijker zou maken?
Kunnen we evenzo andere elementen identificeren die werken in de richting van het minder waarschijnlijk maken dat dit gedrag plaatsvindt?
Ik neem het als gegeven dat er geen set van regels is, hoe nauwgezet omschreven ook en hoe precies ook toegepast, die ooit waterdicht zal kunnen worden.
5. De wortel van de machtsongelijkheid tussen leraar en leerling ligt in de overtuiging dat de eerste in zekere mate "verlicht" is, terwijl de laatste dat niet is. Dit weerspiegelt het verschil tussen de ariya (edel wezen) en de puthujjana (gewone wezen) die teruggaat tot de vroegste teksten.
Vervolgens kreeg dit onderscheid een leerstellige basis toen boeddhisten de theorie van de 'Twee Waarheden' een sleutelrol toekenden in hun exegetische denken. Waar de Boeddha (in de Pali canon) nooit onderscheid maakte tussen 'conventionele' (samvrti) en 'ultieme' (paramartha) waarheid, werd de theorie omarmd door alle scholen, waaronder het Theravada.
Het 'Twee Waarheden' leerstuk heeft niet alleen een didactische betekenis, het versterkt ook een 'twee-klassen-model' [Engels: two-tier-model ] van autoriteit: zij die directe kennis van de ultieme waarheid dragen, zijn ariya; terwijl degenen die dat niet doen louter puthujjana zijn.
Het gezag van de leraar krijgt daarmee een mystiek-ontologische in plaats van een louter institutionele rechtvaardiging.
6. Toen de boeddhistische traditie zich in de loop van de tijd ontwikkelde in een georganiseerde religie, werd de kloof tussen de ariya en de puthujjana breder en breder. De professionals (d.w.z. monniken, priesters en yogi's) kregen een steeds grotere charismatisch gezag als 'verlichten' toebedeeld; terwijl de leken steeds meer een eerbiedige en onderdanige rol moesten gaan spelen.
Dit culmineerde in het soort situatie dat we terugvinden in het Tibetaans boeddhisme heden ten dage waar de leraar (lama / guru) gezien moet worden als een volledig ontwaakte Boeddha, terwijl van de leerlingen wordt verwacht dat zij zich en hun 'zelfbestemming' aan hem overgeven teneinde eventuele vorderingen op het pad te maken, die, zo wordt hen verteld, alleen mogelijk is door de 'zegen' van de lama.
7. Als men zich weloverwogen een vorm van boeddhisme probeert voor te stellen die het best geschikt zou zijn om seksuele de mogelijkheden voor een leraar te optimaliseren, zou men moeilijk het model kunnen verbeteren dat in Tibet is ontstaan. In combinatie met een feodale opvatting van absolute macht en een geloof in tantrische seksuele praktijken als middel om verlichting te bereiken, komt men tot een kant-en-klare rechtvaardiging voor mannelijke leraren om te profiteren van de vrouwelijke leerlingen.
Deze situatie is veel opzichten hetzelfde in het Japanse Zen, waar een feodaal model eveneens de overhand heeft, zij het zonder het gebruik van tantrische elementen.
8. Het is geen toeval dat de meeste gemelde gevallen van misbruik van leerlingen afkomstig zijn uit de Tibetaanse en Japanse Zen tradities; dat wil zeggen, daar waar de grootste nadruk op onderwerping en gehoorzaamheid wordt gelegd.
Dit wil niet zeggen dat dergelijk misbruik afwezig is in de Theravada - het komt daar ook voor. Het wil ook niet zeggen dat er geen leraren in de Tibetaanse en Zen tradities zijn die zich ethisch integer gedragen - want dat zijn er zeer vele.
Terwijl misbruik altijd een onethische handeling is, verricht door een bepaald mens, die daarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk moet worden gehouden, moeten we ook erkennen dat bepaalde leerstellige en institutionele contexten dit soort gedrag meer bevorderen dan andere.
Zolang systemische ongelijkheid van institutionele macht onaangetast blijft, zal geen gewetensonderzoek in welke omvang dan ook noch het formuleren van steeds meer gedetailleerde morele 'richtlijnen' slagen in het samenhangend aanpakken van het kern-thema van het misbruik van macht.
9. Volgens de vroegste teksten is de rol van de ariya (leraar) niet, de puthujjana (leerling) afhankelijk van hem te maken, maar om de leerling in staat te stellen 'te veredelen' door de stroom te betreden (sotapatti) van het achtvoudige pad. Dus de rol van de leraar is om de leerling te helpen zo snel mogelijk op zijn eigen benen staan.
Want met het 'betreden van de stroom' wordt de persoon autonoom in zijn of haar beoefening en is niet langer afhankelijk van het gezag van een andere persoon (aparapaccaya) om door te gaan op het pad.
De suttas definiëren stroombetreden als het verkrijgen van 'lucide vertrouwen in de Boeddha, de Dharma en de Sangha' en het bereiken van het 'koesteren van de deugden dierbaar voor de edelen.'
Wat verandert is iemands oprechte ethische betrokkenheid op de beoefening. Stroombetreden heeft niets te maken met het bereiken van een esoterische 'verlichting', die vervolgens een bevoegdheid geeft om macht uit te oefenen over anderen.
10. Ten tijde van de Boeddha was het stroombetreden dat waartoe mensen uit alle lagen van de bevolking, ongeacht geslacht, hetzij monastieke of leek, werden uitgenodigd te doen.
'Sangha' verwees niet alleen naar monniken, d.w.z. de machthebbers, maar naar iedereen die de stroom van het pad had betreden. Zelfs iemand als Sarakani de Sakiyan, een man veracht door zijn collega's als de lokale dronkenlap. Door herstel van dit begrip van de stroombetreder, herstellen we een inclusief model van gemeenschap die bestaat uit autonome individuen die werken aan het ondersteunen en handhaven van elkaars beoefening.
Sommige van deze mensen kunnen 'heiligen' zijn, terwijl anderen mogelijk 'zondaars' zijn. Dat is niet het probleem.
In plaats van een reeks overeengekomen (geloofs)overtuigingen of een gedeelde toewijding aan een guru, is wat iedereen aan elkaar bindt, een bereidheid om de wijsheid elke sangha-lid hoog te houden, hem of haar tegelijk verantwoordelijk houdend voor zijn of haar tekortkomingen.
========================================================================
Tot zover de beschouwing van Batchelor.
Bron: http://sweepingzen.com/buddhism-and-sex-the-bigger-picture/ . Inclusief vele reacties!
Een paar kanttekeningen wil ik er bij maken:
Zijn verklaring van seksueel wangedrag van de leraar komt wellicht wat al te exclusief uit de ontwikkeling van het boeddhisme zelf. Voor mij is niet alleen de gezagsverhouding maar de afhankelijkheidsrelatie tussen leraar en leerling de bron van de problemen, net zo als die fout kan gaan tussen therapeut en client/patient. De leraar (of de therapeut) is zich er dan niet van bewust dat de schijnbare vrijwilligheid van de kant van de vrouw of het kind er niet echt is.
Ik voeg 'het kind' er aan toe, en bedoel 'jongen(tje)', want pedofilie door monniken moet m.i. ook 'seksueel wangedrag' genoemd worden, en komt waarschijnlijk niet alleen in de Theravada voor.
Verder noemt Batchelor de rol van het celibaat niet. In de Theravada, met een 'vrouwonhandigheid' tot vrouwvijandigheid die ik voor het gemak maar 'Aziatische cultuur' noem; (zie mijn samenvatting van de 'Achttien fouten van een klooster ' in m'n blog ) kan dit laag waarderen van vrouwen en leken risikoverhogend werken.
Om het wat ongebruikelijk te formuleren: het aanbieden van seksuele diensten kan (ook door de monnik) gezien worden als een van de vormen van dana van de leek aan de monnik, net zo als het aanbieden van voedsel of een nieuwe pij. Voor de zekerheid zeg ik er maar bij: een heel kromme redenering.
En dan de vraag:
Wat kan een (mede)leerling doen als hij of zij merkt dat er (wellicht) iets loos is in het contact tussen zijn/haar leraar en een ander?
Ik ben geen (ervarings)deskundige op dit gebied en wil niet maar wat theoretiseren.
Daarom alleen de opmerking dat er nooit een makkelijke route is; en een aantal bronnen:
Het meest concreet en toegesneden op de Nederlandse situatie is:
www.simsara.nl/ethisch-drieluik/
Beslist niet alleen bruikbaar voor beoefenaren van de inzichtsmeditatie.
En ook goed om te lezen voor iedereen uit preventief oogpunt.
Ook praktisch op het niveau van de individu is mijn vertaling van een Duitse tekst over heilzame en onheilzame structuren
Twee boeken:
Sex and the Spiritual Teacher: Why it happens, When it's a problem, and What we all can do door Scott Edelstein . O.a. via Amazon
en
Buddha Betrayed: When Spiritual Relationships Go Awry door Gerti Schoen
Ook via Amazon
Meer op beleidsniveau: hoe om te gaan met een 'schandaal' door de boeddhistische gemeenschap.
Een aankondiging van een Ronde-tafel-discussie deze zomer. Door de Buddhist Geeks
Belist niet overbodig in de Nederlandse situatie van de bevindingen kennis te nemen, want het gaat er hier meestal nogal onhandig aan toe, kunnen we bv in *OpenBoeddhisme* lezen.
Letter from Roshi Joan regarding Eido Shimano
Moeten we Joan Halifax nog nader aanbevelen?
========================================================================
Een aankondiging die enig verband heeft met bovenstaande:
Een lezing door Rita Gross
Hoe het vasthouden aan sekserollen verlichting ondermijnt
Op maandag 1 juli vanaf 19.30 uur in
Rigpa , ingang De Kuiperstraat ter hoogte van nr. 148, in Amsterdam
De voertaal is Engels. Uit de toelichting:
" Het boeddhistische onderricht van alle periodes en scholen van het boeddhisme is sekseneutraal en seksevrij, en proclameert dat vrouwen en mannen in gelijke mate in staat zijn realisatie te bereiken. Niettemin zit er een diepgewortelde tegenspraak in het hart van het boeddhisme tussen dit onderricht en de institutionele praktijken waar het om sekserollen gaat. In de geschiedenis hebben boeddhistische instituten vrouwen en mannen niet gelijk behandeld en dit probleem is door boeddhistische leraren niet krachtig genoeg bestreden. Deze algemene praktijk strekt zich zelfs uit tot het westerse boeddhisme. Maar waar het sekserollen betreft is het versterken van en het vasthouden aan conventionele normen en praktijken funest voor diepzinnige beoefening en realisatie. Het is duidelijk dat het vasthouden aan sekserollen verlichting ondermijnt. "
Abonneren op:
Posts (Atom)






