Posts tonen met het label Mahayana. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mahayana. Alle posts tonen

woensdag 5 februari 2014

Kunnen boeddhisten eigenlijk met elkaar praten? Over (vormen en doel van) mediteren bijvoorbeeld; of elkaar begrijpen over Verlichting of BoeddhaNatuur?

De encyclopedie Wikipedia stelt: “Diercommunicatie ... wordt ook wel ten onrechte dierentaal genoemd, want de onderzoekers zijn het er over eens dat communicatie tussen dieren zelfs bij de meest intelligente dieren niet zo complex en expressief is als menselijke taal."
Bron: Wikipedia
Dat kan zo zijn maar ook over de mogelijkheid van mensen om elkaar te kunnen communiceren, heb ik soms mijn twijfels. Met name over het met elkaar communiceren door boeddhisten denk ik soms: dat kunnen we niet.
En dan heb ik het nog niet eens over het elkaar eventueel overtuigen.

Na jaren van meediscussiëren, life en in allerlei boeddhistische discussieforums (Engels en Nederlands) blijf ik het nog steeds lastig en soms zelfs onmogelijk vinden: van gedachten wisselen met andere boeddhisten, met name hen uit andere tradities.
'Mijn' traditie is daarbij een mengvorm van Theravada en atheïsme; en met mensen die globaal ook (één van) deze opvattingen hebben, heb ik geen problemen, qua van gedachten wisselen dan. Ik kan hun redeneringen volgen en concluderen waarin ik het met hen eens ben en waarin niet; ik kan hen vragen stellen en van hen leren.
Datzelfde geldt Christenen (in ieder geval Protestanten), waar het percentage 'oneens' groter is en er ook al een percentage 'ik begrijp je niet' bestaat.

Blijven over mijn problemen met Mahayana-tradities, de levende (pogingen tot gesprekken met personen) en de dode (pogingen oude teksten te begrijpen)
Het Tibetaans boeddhisme is daarvan te veelvormig en complex om veel met stelligheid te zeggen. Mijn indruk is: ik zou er wel veel meer dan nu van kunnen begrijpen als ik me er echt in ga verdiepen, maar die uitdaging heb ik niet.

Van wat ik er wel van begrijp is er een belangrijk aspect dat me niet bevalt en waar ik nooit een (voor mij) bevredigend gesprek met een Tibetaans boeddhist heb kunnen voeren. Namelijk dat er een hiërarchie van leerwegen (vaak yana's genoemd) wordt onderscheiden waarvan het vroege boeddhisme (door velen geïdentificeerd met Theravada) de simpelste is, voor beginners; en hun eigen leer (de term die ik vaak tegenkom, is vajrayana de hoogste.
(Ik heb in het algemeen ernstige twijfel bij het informatieve gehalte van theorieën die hiërarchisch van aard zijn en waarin de aanhanger van die theorie – quasi toevallig – zichzelf bovenaan die hiërarchie heeft gezet; zoals de theorie dat 'de mens' bovenaan de schepping zou staan; dat hoor je een paard nooit zeggen).
Het onvermogen (in ieder geval van mijn kant) daarover een zinnig gesprek te voeren, is het onvermogen tot een gemeenschappelijke taal te komen. Immers zowel de ander als ik menen een taal met bijbehorende argumentatiestijl te hebben, waarin alle aspecten van de vermeende tegenstelling aan de orde kunnen komen.

Datzelfde geldt ook wel voor vormen van OostAziatisch boeddhisme waarin de Lotus Sutra centraal staat. Op die tekst en de aanhangers ervan ga ik nu niet in; vooral omdat ik eenvoudigweg geen affiniteit met deze traditie heb.

Een aparte traditie (het wordt ook wel 'Zen' genoemd maar dat vind ik alleen maar de verwarring verhogend) is die van degenen die op de manier van Thich Nhat Hanh beoefenen. In Nederland gebeurt dat in de sangha's (zo noemen de lokale groepen zichzelf) van leken van Leven in Aandacht .
De uitdaging voor mij in de omgang met deze beoefenaren is dat het bijna niet om de uitwisseling van opvattingen kan gaan, maar van gevoelens. Van in de groep 'gedeelde gevoelens' .
Nu heeft Thich Nhat Hanh heel veel geschreven, d.w.z. veel van zijn talks zijn in boekvorm verschenen. Zowel makkelijke teksten (zelfhulpachtig) als moeilijke (boeddhologische), met uitleg over diverse Sutta's en Sutra's. Ik denk dat het elkaar proberen te begrijpen via deze teksten kan (zeker als het begrip 'van hart tot hart' niet lukt, wat bij iemand zoals ik wel eens het geval is). Verder kan goed over (vormen van) mediteren worden gepraat; 'van gedachten gewisseld' zou ik niet zeggen, meer 'ervaringen uitgewisseld'.
Maar praten over 'dukkha' is al een stuk lastiger; als ik zeg dat het me opvalt dat Thich Nhat Hanh het daar liever niet over heeft, stagneert het gesprek. Zal wel mijn probleem zijn.

Het lastigste heb ik het met Zen, door sommigen genoemd Zen-boeddhisme; het zijn de beoefenaren van deze traditie, en oude, overwegend Japanse teksten, waarnaar ze verwijzen, die me voor raadsels stellen.
Als voorbeeld een discussie over een tekst van de Japanse Bassui (1327-1387), genaamd: 'de meditatieve kracht van Kanzeon '. Zoals uit de discussie hieronder met Jules Prast blijkt, ben ik niet verder gekomen dan het stellen van m'n centrale vraag:
Is er een 'taal' waarin boeddhisten uit verschillende tradities met elkaar van gedachten kunnen wisselen ?
Met 'een taal' bedoel ik dan een geheel van symbolen. Zoals bijvoorbeeld de wiskunde de taal is waarin natuurkundigen met elkaar kunnen praten (en als ze het oneens zijn, in ieder geval 'agree to disagree').

Als het dan niet over deze tekst van Bassui lukt, dan misschien over drie belangrijke thema's:

A   Wat verstaan we onder het begrip 'BoeddhaNatuur' ?
Als het alleen zou betekenen: de mogelijkheid van elk levend wezen, ooit, in nabije of verre toekomst een Volledig Verlichte (een Boeddha dus) te worden, dan zullen weinigen met die opvatting moeilijkheden hebben. Alleen zullen sommigen die mogelijkheid meer van belang achten dan anderen.
Als het echter betekent dat ieder een 'goddelijke vonk' in zich heeft, in wezen goed is of zelfs in wezen al verlicht (Boeddha) is, dan scheiden zich de wegen tussen diverse categorieën boeddhisten.

De discussie kan daarbij ook gevoerd worden over het non-dualisme. Namelijk over de vraag of elk levend wezen naast een 'Boeddha-Natuur' tegelijk ook een 'Mara-Natuur' heeft. Het is Stephen Batchelor geweest die in zijn boek 'Mara' deze mogelijkheid geopperd heeft.
De discussie zou de vorm kunnen van: is 'non-dualisme' persé gewenst en dus (het hebben van) dualistische opvattingen ongewenst of in ieder geval minder ?


B   Wat verstaan we onder 'Verlichting' ?
Een betere term dan 'Verlichting is daarbij: het 'Ontwaken'
Een discussie tussen beoefenaren van verschillende boeddhistische tradities zou kunnen gaan over de vragen:
a) Wat is 'het' eigenlijk ? D.w.z.: hoe omschrift de betreffende traditie het?
b) Hoe 'het' te bereiken; of: overkomt het je? En wie bepaalt dat je 'het' hebt (gehad)?
c) Wat verder te doen in je leven als je 'het' bereikt hebt?  Niets? Of anderen helpen?
d) Een meer praktische subvraag: komt 'het' (tegenwoordig nog) vaak voor eigenlijk?

Over elk van deze vragen zijn boeken vol geschreven, per traditie, nauwelijks intertraditioneel
Wikipedia biedt een aardig overzichtsartikel .
Eén voorbeeld van een benadering vanuit Zen die mij steeds weer tot grote verbazing weet te brengen. Uit informatie door Barbara O'Brien .:
" In his book Zen Mind, Beginner's Mind, Shunryu Suzuki Roshi said that enlightenment is 'nothing special. ... You may say 'universal nature' or 'Buddha nature' or 'enlightenment.' You may call it by many names, but for the person who has it, it is nothing, and it is something.' "

Vooral Theravadin maar ook wel voor sommige beoefenaren van andere tradities slaat de vraag wat 'Verlichting' primair terug op het 'Ontwaken' van de Boeddha (soms Gautama en soms Sakyamuni genoemd). Het gaat om het beëindigen van de cyclus van het leven in samsara, zoals na de Boeddha door arhats gerealiseerd. Stappen naar dit volledige ontwaken zijn: het bereiken van de staat van stroombetreder, van éénmaalterugkerende en nietmeerterugkerende. Zie voor details bovengenoemd Wikipedia-artikel en vervolgens 'Vier graden van verlichting' .

Een benadering die hier enigszins tussen in zit maar toch vooral een wereldlijke interpretatie van 'Verlichting' geeft, is het artikel 'ENLIGHTENMENTS' (let op de meervouds-s) van Jack Kornfield. Het is uit Inquiring Mind


C   Waarom mediteer je? Is boeddhisme beoefenen meer dan mediteren? En wat doe je dan eigenlijk? En welke vorm beoefenen je? Of vormen?
Een heleboel vragen tegelijk. Waar boeken vol over geschreven.
Vragen waar iemand die niet helemaal beginneling over zou moeten kunnen meepraten.
Toch doen veel boeddhisten dat niet, die doen hun eigen ding, zoals geleerd door hun eigen leraar, zonder interesse in andere vormen en andere opvattingen.
En de verschillen - tussen tradities en scholen - zijn groot !
Hier moet ik in de toekomst maar eens meer over gaan schrijven.

==============================================================

BIJLAGE
Soort van discussie over
' De meditatieve kracht van Kanzeon '

Uit Boeddhaweg januari 2014

Als je, van welke school dan ook, je aan zijn Dharma vastklampt, dan kun je nooit de Weg bewandelen, zelfs in je dromen niet, zegt de Japanse zenmeester Bassui (1327-1387) in een leerrede    'Er is geen Boeddha of Dharma buiten de ene Geest'   door  Bassui Tokusho
uit: Mud & Water. The Collected Teachings of Zen Master Bassui, translated by Arthur Braverman (2002),
vertaald door Jules Prast.

"Er is geen Boeddha of Dharma buiten de ene Geest. Deze is inherent aan alle mensen, overeenkomstig de gelegenheid en hun bevattingsvermogen. Wanneer een leraar over Amida spreekt tot de gewone man, dan zal hij zeggen dat er geen Geest of Dharma is buiten Amida. Spreekt hij over de wonderbaarlijke Leer, dan zal hij verklaren dat er buiten de wonderbaarlijke Leer geen Dharma is. Spreekt hij over Kanzeon, dan zal hij opmerken dat alles en iedereen Kanzeon is. Spreekt hij over de Geest, dan legt hij uit dat er geen Dharma is buiten de Geest. Wees je ervan bewust dat alle leringen met deze bedoeling worden gegeven. Begrijp je?
Hoewel arhats het hebben over drie vergiften, kent de Tathagata niet eens twee verschillende begrippen. Arhats zijn mensen die de 84.000 vormen van verwarring hebben doen uitdoven, en misschien zijn er nog te vinden bij wie de verwarring voortduurt. Maar de Tathagatha heeft geen twee manieren om de Dharma tot uitdrukking te brengen. Als je zegt dat er twee Dharma’s zijn, dan belaster je de Tathagata.
Desondanks zijn er, in overeenstemming met het karma van de gewone man, het scherpe en het stompe, oftewel de plotselinge en de geleidelijke realisatie van de Weg. De reis van verwarring naar verlichting kent een oppervlakkige en een diepgaande route. En afhankelijk van de diepgang van de reis, bestaan er hoogwaardige en meer oppervlakkige vormen van realisatie. In een sutra staat dan ook geschreven: “Tussen alle grote wijzen bestaat nog steeds onderscheid, ook al kennen ze de vormloze Dharma.”
Heeft hij evenwel de staat van verlichting niet bereikt, dan houdt iemand vast aan naam en uiterlijke vorm, terwijl hij zichzelf prijst en de Dharma de ene Dharma noemt. Sommige leringen moeten worden vereerd, meent hij, en andere zijn inferieur. Hij legt er de nadruk op dat alles van oorsprong één is, maar verdeelt het Ene in tweeën terwijl hij probeert zijn gedachten ermee in harmonie te brengen. IJs en kokend water zijn van oorsprong bijvoorbeeld beide koel water. Toch blijft ijs hard wanneer het niet is gesmolten. En warm wat blijft warm zolang het niet is afgekoeld.
...
Dharma is innerlijke realisatie. Niet-Dharma bestaat uit formele aspecten, zoals naam en vorm, geschriften en gezegden, enzovoorts. Of je je nu vasthoudt aan de binnen- of de buitenkant, het is altijd het zelf dat aan het werk is. Alweer zegt de sutra: “Laat de Geest worden geboren die geen verblijfplaats kent.” Als iemand zegt dat hij Boeddha is, dan verblijft hij in Boeddha; als iemand zegt dat hij een gewone mens is, dan verblijft hij in het rijk van de gewone man. Als je een lering aanhangt, om het even of deze is van Zen of de Reine Land-school, dan is die lering jouw verblijfplaats.
Wat nu wanneer je hele lichaam geen verblijfplaats heeft? Wat is dan de Geest? Stel je ogen hierop in, hier en nu. Als je echt de geur van thee wilt leren kennen, leeg en reinig je mond dan zodat er geen smaak of geur achterblijft. Wil je de Boeddhadharma verwerkelijken, zorg dat je dan eerst de ideeën kwijtraakt van iemand die zich vastklampt aan de Boeddhadharma. Je zult ogenblikkelijk je oorspronkelijk gelaat terugvinden.
Dit oorspronkelijk gelaat was er al voordat de Boeddha in de wereld verscheen, voordat er sprake was van Eén Dharma, voordat jijzelf werd geboren, toen er nog niets was dat als geest of natuur kon worden benoemd. Pas wanneer deze oorspronkelijke geest tot leven wordt gebracht en een naam krijgt, komen we te spreken over de meditatieve kracht van Kanzeon.
Wanneer je duidelijk doordringt in het naamloze, bén je precies op dat moment Kanzeon, bén je Amida. Dan is het, voor de eerste keer, op zijn plaats te zeggen dat er niet twee Dharma’s zijn, maar één, welke naam je hier verder ook aan geeft. Het is echter een misverstand te verklaren dat alle scholen verschillend zijn of dat er geen twee Dharma’s zijn, zolang je spreekt op basis van je persoonlijke begrip, voordat je in de diepste diepte van je aard hebt geschouwd en tot ontwaken bent gekomen op de Weg.

Joop Romeijn zegt: 10 januari 2014 om 09:02
Jules, heb jij suggesties over de wijze waarop eventueel over deze en vergelijkbare teksten van gedachten gewisseld kan worden?
In een soort meta-taal, een andere ‘taal’ dan die van deze teksten zelf, een religie-wetenschappelijk jargon misschien?
Want nu kan ik alleen maar bij voortduring dingen zeggen als: daar geloof ik niet in, daar ben ik het niet mee eens, dat klopt niet, dat is onlogisch etc.
Misschien is deze taal er eenvoudigweg niet en moeten we de kloof accepteren.
Eén voorbeeld: Ik zeg dat er minstens … twee Dharma’s zijn, plus nog een Dhamma; belaster ik dan de Tathagata ?

Jules Prast zegt: 10 januari 2014 om 14:00
Geen kloof in de taal van hart tot hart

Joop Romeijn zegt: 10 januari 2014 om 15:47
Dat is de taal waarin jij schrijft, niet mijn taal.
Ik zoek een gemeenschappelijke taal (en het ‘hart’ is een bloedpompende spier)
”

Hier eindigde (kennelijk) de discussie.

zaterdag 1 februari 2014

Een boeddhist droomt zich af. Prinses Beatrix krijgt boekje met religieuze droompjes voor ons land

Een paar dagen voor haar verjaardag (gisteren) heeft Prinses Beatrix van de organisatie In Vrijheid Verbonden deze week een boek gekregen, met als titel 'RELIGIES DROMEN VOOR ONS LAND . Zie hun website .

Uit de Inleiding: “ Vijf religies, verenigd in In Vrijheid Verbonden, leveren in dit boek een bijdrage. Ieder nam vanuit de droom een stukje van het boek voor zijn rekening. We hebben daarbij niet alleen een droom onder woorden gebracht, maar we koppelen die droom aan een specifiek onderdeel van het boek, zodat het boek zelf als metafoor kan worden gezien van een geïntegreerde inspanning ter ondersteuning van het koningschap. Daartoe zijn onderdelen van het boek met enige willekeur verdeeld over vijf grote religies en is aan vertegenwoordigers gevraagd om dat onderdeel als beeldspraak te verwerken van wat de eigen geloofsovertuiging kan betekenen voor het Koninkrijk der Nederlanden.
De opzet is als volgt:
- van joodse zijde is nagedacht over de cover;
- hindoes bezonnen zich op het schutblad;
- boeddhisten kozen het lettertype;
- moslims symboliseerden het leeslint;
- en christenen dachten na over de illustratie
”

Andere levensbeschouwingen dan deze vijf wereldreligies (een Westers kolonialistisch concept) komen niet aan de orde. Alsof het humanisme er niet toe doet. En alsof deze religies een eenheid vormen.

Het hoofdstukje (het zijn korte dromen) over het boeddhisme is geschreven door al decennia bekende Shambhala-boeddhist Han de Wit.    (Lees over de Nederlandse babyboomer-boeddhisten http://openboeddhisme.nl/babyboomers-domineren-boeddhistische-zuil/ .)

Hieronder neem ik het integraal op; even heb ik overwogen niet-relevante passages over te slaan, maar het is moeilijk te bepalen wat relevant is.
De tekst is bekend, voorjaar 2013 heeft Han, toelevend naar de inhuldiging van Willem-Alexander als koning, een langere versie, leurend om ondersteuning, verspreid.
Zie bv mijn blog uit april 2013 en (mijn reactie op) een artikel in het BD uit die periode.

Eigenlijk was ik van plan dit (hoofdstuk uit) het boek te recenseren en deze droom van een boeddhist te analyseren.
Maar de inhoud is door de inkorting ten opzichte van de versie van bijna een jaar geleden nog simplistischer geworden, dat ik het ook kort kan houden:
Naast de 'fundamentele goedheid' is er ook - in mijn ervaring - de hier genegeerde 'fundamentele slechtheid' van de mens.
En dan nog 'goedheid' en 'slechtheid' zonder het woord 'fundament' daarbij; want leegte (sunyata) betekent juist het niet hebben van een fundament.
Anders gezegd, we kunnen wel goed zijn en die goedheid is ook wel een beetje te ontwikkelen.
Maar een heel andere vraag is of 'goedheid' het enige principe is voor een rechtvaardige samenleving; georganiseerd wantrouwen is voor een goed functionerende democratie (en daar gaat Shambala helemaal niet over) ook wel nuttig.

Genant dat dit namens het boeddhisme wordt gebracht.
In de stuurgroep/klankbordgroep van 'In Vrijheid Verbonden' zitten namens de BUN de ex-bestuursleden Rinus Laban, Varamitra en Jan Willem Houthoff; die hebben kennelijk hun zegen aan deze tekst gegeven.

Arme Beatrix, om zo'n cadeau te krijgen.


PS
De BOS maakt het trouwens nog bonter door (op 2 en 8 februari) een uitzending van de leraar van Han de Wit (en zoon/opvolger van Chögyam Trungpa), Sakyong Mipham Rinpoche de titel te geven van 'An Uncommon King - Leider van een verlichte samenleving'.
Laat ik het nog maar eens duidelijk zeggen: Er is niet zoiets als een verlichte samenleving, en die gaat er ook niet komen. Met of zonder leider (of koning) er van.

==================================================================

Uit: RELIGIES DROMEN VOOR ONS LAND
...
de verticale oriëntatie

      –   een bijdrage vanuit het Boeddhisme   –    
[door Han de Wit]

Het door de Boeddhisten gekozen lettertype is ‘Century Gothic’. De reden om voor dit lettertype te kiezen is, naast esthetiek, de belangrijkste eigenschappen van de gotiek of ‘Gothic’, namelijk de 'drang naar verticaliteit' en naar 'licht’, iets waarin vele religies elkaar vinden. De gotiek wordt gezien als de eerste echt vernieuwende stijl sinds de val van het Romeinse Rijk, iets dergelijks geldt ook voor de interreligieuze dialoog, die een vernieuwend fenomeen is na eeuwen van Christelijk overwicht.
De naam van het lettertype is tevens een knipoog naar het Christelijk fundament waarop de Nederlandse samenleving is gebouwd en waarin andere religies nu ook kunnen floreren. Tenslotte verbruikt ‘Century Gothic’ circa 30% minder inkt en is daarom bescheiden met respect voor het mysterie van de schepping, eigenschappen die in alle religies belichaamd worden.

Humane samenleving
Van oudsher is in het Boeddhisme nagedacht over hoe een humane of verlichte samenleving te scheppen. Pogingen daartoe zijn ook ondernomen. Heel bekend is de samenleving, die door Indiase keizer Ashoka van de Maurya dynastie uit de 3e eeuw voor Christus werd gecreëerd.
Al deze pogingen gaan terug op een nog oudere legende over het koninkrijk Shambhala en zijn koning Suchandra, die een leerling van de Boeddha was. Shambhala was zo’n verlichte samenleving. De maatschappelijke taak van de koning was deze principes levend te houden. Wat voor principes waren dat? Het waren, zo wordt gezegd, principes van het hart. Zulke principes zijn niet gebaseerd op een maatschappelijke theorie of politieke ideologie,
maar op een héél persoonlijke en tegelijk universele menselijke ervaring: de ervaring dat wij ten diepste goedwillende wezens zijn: we willen van ons leven en onze samenlevingsverbanden, van gezin tot maatschappij, iets maken. Het ervaren van dat verlangen in onszelf wordt in Shambhala de ervaring van onze fundamentele goedheid genoemd. Die ervaring is van alle tijden en alle culturen. Het is het fundament van onze menselijkheid, van onze boeddhanatuur. Gezegd wordt dat ieder mens die bezit en bij momenten ervaart. Ze is de vitaliteit van onszelf en van èlke cultuur.

Vertrouwen bindt
Maar hoe gaat een samenleving er uit zien, als die juist door wantrouwen en twijfel aan de goede gezindheid van anderen (en van onszelf!) wordt gevormd? Heeft zij toekomst? Vertrouwen verbindt, wantrouwen ontbindt een samenleving. Dat mensen er ten diepste naar verlangen dat het goed gaat met henzelf, hun naasten, ja, met de wereld, daarvoor is dan geen plaats. Weliswaar voelen we zelf, bijna stiekem, dat verlangen wel, maar denken toch al gauw dat het bij andere mensen mogelijk anders ligt. En zij denken dat over ons! Waar komt anders alle ellende, agressie en hardvochtigheid die we om ons heen zien, vandaan? Als de duivel dan niet bestaat, dan moeten het toch de mensen zelf zijn waarin duivelse krachten wonen? Het klinkt zo logisch.

En toch, we voelen in onszelf dit diepe verlangen! Is niet juist het verdriet, de boosheid die we voelen als we leed en onrecht om ons heen zien, het onomstotelijke bewijs dat dit verlangen in ons leeft? En is het niet zelfs aanwezig als we vanuit die frustratie en boosheid allerlei domme dingen doen? Immers, als het niét in ons zou leven, dan zou leed en onrecht ons niet deren. Maar het is andersom: wanneer dit verlangen wordt vervuld, doet dat ons goed. Het inspireert ons. Het maakt ons, in de meest diepe zin, gelukkig, we zijn en voelen ons op ons best: we ervaren onze fundamentele goedheid.

Fundamentele goedheid
Wat betekent dit alles nu voor onze omgang met onze westerse samenleving in deze tijd? Net zoals koning Suchandra die elementen in zijn koninkrijk zocht, die een verlichte samenleving kunnen ondersteunen, zo kunnen ook wij die aspecten in onze westerse samenleving gaan ondersteunen, die met onze fundamentele goedheid resoneren. Welke dat zijn, dat zullen we in elke situatie steeds opnieuw en fris moeten inschatten. Daar is geen formule voor te geven. Door onze ervaring van onze fundamentele goedheid te cultiveren en te leren vertrouwen, kunnen we leren vanuit deze ervaring te handelen, te spreken, werken, organiseren en wat niet al. En dat niet uit plichtsgevoel, of uit angst voor vergelding of straf en al helemaal niet vanuit een vooropgezette ideologie, maar vanuit de wetenschap en ervaring dat handelen vanuit fundamentele goedheid onze cultuur verheft en humaniseert. Zo brengen we een verlichte manier van samenleven dichterbij, in ons gezin, in onze vriendenkring, ons werk en de maatschappij.


Bron: Boek 'Religies dromen voor ons land'

maandag 6 januari 2014

Boeddhisme langs de Zijderoute, een expeditie vanaf 1 maart in Amsterdam

Nu al verheug ik me op een bezoek aan Hermitage Amsterdam, waar vanaf 1 maart een expositie wordt gehouden over de Zijderoute, onder de titel ' Expeditie Zijderoute.'

Ooit gestart omdat de Chinezen behoefte hadden hun producten (zijde onder andere) te exporteren, is dit eeuwen lang een verzameling van routes geweest waarlangs niet alleen goederen werden vervoerd, maar ook culturele uitwisseling plaatsvond. Ons interesseert natuurlijk het meest de verspreiding van het Boeddhisme langs deze routes naar onder andere China, maar ook andere religies (later bv de Islam) werden zo verspreid.
Eén van de dingen die ik beter wil begrijpen, is wie dan wel het boeddhisme (de Dharma) verspreidden, ik heb begrepen dat het zowel zwervende (maar met een missionerend doel) monniken waren maar ook handelslieden die teksten, beeldjes etc. met zich meenamen.

Ik citeer de website van de Hermitage :
"Expeditie Zijderoute
Schatten uit de Hermitage
1 maart 2014 – 5 september 2014

Vanaf 1 maart 2014 ademt de Hermitage Amsterdam de lang verdwenen beschavingen langs de legendarische Zijderoute. De tentoonstelling Expeditie Zijderoute. Schatten uit uit de Hermitage laat de bezoeker zelf de handelsroutes afleggen, antieke schatten ontdekken en onherbergzame streken doorkruisen, waar eeuwen geleden karavanen langs koninkrijken, kloosters en nomadenstammen trokken. De schoonheid van ruim 260 objecten, waaronder muurschilderingen, boeddha’s, kostbaarheden van zijde, zilver, glas, goud, terracotta, die zijn opgegraven door Russische expedities in de 19e en 20e eeuw, vult de Hermitage tot en met 5 september 2014. De bezoeker reist in de voetsporen van monniken, handelsreizigers, Marco Polo, en de archeologen, die de verloren rijken van de Zijderoute ontdekten. Een van de vele topstukken in de tentoonstelling is de ruim 9 meter lange muurschildering van een godheid in gevecht met roofdieren, uit het koningspaleis in Varakhsha (7de-8ste eeuw, huidig Oezbekistan). Nooit eerder verliet deze trots van de archeologische collectie de Hermitage, maar die is na de restauratie, mogelijk gemaakt door de Vrienden van de Hermitage, ruim 6 maanden te zien in Amsterdam.
"

Lees ook het achtergrondverhaal over de Zijderoute op de website van de Hermitage.
Ik kom hier vast wel op terug, als ik ergens in het voorjaar op expeditie naar Amsterdam geweest ben.




=======================================================================

Eén van de aanleidingen hierover de schrijven, is een discussie omtrent de jaarwisseling in het BoeddhistischDagblad naar aanleiding van een artikel van Linda Heuman in het blad Tricycle.

Jules Prast schrijft hierover: " Mag ik nog één keer aandacht vragen voor het bovengenoemde artikel in Tricycle uit 2011?
De vondst van de Gandhara-rollen duidt op het bestaan van verschillende overleveringen over de Boeddha. De Pali Canon is er daar maar eentje van. Het idee dat je sutra’s kunt vergelijken om een gemeenschappelijke kern te ontdekken, moet als verouderd worden beschouwd, wanneer je het artikel volgt.
Het woord van de historische Boeddha is in de nevel van de geschiedenis verdwenen, als het al ooit bestaan heeft. In de drang naar de reconstructie van een tekstuele stamboom onthult zich de menselijke behoefte aan houvast. Wij staan oog in oog met ons niet-weten.
Over een generatie of zo zullen we terugkijken op de huidige theorie. Maar eerst moet de onverbiddelijke waarheid nog even indalen in de doctrinaire geest der boeddhisten.
De Gandhara-rollen zijn ongeveer even explosief voor het ‘oude denken’ in het boeddhisme als de vondst van het Thomas-evangelie voor het orthodoxe christendom. Een paradigmawisseling. Gevestigde posities worden omvergeworpen. Er is verzet.
Ik denk dat we er beter aan zouden doen Linda Heuman te lezen en de discussie hierop te concentreren dan door te gaan met het recyclen van houvast waar geen houvast is. "

Ik reageer daar op:
" Op Jules’ dringende verzoek: “Mag ik nog één keer aandacht vragen voor het bovengenoemde artikel in Tricycle uit 2011? “; een reactie, net terug van een bezoek aan het Drents Museum over de ‘Dode Zee rollen’.
Het is al lang bij boeddhologen en nieuwsgierige boeddhisten bekend dat er allerlei versies zijn van de teksten zoals die in de Pali Canon staan. Ergens voor het begin van onze jaartelling in India en omringende landen gecomponeerd en verdere verspreid. De vroeg naar China gebrachte Agama’s zijn er het bekendste voorbeeld van.
Dus wat dat betreft is wat er in Gandhara gevonden is, niet schokkend, wel een interessante uitbreiding van onze historische kennis (die nog zeer incompleet is) van het vroege boeddhisme. Nieuw voor mij is dat de teksten als zo vroeg (voor onze jaartelling?) zijn opgeschreven; ik had begrepen dat het veel langer orale tradities waren geweest.
Een belangrijke site waarin de diverse sutta’s/sutra’s worden vergeleken, is: http://suttacentral.net/ ‘Early Buddhist texts, translations and parallels ‘: (deels zelfde) teksten in Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans en (voorzover aanwezig) andere talen zoals Gandhari ! Tegelijk interessant en oefening in bescheidenheid.
Dus een ‘paradigma-wisseling’ zoals Jules (met de journaliste Linda Heuman) nogal zwaar aan zet, zie ik niet. Wiens paradigma moet er dan wisselen? Kennelijk alleen dat van orthodoxe aanhangers van de Pali Canon. Die zijn er, net zo als er nog Christenen zijn die alles wat er in de Bijbel staat (inclusief het spreken van de slang in Genesis) als letterlijk gebeurd zien.
Goed, nu weer ons eigen boeddhisme gaan beoefenen?"

Helaas heeft Jules Prast niet meer gereageerd op deze onderbouwde reactie van mij.
Anders had ik hem kunnen vragen of naar zijn weten er ook teksten met Mahayana-kenmerken gevonden zijn (bv het benadrukken van het bodhisattva-ideaal tegenover het als minder beschouwde arhat-doel); volgens mij is dat namelijk niet het geval, ik heb het tenminste niet gevonden.
Bron: BD 2 januari 2014 .

Update 8 januari
Inmiddels hebben Jules en ik onze gedachtenwisseling verder via een aantal mails voortgezet.

donderdag 5 december 2013

Boeddhisme en wetenschap; mogelijke toepassing: Dharmawiel en gyroscoop (en voertuigen)

Steeds als ik – bijvoorbeeld in een in Sutta – de uitdrukking 'de draaiing van het Wiel van de Dhamma ' lees, moet ik aan een gyroscoop denken. En nog meer bij 'het Wiel van de Dharma'.

Ik begin met een Sutta-tekst, zelfs uit wat vaak beschouwd wordt als de eerste Sutta, nr 56.11 uit de Samyutta Nikaya, de Dhamma Cakkappavattana Sutta .
Een citaat uit een Nederlandse vertaling 'Het wiel van de Dhamma' is hier vertaald als 'het wiel der wet'.
…..
“En gedurende deze uitspraak, verrees in de Eerwaarde Kondañña de hartstochtloze, onbevlekte visie van waarheid: 'Alles wat de aard van opkomen in zich heeft, heeft ook de aard van vergaan in zich.'
Toen het Wiel der Wet aldus door de Boeddha te Isipatana in beweging werd gezet, verkondigden de Bhummatha deva's (aardgoden) éénstemmig: 'Het onvergelijkbare wiel der wet is door de Gezegende in het hertenpark van Isipatana, nabij Varanasi, in beweging gezet en het is niet meer te stuiten door kluizenaar (samana), priester (brahmaan), hemelwezen (deva), de verzoeker (Mara), hoge goddelijkheid (deva's) of wie dan ook in de wereld'.
“


Het wiel is in beweging gezet, het is gaan draaien dus. Of het daarmee (en het voertuig dat er aan vast zit) ook is gaan rijden, wordt feitelijk niet gezegd.

Vaak wordt de relatie gelegd tussen het boeddhisme en de moderne natuurwetenschap, de quantummechanika is dan een favoriet voorbeeld, meestal zoals ook in dit voorbeeld op onzinnige wijze.

Toch de vraag: is het draaien van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van een gyroscoop ?
Of als variant de meervoudvorm: zijn de draaiingen van het Dharmawiel niet goed te vergelijken met de werking van gyroscopen ?
Of de actieve vorm: is het in beweging brengen van het wiel van de Dharma niet goed te vergelijken met het tot draaien brengen van een gyroscoop-wiel?
Voor de duidelijkheid: ik stel niet dat het misschien hetzelfde is, in denk dat de beeldspraak erg goed bruikbaar is en dat die beeldspraak verder ontwikkeld kan worden om het draaien van het wiel van de Dhamma (Pali) of Dharma (Sanskriet) beter te begrijpen.

Wikipedia legt uit: “Een gyroscoop is een rotatiesymmetrische massa die om zijn as kan draaien. Populair gezegd is een gyroscoop een tol. Met een gyroscoop kan de wet van behoud van impulsmoment gedemonstreerd worden: het vliegwiel blijft draaien als het eenmaal in beweging is. Een snel draaiende gyroscoop zal zich daarbij verzetten tegen verandering van de stand van de draaias. …
Wanneer een gyroscoop eenmaal in beweging is gebracht, zal door de wet van behoud van impulsmoment de draaias in dezelfde richting blijven.
”   Bron: Wikipedia

De beeldspraak is op zich helder en fraai: het (door de Boeddha) in beweging gebrachte wiel blijft draaien, zoals een fietswiel als ik m'n fiets op de kop zet, bv om te zien of het wiel spoort.
De beeldspraak betreft twee zaken:
– de richting waarin het wiel draait, verandert niet
– het wiel blijft draaien
Beide alleen onder voorwaarden: In dezelfde richting tenzij er veel zijdelingse kracht op wordt uitgeoefend.
En het blijft draaien tenzij het door wrijvingsweerstand langzaam tot stilstand komt .

En met deze laatste voorwaarde komen de problemen in de geschiedenis van het boeddhisme.
Waarom blijft het wiel niet draaien? Heeft de Boeddha er geen goede zwieper aan gegeven zodat het na een paar duizend jaar tot stilstand komt? Of zelfs na een paar jaar al als je Mahayanisten moet geloven, want die spreken van een tweede (Mahayana) en derde draaiing (Tibetaans) door de Boeddha later in zijn loopbaan gegeven. Of na een paar honderd jaar als je naar de geschiedenis van het boeddhisme kijkt.
De beeldspraak wordt dan onduidelijk: gaf de Boeddha aan hetzelfde wiel nog een keer een zwiep? Of bracht hij naast het eerste wiel nog twee andere wielen in beweging die dus naast elkaar draaien? Volgens mij is daar niet over nagedacht.

Eerst een meer objectieve beschrijving van dit proces, uit de steeds opnieuw waardevolle Nederlandstalige website van White Jade River :

“ De term "Drie Cyclussen van het in Beweging Zetten van het Wiel van de Dharma" wordt in het bijzonder gehanteerd door de Mahāyāna-tradities uit de Himalayas, dus Tibet, Bhutan, Ladakh, en een deel van Nepal, plus het tibetaans boeddhisme zoals dat weer aan het herontstaan is in Mongolië, Kalmikië en nog een of twee nieuwe Republieken in Rusland.
De engelstalige pagina van wikipedia geeft het hele legendarische verhaal, want een groot deel van deze zienswijze is gebaseerd op legende. Een oudere of orthodoxe traditie zoals de Theravāda, meent dat het Wiel van de Dharma slechts een keer door Boeddha in beweging gezet is, en dat meer niet nodig was. Daar zit wat in.
Ook in chinese, koreaanse en japanse boeddhistische tradities komt het concept "Drie Cyclussen ... etc." niet of sporadisch voor, met uitzondering van de Huayen-traditie waarover hieronder meer.
In die Himalaya-tradities gaat men er dan van uit dat de eerste draai aan dat Dharmawiel door Boeddha werd gegeven toen hij in het Hertenpark in Sarnath, India, de Eerste Leerrede hield ten overstaan van zijn eerste 5 gezellen.
De tweede draai aan het wiel, zeggen genoemde kringen, werd gegeven toen Boeddha op de Gierenpiek, een heuvel nabij Radjgir, eveneens in India, voor het eerst predikte ten overstaan van bodhisattvas, verlichtte of verlichtende wezens. Hier, zo wordt gezegd, onderwees Boeddha (in meer uitgebreide vorm dan voorheen) het concept van ledigheid, sunyatā, en wel aan de hand van de Perfectie van Wijsheids-filosofie.
De derde draai aan het wiel zou dan vooral in de stad Shravastié, maar ook in andere plaatsen, gegeven zijn, en wel om de boeddhanatuur en de boeddhamatrix-leer te onderwijzen. De eerste tastbare bewijzen van de boeddhanatuur-filosofie vinden we pas in de manuscripten die door de chinese monnik Tao-Sheng zijn nagelaten.
Er wordt dan gezegd dat de chinese Huayen-traditie een "vierde Cyclus ... etc" predikte om de boeddhamatrix-leer uiteen te zetten zoals deze traditie dat wil verstaan. De Huayen sprak niet in termen van "cyclus", maar maakte een onderverdeling naar tijd vergelijkbaar met die van Zhiyi, de stichter van de T'ien-t'ai traditie.
“


De enig denkbare oplossing voor de onduidelijkheid is om de gyroscoop-beeldspraak verder door te trekken.
In de ruimtevaart gaat het om bewegingen en oriëntaties in drie ruimtelijke dimensies. Om een satelliet met telescoop (bv de Hubble, zie website ) steeds in dezelfde richting te houden, zijn (minstens) drie gyroscopen nodig. Die draaiende assen daarvan staan dan loodrecht op elkaar !

Zouden ze (Mahayanisten) dit bedoelen? Dat er drie orthogonale draaiende wielen zijn? Zo'n voertuig beweegt dan niet meer, lijkt mij.
Ik vind één gyroscoop genoeg om het Pad te gaan. En helemaal geen voertuig: ik ga zelf wel.

woensdag 27 november 2013

Boeddhistische boeken op een onbewoond eiland

Het is een al lang bestaande vorm van lijstjes. De gedachten-oefening:
Stel dat ik naar een onbewoond eiland ga, welke boeken zou ik dan willen meenenen ?

Helemaal realistisch is deze fantasie natuurlijk niet. Misschien zou ik beter een boek over overleven mee kunnen nemen en nog beter gebruiksvoorwerpen daarvoor.
Maar goed, ik zie van het realisme af en beperk me tot wat ik nu thuis graag doe: boeddhistische en boeddhologische (niet hetzelfde maar weer wel een beetje) boeken lezen.
Het probleem is dat ik wel een boek per week kan verorberen; een e-reader meenemen heeft geen zin omdat er geen oplaadmogelijkheid op dat eiland is. Daarom ouderwets papieren boeken en omdat ik toch een keus moet maken, slechts zes. Boeken die ik niet in één keer uit heb, die steeds weer opnieuw gelezen kunnen worden.
Met een prioriteitsvolgorde.

1. Mindfulness with breathing
door Buddhadasa Bhikkhu
Vertaald uit het Thai en van een conlusie voorzien door Santikaro Bhikkhu
Wisdom Publications, 1997
Het enige Theravada-boek in deze lijst. Maar wat voor één.
Het is voor mij het boek dat alle andere boeken overbodig maakt.
Van regel tot regel, van paragraaf tot paragraaf inzichtgevend. En inspirerend tot beoefening: van anapanasati-meditatie . Ik ga geen voorbeelden geven of proberen samen te vatten: lezen en doen! Samatha en vipassana in hun logische volgorde en samenhang.
Niet om mee te nemen naar dat eiland, maar voor nu: Er is ook een electronische versie van dit boek, gemaakt van een iets minder uitgebreide eerdere druk.
De titel bevat een subtiliteit (heeft Leigh Brasington me op gewezen): meestal wordt gesproken van 'mindfulness of breathing ' maar hier
van '… with … '. Een verschil om over na te denken.

Ik ken ook een ander boek over de Anapanasati Sutta (nr. 117 van de Majjhima Nikaya):
'Adem is bewustzijn ' door Thich Nhat Hanh .
Ook inspirend maar met wat veel glimlachen en minder specifiek over de meditatie-methode.


2. Verzen uit het midden (de door Batchelor gegeven titel) door Nagarjuna
Andere titels van vertalingen van dit werk: 'Grondregels van de filosofie van het midden' (Erik Hoogcarspel; 'The Fundamental Wisdom of the Middle Way' (Garfield), 'Nagarjuna: The philosophy of the Middle Way' (Kalupahana) en
'Nagarjuna's Middle Way: Mulamadhyamakakarika' (Siderits & Katsura)
Alleen de laatste vertaling ken ik niet maar noem ik toch, omdat het de meest recente is en goede recensies gekregen heeft.
Er zijn er nog meer, en de verschillen zijn groot, in vertaling en in interpretatie.
Iedereen zijn eigen Nagarjuna !
Ik ook want het gebruik van 'leegte' (sunyata) is voor mij de kern van het boeddhisme, niet compassie en zo.
Dat wordt herlezen. Ik kies voor het meenemen van:
The Fundamental Wisdom of the Middle Way – Nagarjuna's Mulamadhyamakakarika
Translation and commentary by Jay L. Garfield
Oxford University Press, USA, 1995.       Zie in Amazon
Soms wat meer Tibetaans boeddhisme dan Madhyamaka maar Garfield zegt dat er op die plaatsen dan wel bij.


3. A Few Good Man – The Bodhisattva Path according to The Inquiry of Ugra
door Jan Nattier
University of Hawaii Press, 2005
Dit is boeddhologie in optima forma. Over het boeiendste van alle processen: het ontstaan van Mahayana, of liever 'Bodhisattvayana' zoals Nattier het noemt, losgekomen van het vroege boeddhisme met haar Arhat-ideaal.
Minitieus maar ook levendig.Je bent bij wijze van spreken in het klooster waar volgelingen van beide idealen samen-leven.
Zie voor de eerste 48 bladzijden Booklens


4. Buddhist Phenomenology; A Philosophical Investigation of Yogacara Buddhism
door Dan Lusthaus
Routledge, 2003
Bijna meer een naslagwerk dan een monografie. Iets minder aardig gezegd: een omgevallen boekenkast.
Maar zeer rijk aan informatie, over Yogacara en de verspreiding ervan naar China.
Een aantal pagina's er van om een indruk te krijgen bij Amazon


5. Tao Te King ook wel geschreven als Tao Te King
Door Lao Tzu , ook wel geschreven Lao Tse
Geen boeddhistisch boek, maar taoistisch.
Toch wil ik een vertaling (er zijn er vele, ik heb oude maar er zijn ook nieuwe) daarvan meenemen omdat ooit mijn spirituele 'carrière' als adolescent met deze tekst begonnen is. Lang niet meer gelezen.
Mee dus omdat ik aanneem op dat eiland mijn leven af te sluiten.


6. Mijn eigen verzameld werk
Is dat niet nogal narcistisch en weinig onthecht, m'n eigen teksten meenemen? De blogteksten vooral die ik de afgelopen zes jaar heb geschreven?
In zekere zin wel. Maar de teksten bevatten ook heel veel informatie en bovendien lijkt het me goed me op zo'n eiland te bezinnen op wie ik ben. Ook om al die opvattingen van me en de gewichtigheid daarvan wat te kunnen relativeren.
Het lijkt me onwaarschijnlijk dat daar ook een boek van gemaakt wordt, dan alles maar uitprinten?
Eénzijdig, kan ik de achterkant gebruiken om verder te schrijven.
De lezer kan die teksten ook wel vinden: in deze blog dus.


Andere boeken?
Ik had me voorgenomen me beperken tot zes boeddhistische boeken; en eigenlijk zijn het er maar vier geworden, nr 5 is niet-boeddhistisch en nr 6 is geen boek.
Als ruimte en gewicht geen probleem zijn, zou ik
als nonfictie een boek over astrofysica willen meenemen: hoe moeilijker hoe beter; bv
'Time Reborn: From the Crisis in Physics to the Future of the Universe' door Lee Smolin;

en als fictie ' De man zonder eigenschappen ' van Robert Musil . Meer dan dertienhonderd pagina's, meer dan anderhalf kilo; en dan is ook nog langzaam lezen noodzakelijk.


Update 29 november:
Nu ik er nog eens over nadenk:
dat onbewoonde eiland kan ook een kamer in een verpleeghuis worden.

zondag 3 november 2013

Is boeddhistische humor leuk ?

Twee websites met een behoorlijke overlap aan grappen:
Sujato en Buddhist jokes

Eentje dan, één type grap: het indraaien van lampen:

How many vipassana meditators does it take to change a light bulb?
No need. Just note: ‘darkness, darkness, darkness’.


How many Abhidhamma scholars does it take to change a light bulb?
There are 20W light bulbs, 40W light bulbs, 80W light bulbs, 100W… 200W…
There are 6V light bulbs, 12V light bulbs, 120V light bulbs, 240V light bulbs…
There are incandescent bulbs, fluorescent bulbs…
There are clear light bulbs, pearled light bulbs, colored light bulbs…
There are screw-in light bulbs, bayonet light bulbs…
There are 20W light bulbs that are 6V, there are 20W light bulbs that are 12V… 120V… 240V…
There are 40W light bulbs that are 6V… 240V…
80W… 100W… 200W…
There are 20W light bulbs that are 6V incandescent…
There are 200W light bulbs that are 240V, florescent, coloured, and bayonet …


Q: How many Zen Buddhists does it take to screw in a lightbulb?
A: An oak tree in the garden.


How many Buddhist monks does it take to change a lightbulb?
None….the lightbulb must change from within.


Tibetan Buddhists and the light bulb question:

How many Madhayamka scholars does it take to screw in a light bulb?
Four:
One to scew it in.
One to not screw it in.
One to both screw it in and not screw it in.
One too neither screw it in nor not screw it in.

How many Gelugpas does it take to screw in a light bulb?
Three:
2 to have a debate about the nature of light and 1 to twist the bulb

How many Sakyapas?
Two:
1 to write the instructions and the auto-commentary, 1 to twist the bulb

How many Kagyupas?
One:
But he has to spend years and years sealed in a cave first.

How many Nyingmapas?
One:
But he has to dig up the instructions to find out the bulb is already in.

How many Bonpos?
One:
But their bulbs screw in the other direction.


zaterdag 5 oktober 2013

Kunnen wij (boeddhisten) de maatschappij transformeren? Nee hoor !

In m'n blog van 27 juli sprak ik m'n verbazing erover uit dat (prof. dr) André van de Braak in zijn VU-colleges kennelijk de mening verkondigt dat boeddhisten (of sangha's) de maatschappij kunnen (althans moeten willen proberen te) transformeren.

Ook Han de Wit van Shambala betrekt deze stelling, bijvoorbeeld in zijn artikel 'Maatschappelijk boeddhisme '.
Het Shambala-boeddhisme streeft naar een 'verlichte samenleving' , zo stelt hij, in navolging van zijn leraar Shogyam Trungpa.
Dit is 'koninklijk boeddhisme', het is dus begrijpelijk dat Han de Wit in de periode rond de kroning van Willem Alexander dit voorjaar dit ideaal aan de nieuwe koning wilde voorhouden.
Daar schreef ik eerder over in mijn blog van 28 april onder de titel 'Kan ik de droom voor ons land over fundamentele goedheid wel steunen? Toch niet ! '

Een derde voorbeeld van deze gedachtengang is opgenomen in de – overigens heldere en waardevolle brochure 'Een boeddhistisch manifest ' van Triratna. Geschreven door Subhuti, naar ik aanneem een Engels Triratna-lid.
In hoofdstuk 5, 'Toevlucht naar de Sangha', gaat het eerst op sangha-opbouw. De volgende stap:
"Het uiteindelijke ideaal van de Sangha is om de samenleving overal te veranderen in een nieuwe samenleving: om de hele wereld te transformeren naar het land van de Dharma – tot een ‘Zuiver Land’. Boeddhisten zouden nooit moeten rusten tot dit doel is bereikt – hoe onmogelijk veraf, zelfs wereldvreemd, het ook lijkt. Vanouds wordt gezegd dat velen zich aan deze taak, gedurende vele levens, gewijd hebben. ...
De eerste taak/verplichting is dan ook om de Dharma wijd en zijd beschikbaar te maken, in een zo helder en toegankelijk mogelijke vorm. ...
Als een groot aantal mensen op deze manier een dharmisch leven leiden, in welke mate dan ook, zal dat een zeer groot effect hebben op de maatschappij als geheel. Het is echter niet voldoende om daarop te zitten wachten. Velen, waar dan ook, lijden verschrikkelijk door onrechtvaardigheid, geweld, armoede, uitsluiting en vooroordelen. Vanuit mededogen is het onze taak om hen te helpen om nu aan hun lijden te ontkomen. Dit kan op twee manieren gebeuren: door hen de directe materiële hulp te bieden die ze nodig hebben om hun problemen het hoofd te bieden en door hen te helpen zichzelf voortaan te helpen. Boeddhisten kunnen beide doen.
....
De ultieme betekenis en doel van de menselijke samenleving is de groei van de individuen in die samenleving – groei in creativiteit, liefde, mededogen en wijsheid. Als die groei bij veel mensen plaats vindt, zal de samenleving stabiel zijn omdat de fundamentele menselijke waarden algemeen gedeeld worden, waardoor tegengestelde belangen afnemen. ...
Als Boeddhisme wordt vernieuwd kan het gemakkelijker zijn invloed sterker doen gelden binnen samenlevingen over de hele wereld, en op die manier waarden inbrengen die het welzijn van allen bevorderen. ... De ultieme betekenis en doel van de menselijke samenleving is de groei van de individuen in die samenleving – groei in creativiteit, liefde, mededogen en wijsheid. Als die groei bij veel mensen plaats vindt, zal de samenleving stabiel zijn omdat de fundamentele
menselijke waarden algemeen gedeeld worden, waardoor tegengestelde belangen afnemen.
Als Boeddhisme wordt vernieuwd kan ... zo verzekeren dat niemand onnodig lijdt ten gevolge van de toevalligheden bij hun geboorte: ras, kleur, klasse, geslacht, seksuele oriëntatie, fysieke handicap. Het kan in de hele samenleving vrede en harmonie bevorderen en een geest van
vriendelijkheid en samenwerking. En het kan ook cultuur, onderwijs en kunst bevorderen als middel voor een hoger menselijk leven.
" (pag 40-45 in de brochure, pag 23-26 in de pdf)

Met dit verhaal, en ook met de opbouw in 'wat te doen', kan ik het eens zijn, tot de laatste door mij geciteerde passage dat getuigt van een (in mijn ogen) achterhaald vooruitgangsgeloof.

============================================================

Ik wil mijn reactie op deze denktrant van 'de maatschappij transformeren'
genuanceerd maar ook principieel
brengen.

Het doel van het begaan van het boeddhistische pad is uiteraard daar een stuk verder op te komen, iedere keer weer. Tot hoever of waarnaartoe is lastiger te formuleren, maar vooral ook op diverse manieren te formuleren. 'Persoonlijk transformeren' is één van de manieren waarop dat kan, al is dat niet mijn manier, het komt me nogal specifiek als een Mahayana-term voor, en als te hoogdravend. Ik zeg iets als 'steeds meer de dingen zien zoals ze echt zijn', 'onthechten' of desnoods: 'ontwaken'. 'Desnoods' zeg ik, want dat gaat niet volledig gebeuren, verlicht worden of arhat worden in termen van de Pali-canon. Daarvoor ben ik eerlijk gezegd ook niet ambitieus genoeg.

Een primaire groep om me heen om dat samen te doen (een sangha als je wilt) is daarbij buitengewoon nuttig en in de beginfase van dat pad nodig. Maar een sangha is niet de maatschappij.
Als onderdeel van dat pad, als individu, als burger samen met anderen, bijvoorbeeld met een sangha, geëngageerd bezig zijn is ook wezenlijk. Sterker nog: alleen maar mezelf proberen te 'transformeren' kan niet maar is ook onwenselijk.

Dat geëngageerd bezig zijn moet niet alleen intentie zijn, maar werkelijk, fysiek en mentaal gebeuren, naar anderen toe.
Wel in de wetenschap dat het altijd een druppel-op-de-gloeiende plaat is wat ik doe, hoogstens 'een steen verleggen' zoals Bram Vermeulen ooit zong (dit graag op mijn begrafenis draaien).
Of net als Sisyphus in de mythe, steeds weer opnieuw een steen (een andere steen zou ik zeggen) de berg op rollen, die vervolgens weer zelf naar beneden rolt. Daarbij moet ik steeds aan de beschrijving van Albert Camus van deze mythe zeggen, die zijn boek afsluit met: 'wij moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen'.

En waarom blijft de plaat gloeiend heet? Waarom rolt de steen steeds weer naar beneden? Waarom is steeds weer opnieuw onrecht, armoe en onderdrukking etc?
Omdat we, in laatste instantie moet ik dat toch zo noemen, in samsara leven; en daarin ook blijven bestaan. Een leven waarin 'dukkha ' (lijden, onbevredigendheid) één van de kenmerken is, naast 'niet-zelf' en 'veranderlijkheid'.

Er is geen 'Shambala' op deze wereld (de planeet 'Aarde' op 150 miljoen kilometer van de zon; ik zeg dit om er zeker van te zijn dat we het over dezelfde wereld hebben).
Er is geen 'Reine Land', geen paradijs op deze wereld. En dat paradijs komt er ook niet.
Zeker: de hoeveelheid onrecht, armoe en onderdrukking kan kleiner worden dan ze nu is, in sommige landen is die ook minder geworden de laatste eeuwen. In andere landen waarschijnlijk juist meer. Maar toch moeten we blijven proberen daar iets aan te doen. Steeds weer opnieuw, maar zonder te denken dat dat ook gebeurd is. En ook zonder te denken dat iemand anders (een koning bijvoorbeeld, een leider) dat wel kan.
Kortom: we leven in samsara en blijven dat doen (of gaan dood);
de samenleving transformeren is een illusie.


Sterker: de geschiedenis toont aan dat waar gestreefd wordt naar een heilstaat (op aarde) dat nog wel eens in een dictatuur eindigt.
Laten we er dus maar het beste van proberen te maken in een klungelige en tobberige samenleving.


PS
Ik wil het maar niet over een 'participatie-samenleving ' hebben,
want dat concept betekent 'we weten het ook niet meer'.

vrijdag 6 september 2013

Dood gaan voor beginners; vervolg

Veel is er niet gebeurd sinds ik op 5 Mei m'n blog 'Dood gaan voor beginners ' plaatste.
Of eigenlijk wel: ik ben sinds die dag weer (op 6 september) 124 dagen dichter bij mijn dood gekomen, wanneer die dan ook is.
En ik heb me verdiept in de contemplaties op de dood (Maranassati), en op Vijf contemplaties voor iedereen en het boek dat Rosenberg daarover heeft geschreven.

Contempleren - te begrijpen als 'diep denken ' - elke dag op:
  • ’Ik weet zeker dat ik ouder word. Ik kan ouder worden niet vermijden.’

  • ’Ik weet zeker dat ik ziek word. Ik kan ziekte niet vermijden.’

  • ’Ik weet zeker dat ik doodga. Ik kan de dood niet vermijden.’

  • ’In alle dierbare en geliefde dingen zal verandering optreden en er zal scheiding van zijn.’

  • ’Ik ben de eigenaar van mijn handelingen (kamma), de erfgenaam van mijn handelingen, handelingen zijn de schoot (waaruit ik ontstaan ben), handelingen zijn mijn verwanten, handelingen zijn mijn bescherming. Welke handeling, goed of slecht, ik zal er de erfgenaam van zijn.'


Over deze tekst (volledige sutta-versie: zie onderaan), en meer gedetailleerde contemplaties, heeft Larry Rosenberg geschreven:
  Living In The Light Of Death ;
  On The Art Of Being Truly Alive

Shambhala Publications Inc, september 2001, 192 pagina's
Te koop via boekhandel of Bol.com of Amazon.com (met een aantal bladzijden in te zien.)

Samenvatting
This book presents the Buddhist approach to facing the inevitable facts of growing older, getting sick, and dying. These tough realities are not given much attention by many people until midlife, when they become harder to avoid. Using a Buddhist text known as the Five Subjects for Frequent Recollection, Larry Rosenberg shows how intimacy with the realities of aging can actually be used as a means to liberation. When we become intimate with these inevitable aspects of life, he writes, we also become intimate with ourselves, with others, with the world--indeed with all things.

======================================================================

Een vervolg op m'n blog van 5 mei dus.
Maar ook weer niet. In die periode was ik intensief met mijn dood bezig, zonder concrete aanleiding (geen ziekte, geen voorjaarsmoeheid of zo); zo maar, van binnen uit.
Nu ben ik dat nauwelijks. Dat komt wel weer; zoals ik een paar dagen geleden aan iemand schreef: als er iets is waar ik me geen zorgen over hoef te maken, is dat het feit dat ik dood ga.
Maar juist omdat ik er niet - vanuit mezelf - mee bezig ben, moet ik er mee bezig zijn.

Dicht bij de tekst blijvend, zal ik hier passages uit hoofdstuk 3 van dit boek (pagina 78-121)samenvattend vertalen:
' (CHAPTER 3)- THE THIRD MESSENGER – DEATH IS UNAVOIDABLE '.
Vrijblijvend met dit thema zijn kan niet, werkt niet: we moeten 'standvastig en stevig' naar het feit van de dood kijken. We kunnen er niet 'kort en achteloos een blik op werpen.
Eigenlijk is de hele beoefenen van de Dharma van mij tot nu toe een voorbereiding, om me sterk genoeg te maken om te kijken naar mijn doodsangst. Er is ook aandachtigheid en concentratie voor nodig. Geen rigide concentratie maar een tedere gemoedstoestand.

Voor een formele beoefening maakt Rosenberg gebruik van een negendelige meditatie, gebaseerd op een tekst van de Indiase boeddhist Atisha (980-1055).
Drie thema's die steeds ook uit drie contemplaties bestaan.
Het is aan te bevelen een contemplatie steeds te beginnen met aandacht voor de ademhaling (anapanasati), totdat er een zekere kalmte bereikt is; want deze contemplaties vereisen een geconcentreerde geest. Met zo'n serene geest kan men scherp en soepel denken.
De woorden waarop gecontempleerd wordt, lijken simpel, maar na verloop van tijd komt hun diepere betekenis naar voren.

DE ONVERMIJDELIJKHEID VAN DE DOOD

1. Iedereen moet sterven;
2. Het aantal dagen dat we nog leven, vermindert continu;
3. De dood komt, of we nu wel of niet de tijd hebben genomen de Dharma te beoefenen.


DE ONZEKERHEID OVER HET TIJDSTIP VAN DE DOOD

4. De menselijke levensverwachting is onzeker;
5. Er zijn veel oorzaken van de dood;
6. Het menselijk lichaam is heel fragiel en kwetsbaar.


ALLEEN DE BEOEFENING VAN DE DHARMA KAN ONS HELPEN ALS WE GAAN STERVEN

7. Onze bezittingen kunnen ons niet helpen;
8. Degenen die van ons houden kunnen ons niet helpen;
9. Ons lichaam kan ons niet helpen.


Dat zijn ze, ga er maar aan staan; of liever: ik moet er nu echt aan beginnen.
Vooral de achtste vind ik moeilijk, dat realiseert ook Rosenberg zich.
"We denken dat onze menselijke relaties niet – zoals bezittingen – een ego bevatten. Onze relatie tot onze partner. Onze ouders. Onze kinderen. Broers en zussen. Nabije vrienden. Onze spirituele leraren. We geloven dat we een aantal relaties hebben die een zekere zuiverheid bevatten.
Dat mag waar zijn. Maar het is ook waar dat onze vrienden ons niet kunnen helpen als we sterven. Mogelijk zijn ze in de buurt (of niet, we weten niet hoe het gaat). Ze kunnen ons geruststellen. Maar op het eind, uiteindelijk, moeten we 'dag' tegen ze zeggen en ze niet meer terug zien. We moeten alleen sterven.
" (pagina 101)


======================================================================

" Vijf contemplaties voor iedereen

Er zijn vijf onderwerpen, monniken, waarop vaak gecontempleerd zou moeten worden door mannen en vrouwen, lekevolgelingen en monniken. Wat zijn deze vijf onderwerpen?

’Ik weet zeker dat ik ouder word. Ik kan ouder worden niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik ziek word. Ik kan ziekte niet vermijden.’
’Ik weet zeker dat ik doodga. Ik kan de dood niet vermijden.’
’In alle dierbare en geliefde dingen zal verandering optreden en er zal scheiding van zijn.’
’Ik ben de eigenaar van mijn handelingen (kamma), de erfgenaam van mijn handelingen, handelingen zijn de schoot (waaruit ik ontstaan ben), handelingen zijn mijn verwanten, handelingen zijn mijn bescherming. Welke handeling, goed of slecht, ik zal er de erfgenaam van zijn.

Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn ouder te worden en ouder worden niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze jong zijn, trots op hun jeugdigheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak
contempleert op dat feit (van de zekerheid van ouder worden), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ouder worden) dikwijls overdacht moeten worden.

Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze 'er zeker van zijn ziek te worden en het niet kunnen vermijden'? Wezens zijn als ze gezond zijn, trots op hun gezondheid; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van ziekte), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van ziekte) dikwijls overdacht moeten worden.

Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ze ’er zeker van zijn dood te gaan en de dood niet kunnen vermijden’? Wezens zijn als ze in leven zijn, trots op het levend zijn; en verblind door die trots leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die vaak contempleert op dat feit (van de zekerheid van de dood), zal de trots op de jeugdigheid ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van de dood) dikwijls overdacht moeten worden.

Om welke goede reden nu, moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik, dikwijls contempleren op het feit dat ’in alle dingen, dierbaar en geliefd, verandering zal optreden en dat er scheiding van zal zijn’? Wezens hebben een wellustig verlangen naar dat wat dierbaar en geliefd is; en brandend door wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is leiden ze een slecht leven in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert (op verandering in en scheiding van dierbare en geliefde dingen), zal het wellustig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze goede reden zou het feit (van verandering en scheiding in wat geliefd is) dikwijls overdacht moeten worden.

Om welke goede reden moet een man of vrouw, lekenvolgeling of monnik dikwijls contempleren op het feit dat zij de ‘de eigenaren van hun handelingen zijn, de erfgenamen van hun handelingen, dat hun handelingen hun schoot zijn, handelingen hun verwanten zijn, handelingen hun bescherming zijn en dat welke handeling ze ook verrichten, goed of slecht, zij er de erfgenamen van zullen zijn'? Er zijn wezens die een slecht leven leiden in handelingen, woorden en gedachten. Maar in degene die dikwijls contempleert op het feit (van bezit van zijn eigen handelingen)zal dat slechte gedrag ofwel geheel verdwijnen of afzwakken. Om deze reden zou het feit dikwijls overdacht moeten worden.

De nobele discipel nu, contempleert aldus: ’Ik ben niet de enige die er zeker van is ouder te worden, ziek te worden en dood te gaan. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, ze zijn allen onderhevig aan ouder worden, ziekte en dood. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad van de stadia van heiligheid op.
Hij begeeft zich nu regelmatig op het Pad, onderhoudt het en versterkt het.

Terwijl hij dit doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen slechte neigingen ophouden te bestaan.
Verder contempleert de nobele discipel als volgt: ’Ik ben niet de enige voor wie er verandering optreedt in wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de eigenaar en erfgenaam van zijn handelen is. Maar waar dan ook wezens komen en gaan, vertrekken en weer tevoorschijn komen, voor hen allen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is; en zij allen zijn de eigenaar en de erfgenaam van hun handelingen. In degene die dikwijls op deze feiten contempleert, komt het Pad op. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad. Hij begeeft zich nu regelmatig op dat Pad, onderhoudt het en versterkt het. Terwijl hij dat doet, zullen de bindingen geheel verdwijnen en zullen de slechte neigingen ophouden te bestaan.

Onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood, wezens in deze toestand worden verafschuwd door de wereldling. Maar hij zou beter kunnen denken: ’Als ik weerzin zou voelen voor wezens van een dergelijke soort, zou dit niet juist zijn voor mij, die evenzeer een dergelijk lot beschoren is.
Terwijl ik in dergelijke gedachten verblijf en weet heb van (Nibbāna’s) zorgeloze staat, zal ik de drievoudige trots verslaan, van gezondheid, jeugdigheid en uitbundigheid van leven, omdat ik zie dat de zekere vrede in verzaking ligt.
Turend naar Nibbāna, ontstaat er geestdrift in mij:
Nu kan ik nooit meer zwichten voor zintuiglijk verlangen!
Iemand die nooit meer terugkeert, zal ik worden.
Het verheven leven is nu mijn hoogste doel.’
"


Uit: Anguttara Nikaya V, 57. De Verzameling Predikingen met Numerieke Rangschikking.-
Een selectie door Nyanaponika Mahathera.
Bron: buddhistmahavihara.com/admin/uploads/why_buddhism_(dutch).pdf
Dr. K. Sri Dhammananda
Vertaling: Arjan Schrier


PS
De 3-september-versie van deze blog was onvolledig.
Excuses voor het bestaan van twee versies

donderdag 18 juli 2013

Wortels van het Zuivere Land Boeddhisme (deel 2) - En waarom zoiets mij nou toch aan kan spreken

Vooraf
Op 11 juli plaatste ik hier deel 1 van de vertaling van een essay van Jan Nattier
Een paar opmerkingen hierover zette ik in m'n tekst van 15 juli
A. Het 'Zuivere Land Boeddhisme' en de behoefte aan 'Eén Dhamma' . Samengevat:
- ik heb helemaal geen behoefte aan 'één Dhamma', en
- zie in feite ook zeer verschillende boeddhistische tradities die alleen met kunstgrepen tot één traditie gereduceerd kunnen worden;
- de opvatting dat die tradities (voertuigen) treden van op stijgend pad zijn is typisch de optiek van degenen die zich bovenaan die trap situeren.

Aanleiding van deze korte beschouwing waren de opmerkingen van Nattier aan het begin c.q. het eind van haar essay:
" In de mate dat we kunnen voortgaan op bestaande bronnen was het vroege Indisch boeddhisme een levensfilosofie van het “ene-voertuig”.
Niet het “ene voertuig” (Sanskriet: ekayāna) uit teksten als het Lotus Sutra, waar de Boeddha spreekt over drie verschillende paden naar bevrijding, alhoewel enkel het pad van de bodhisattva ook werkelijk naar het Boeddhaschap leidt. In het vroege boeddhisme leidde het “ene pad” naar het arhantschap, een weg die iedereen die de onderrichtingen van de Boeddha ter harte nam, bewandelde (weliswaar met verschillende snelheden). Aangenomen werd dat dit pad naar nirvāṇa leidde, naar volledige bevrijding uit de kringloop van saṃsāra, zoals bij de Boeddha het geval geweest was.
....
Naarmate het vooruitzicht bodhisattva te worden “doenbaarder” werd door de “reine land” opties, werd de weg vrijgemaakt voor een universalisme van de doctrine over het “ene voertuig” uit het Lotus sutra en andere teksten: hier is het pad van de bodhisattva aangewezen voor elke boeddhistische man, vrouw en kind. In zekere zin kan men dus zeggen dat bij het hedendaagse Japanse boeddhisme waar – ongeacht de school (shū) – ideeën uit het Lotus sutra een centrale plaats innemen, de cirkel dan ook rond is. Daarmee zijn we terug aanbeland bij de idee van het oude boeddhisme dat het “ene voertuig” voor allen geschikt is.
"

Ik wil vooraf nog een andere opmerking maken.
Het 'Zuivere Land Boeddhisme', of zoals in Vlaanderen wordt gezegd 'Het Reine Land Boeddhisme', is in Nederland nauwelijks bekend, terwijl het in Oost-Azië de meest populaire traditie is.
De enige bron waar ik het van kende, waren de boeken van de Engelsman David Brazier, die zich soms ook Dharmavidya noemt, zie Amazon-overzicht . En ik ben er niet zeker van wat in deze teksten 'Zuivere Land' is en wat 'Brazier'.
Het tijdschrift EKO van het (Vlaamse) ' Centrum voor Shin-Boeddhisme Tempel van het Licht van Mededogen' heeft me veel informatie gegeven, en m'n sympathie voor deze traditie versterkt hoewel ik er – analytisch als ik ben – ver van af blijf staan.
Dat wil zeggen, het devotionele is vreemd voor me, al heb ik ook dat zeker wel in me, bijvoorbeeld als ik in een tempel of (in Zuid Europa) een katholieke kerk kom.

Wat me nog meer aanspreekt, sluit aan bij een nieuwe ontwikkeling die ik bij mezelf opmerk en die ik m'n nieuwe boeddhistische luiheid wil noemen, beginnend toen ik na afloop van een op samatha gerichte retraite merkte dat ik teveel m'n best had gedaan, jhana te bereiken.
In een discussie in het 'BoeddhistischDagblad', was een van mijn reacties :
" Helemaal rechtlijnig is het verband niet maar ik zie een relatie tussen het inherente hiërarchische denken dat kenmerkend is voor (de meeste vormen van) het boeddhisme en ...
Hiërarchie niet alleen tussen leraar en leerling, meer en minder gevorderde, de abt en de gewone monnik.
Maar ook in de beoefening op individueel niveau: steeds ‘hogere’ niveaus/stadia willen bereiken, of het nu nana’s of bumi’s of stappen van satori zijn. En dat niet alleen bij de ‘geleidelijke’ verlichting maar ook bij de ‘plotselinge’ vorm.
"
'Boeddhisme beoefenen' is hard werken, van die cultuur probeer ik de laatste maanden steeds meer los te komen, althans enigszins. En m'n belangstelling voor het Zuivere Land Boeddhisme past daar in. Heel kort en heel onzorgvuldig samengevat: ik hoef het niet allemaal zelf te doen.

Er is nog een andere tekst die me op het spoor van het Zuivere Land Boeddhisme heeft gebracht. De Amerikaanse taalkundige (en Marxist) Tom Pepper is een van de scherpste critici van het populaire boeddhisme, door hem en medecriticus Glenn Wallis X-Buddhism genoemd. Het is opvallend dat juist hij Shin Buddhist blijkt te zijn, een Japanse variant van deze traditie. Zie een recente tekst van hem hierover, getiteld "The Radical Potential of Shin Buddhism "
Een paar citaten: "Why Shinran? Why try to recover this obscure failed Tendai monk from medieval Japan, the founder of what is now the most conservative and least active of Buddhist sects, a Buddhist sect, moreover, that the majority of even long-term Buddhist practitioners in the West have still never heard of? Surely if we want to find the true transmission of Buddhism we should turn to Shinran’s contemporary, Dogen. Or else return to the ancient texts of the Pali Canon to find the true, original Buddhism?
I’m going to make the argument that Shinran’s Buddhism is the most radical approach we could take today to reducing human suffering.
...
The Pure Land, on my interpretation of Shin Buddhism, is the social formation in which the collective mind always thinks dialectically. It is the society in which, in the terms of Badiou’s Republic, everyone is a philosopher. And we can only reach this condition collectively. My capacity to think dialectically and act from a self-conscious awareness of my own constructedenss depends completely upon there being other individuals who are incorporated into this collective mind of shinjin. Until we are all part of the dialectical mind of shinjin, we are all still caught in our reifications and attachments and blind passions. The Primal Vow of Amida is nothing more than the recognition that as the collective mind of shinjin incorporates more individuals, our liberation becomes possible.
As individuals, we are foolish beings, trapped in ideologies we mistake for natural truths. To reach the Pure Land, then, would consist simply of being born into a culture that does not reify its ideologies, a collective mind already aware of its constructedness and dependent origination. While Western philosophy has long emphasized the individual achievement of philosophical wisdom, Shin Buddhism recognizes that this is only possible as a collective project. Liberation is collective, and the collective mind is Other Power."



Hieronder deel 2 van de vertaling van Jan Nattier's essay
Bron: EKO nr 137

==================================================================

Indische wortels van het Zuivere Land Boeddhisme (deel 2)

Uit het werk Inzichten uit de oudste Chinese versies van het Grote Sukhavativyuha
van Jan Nattier volgt hier het tweede deel, vertaald door Sven

Van Akṣobhya naar Amitābha: de evolutie van de Reine Land gedachte
Beschrijvingen van de levensloop van Amitābha, worden door hedendaagse boeddhisten helemaal anders opgevat. Van Amitābha’s leven wordt gezegd dat het eindeloos is (als gesuggereerd door de alternatieve naam, Amitāyus), en wedergeboorte in zijn hemel wordt
(vooral in de Jōdo-Shinshū school) gezien als het gevolg van Amitābha’s mededogen, niet van de eigen verdienste. Alle beoefenaars zijn “bodhisattva’s” en de mogelijkheid van het pad van arhant – in Sukhāvatī of elders – is uit het gezichtsveld verdwenen. De carrière van de bodhisattva heeft weinig van het rigoureuze en bloedige karakter van de typerende zelfopoffering uit de Jataka-vertellingen en vroege Mahāyāna literatuur. Het pad van de bodhisattva is er niet langer voor enkele “keiharde” individuen die buitensporige daden stellen, het is daarentegen voor iedereen toegankelijk. Deugden als dankbaarheid ten overstaan van Amitābha en vriendelijkheid tegenover andere levende wezens komen centraal te staan, niet de verzaking aan familiale banden en het lijden veroorzaakt door boze koningen en hongerige tijgerinnen. Ook de idee dat men duizenden (of zelfs miljoenen) levens nodig zou hebben om de boeddhastaat te verwerven verdwijnt op de achtergrond.
In de plaats van een uitgestippelde spirituele pelgrimstocht over vele levens ligt de focus bij de meeste Reine Land boeddhisten op een heilzame levensloop in het hier en nu, en (ten hoogste) ook in het volgende leven.

Het feit dat dit scenario zodanig verschilt van het perspectief uit het vroege boeddhisme – en, inderdaad, van de wereldvisie naar voren gebracht in relatief vroege Mahāyāna geschriften als het Akṣobhyavyūha – leidde sommige critici ertoe zich af te vragen of het “reine land” gedachtegoed überhaupt als boeddhistisch te bestempelen was. Ze deden daarbij beroep op vreemde (voora Iraanse) invloeden of “vervuiling” door plaatselijke (vooral Hindoe) ideeën om een schijnbare radicale afwijking van het gangbare boeddhisme te verklaren. Maar de inhoud van het Akṣobhyavyūha zoals hoger uiteengezet, suggereert de werking van een heel ander historisch proces. Het verwijst meer specifiek naar de mogelijkheid dat het zogenaamde “Reine land” boeddhisme geleidelijk aan ontstond als resultaat van de inzichten binnen de boeddhistische gemeenschappen zelf, eerder dan als een product van vreemde elementen van buitenaf opgenomen. Maar kan hetzelfde gezegd worden van de geschriften over Amitābha? Dat zullen we in de volgende paragrafen bekijken.

Ontstaan van de traditie van Amitābha: het Grote Sukhāvatīvyūha
Ondanks degelijk bewijs dat de Boeddha Akṣobhya in het vroege Indische Mahāyāna een belangrijke figuur was, is hij tegenwoordig weinig bekend en verschijnt hij hoofdzakelijk als de Boeddha van het Oosten in enkele tantrische teksten. De Boeddha bekend onder de
naam Amitābha of Amitāyus daarentegen is voor ontelbare Oost-Aziatische boeddhisten al eeuwen het object van devotie.
Verwijzingen naar Amitābha treffen we aan in een grote reeks Indische boeddhistische geschriften. Sommige zijn volledig gewijd aan Amitābha, in andere is hij een toevallige achtergrondverschijning.
Zonder twijfel is Amitābha daarmee een van de populairste figuren uit de boeddhistische geschiedenis.

Of aanhangers van Amitābha in India ooit geschriften samen brachten in een “Amitābha canon” weten we niet. Boeddhisten in Oost-Azië houden drie teksten omtrent deze figuur hoog in aanzien: twee Sanskriet sutra’s die Sukhāvatīvyūha heten, beter bekend als het “grote” en het “kleine” Reine Land sutra, en een derde tekst in het westen bekend onder de gereconstrueerde Sanskrietnaam van Amitāyurdhyāna Sūtra. Dit derde sutra – het Guan wuliangshou fo jing (Jpn. Kan Muryōjubutsu kyō; Taishō, vol. 12, no. 365) – wordt nu algemeen beschouwd als een apocrief werk [vermits er geen originele Indische basistekst van beschikbaar is] dat in China werd samengesteld (sommigen menen Centraal Azië).

De twee Sukhāvatīvyūha sutra’s daarentegen worden beschouwd als van echte Indische makelij en zijn inderdaad twee van de weinige niet-Theravāda teksten, bewaard gebleven in een Indische taal.
Aangezien we in dit artikel speuren naar de opkomst van de toewijding aan Amitābha in India, besteden we enkel aandacht aan deze twee teksten.

In Oost-Azië werden deze twee teksten natuurlijk gelezen in het Chinees en niet in het Sanskriet. Sommige Chinese vertalingen zijn zelfs enkele eeuwen ouder dan de overgebleven Sanskriet manuscripten. De vroegste Chinese vertaling van het kleine Sukhāvatīvyūha verscheen in het begin van de 5de eeuw na Christus toen de bekende Kumārajīva tijdens zijn gevangenschap in Kucha een versie van de tekst maakte die de Amituo jing heette (Jpn. Amida kyō; Taishō, vol. 12, no. 366). Deze tekst is vooral een beschrijving van de kenmerken van het reine land (Sukhāvatī) en bevat weinig informatie over Amitābha zelf.

In het grote Sukhāvatīvyūha komen we het meest te weten over de loopbaan van Amitābha, te beginnen met zijn gelofte de boeddhastaat te bereiken – toen nog als de bodhisattva Dharmākara. De meest gebruikte vertaling in Oost-Azië, de Wuliangshou jing (Jpn. Muryōju
kyō; Taishō, vol. 12, no. 360), wordt in laat-Middeleeuwse Chinese catalogi toegeschreven aan de 3de-eeuwse monnik Samghavarman en die toewijzing wordt door de Japanse Taishō Shinshū Daizōkyō catalogus gevolgd. Deze toewijzing doorstond echter het meer recent
nauwkeurig academisch onderzoek niet. Op basis van vroegere catalogi (met name Chu sanzang jiji door Sengyou samengesteld in het begin van de zesde eeuw, Taishō, vol. 55, no. 2145), beschouwen de meeste onderzoekers de tekst nu van de hand van Buddhabhadra en Baoyun, twee vertalers die actief waren in het begin van de 5de eeuw na Christus. Vandaar dat van de populairste Chinese versie van het grote Sukhāvatīvyūha vermoed wordt dat ze ongeveer gelijktijdig ontstaan is als de vertaling die Kumārajīva van het kleine sutra maakte.

Er zijn echter nog twee behoorlijk vroegere Chinese vertalingen van het grote Sukhāvatīvyūha. De eerste draagt de omslachtige titel van Amituo sanyesanfo saloufodan guodu ren dao jing (Jpn. Amidasan’yasambutsusarubutsudan-kadonindō-kyō, vaak afgekort tot Dai amida kyō; Taishō, vol. 12, no. 362) en werd samengesteld door Lokakṣema (Jpn. Shi Rukasen) aan het einde van de tweede eeuw na Christus. De andere, in het begin tot midden van de derde eeuw na Christus vertaald door Zhi Qian (Jpn. Shiken), is het Wuliang qingjing pingdengjue jing (Jpn. Muryōshōjōbyōdōgaku-kyō; Taishō, vol. 12, no. 361). Niet alleen zijn deze twee Chinese vertalingen ouder dan hetgeen is terug te vinden in het Muryōju kyō, maar uit de inhoud blijkt ook dat hun vertalers teruggaan op vroegere stadia van de Indische teksten.

Daarmee zijn ze de meest aangewezen kandidaten om door te dringen tot de vroege Indische traditie rond Amitābha. Voor het merendeel is de inhoud van beide Chinese versies gelijklopend en daarom zullen we ze samenhangend behandelen (en belangrijke verschillen aanstippen als we ze tegenkomen). Alle verwijzingen naar het grote Sukhāvatīvyūha hierna, hebben (tenzij anders aangegeven) betrekking op de slechts licht verschillende Indische betekenissen die in beide vroege Chinese teksten voorkomen.

Evenals het Akṣobhyavyūha begint het grote Sukhāvatīvyūha met een ontmoeting tussen een boeddha en een monnik. In het Akṣobhyavyūha drukt, na geïnspireerd te zijn door de grootsheid van een Boeddha met de naam “Grote Ogen” (de eigenlijke sanskrietnaam is niet bewaard gebleven), de toekomstige Akṣobhya de resolute wens uit om een boeddha te worden. In het Sukhāvatīvyūha echter, begint de toekomstige Amitābha, met name de monnik Dharmākara, zijn zoektocht in aanwezigheid van Boeddha Lokeśvararāja. Echter, reeds op dit punt in het verhaal kunnen we al een belangrijk verschil in perspectief tussen beide teksten onderscheiden. Boeddha “Grote Ogen” ontmoedigt zijn jonge volgeling om bodhisattva te worden en legt uit dat het pad naar het Boeddhaschap inderdaad moeilijk is. In het grote Sukhāvatīvyūha daarentegen doet Boeddha Lokeśvararāja geen moeite Dharmākara van zijn plan te weerhouden en er wordt niets verteld over het moeilijke pad van de bodhisattva. Voor de auteur van het Akṣobhyavyūha is het pad van een bodhisattva voor een volgeling van de Boeddha een enorme (en ontmoedigende) uitdaging, de auteur van het Sukhāvatīvyūha daarentegen ziet de keuze voor dit pad als vanzelfsprekend.

Dit onderscheid wordt nog sterker zichtbaar als we de inhoud van de geloften van beide bodhisattva’s bestuderen. In het Akṣobhyavyūha zweert de toekomstige Akṣobhya bij ascetische praktijken, leven na leven. De pracht van de wereld van Abhirati is een bijproduct van verdienste verworven door volgehouden handelingen en niet het resultaat van een bewust plan. In het grote Sukhāvatīvyūha daarentegen staan de geloften van Dharmākara (hier slechts vierentwintig in aantal, in tegenstelling met de achtenveertig die we in de vijfde-eeuwse versie van de tekst vinden) hoofdzakelijk in functie van de eigenschappen van Amitābha’s toekomstig boeddha-veld en de mogelijkheid van de volgelingen om er geboren te worden. Met andere woorden, de geloften van de toekomstige Akṣobhya verwijzen naar het traditionele elementen van het bodhisattva-pad, die van de toekomstige Amitābha focussen op de creatie van een “Reine land” zelf.

Een tweede verschil tussen beide teksten zien we in de manier waarop boeddhisten in deze uitmuntende werelden kunnen geboren worden.
In het Akṣobhyavyūha is, zoals we gezien hebben, wedergeboorte in Abhirati geen gevolg van devotie tot Akṣobhya zelf, maar het gevolg van de verwerving van verdienste. In het Sukhāvatīvyūha spelen daarentegen het op de hoogte zijn van Amitābha en het in gedachten
houden van zijn naam een centrale rol. Anders gezegd, wedergeboorte in Abhirati (zoals wedergeboorte in verscheidene boeddhistische werelden) kan men bereiken door eigen verdienste, zonder zelfs maar een besef te hebben van het bestaan van Akṣobhya zelf. In het grote Sukhāvatīvyūha daarentegen is toegang tot Amitābha’s wereld afhankelijk van kennis over hem en van een persoonlijk vertrouwen in zijn naam – heel duidelijk een eerste stap in wat later de brede populaire cultus van Amitābha in oost-Azië zal worden.

Ten derde kunnen, zoals we zagen, zowel mannen als vrouwen in Abhirati geboren worden. Inderdaad, wezens die er terechtkomen om er herboren te worden, komen ter wereld uit de moederschoot (alhoewel zonder seksuele gemeenschap). In de twee vroegste versies van het grote Sukhāvatīvyūha daarentegen wordt expliciet vermeld dat alle wezens die daar herboren worden mannelijk zijn. In Lokakṣema’s vertaling komt de afwezigheid van vrouwen in Sukhāvatī als de tweede gelofte van Dharmākara voor. In de versie van Zhi Qian wordt diezelfde uitspraak elders in het sutra gedaan. Nochtans is het duidelijk dat in beide teksten de oude Mahāyāna-veronderstelling – dat men als man moet herboren worden alvorens men een boeddha kan worden – veralgemeend is en aldus betrekking heeft op alle inwoners van Sukhāvatī. Door die afwezigheid van vrouwen in Sukhāvatī kan geboorte er niet op de normale wijze. Er wordt ons inderdaad gezegd dat alle wezens die er worden, er verschijnen, spontaan oprijzen vanuit een lotusbloem.
Niet iedereen die in Sukhāvatī wordt herboren is bodhisattva, want (net als in het Akṣobhyavyūha) zijn er talloze verwijzingen naar de aanwezigheid van arhants in Amitābha’s wereld. Andermaal blijkt uit het feit dat naar hen wordt verwezen als arhants (en niet zomaar als śrāvaka’s op weg naar de toestand van arhant) dat Sukhāvatī, tenminste in die twee vroege vertalingen van het Sukhāvatīvyūha, [toen nog] gezien werd als een optimale plaats voor het bereiken van dat doel.
Het Akṣobhyavyūha en het grote Sukhāvatīvyūha huldigen beide nog steeds de regel van “één-boeddha-per-wereld-per-tijdperk”.
Inderdaad, voor lezers vertrouwd met latere “Reine land” tradities is het meest opmerkelijke van Lokakṣema’s Sukhāvatīvyūha wel de beschrijving van hoe na de Boeddha Amitābha de bodhisattva Avalokiteśvara (hier weergegeven onder een oude transcriptie die wellicht teruggaat op een oudere vorm als Avalokaśvara) zijn plaats zal innemen. Na de dood van Avalokiteśvara zal op zijn beurt Mahāsthamaprapta diens positie van leidende Boeddha innemen. In deze vroege versie van het grote Sukhāvatīvyūha is het basisprincipe dat Amitābha eerst sterven moet vooraleer de opvolger (in dit geval Avalokiteśvara) boeddha kan worden, nog helemaal van kracht.
Andermaal vinden we geen vermelding van discipelen van Amitābha die in zijn nabijheid de boeddhastaat bereiken, wel diverse vermeldingen van arhants. Dus, in die vroege ontwikkeling van het Sukhāvatīvyūha is de band tussen het verhaal van Amitābha en de vroegere opvattingen over het pad naar de boeddhastaat (met inbegrip van deze die we vinden in het Akṣobhyavyūha) nog steeds vrij duidelijk zichtbaar.

Verdere ontwikkelingen: het Wuliangshou jing
Richten we ons na voorgaande observaties terug tot de bekendste versie van het grote Sukhāvatīvyūha in Oost-Azië, dan merken we ontwikkelingen op die het onderscheiden van de twee vroegere vertalingen (in het Chinees en gebaseerd op Indische voorgangers) van deze tekst. Verwijzingen naar arhants (of naar śrāvaka’s op weg daarnaar) komen veel minder voor, wel beschrijvingen in het kwadraat van de kwaliteiten van bodhisattva’s in Sukhāvatī. In deze versie van het grote Sukhāvatīvyūha staat het bodhisattva-pad open voor iedereen, helemaal anders dan in het Akṣobhyavyūha of de vroege Chinese vertalingen van het Sukhāvatīvyūha. Ten tweede is de uitspraak dat iedereen in Sukhāvatī als man geboren wordt verdwenen, een ontwikkeling in harmonie met de trend dat het pad van de bodhisattva universeler werd.
Ten derde zijn Avalokiteśvara en Mahāsthamaprapta nog steeds aanwezig, maar eerder op de achtergrond, zonder de vermelding dat zij erfgenaam van Amitābha’s rol na diens dood zouden zijn.
Ten vierde – en dit is heel opmerkelijk – is er helemaal geen sprake meer van Amitābha’s dood, wat commentatoren van de tekst eeuwenlang deed besluiten dat hij inderdaad onsterfelijk is (wat de bijnaam Amitāyus “eindeloos leven” doet suggereren).
Dit gezegd zijnde zijn er toch nog kenmerken in het Wuliangshou jing die doen denken aan vroegere “Reine Land” opvattingen.
Ten eerste worden discipelen (śrāvaka’s) nog steeds terloops vermeld, hoewel hun rol wegdeemstert.
Ten tweede, ondanks beschrijvingen van bodhisattva’s in Sukhāvatī ten overvloede, zegt het sutra nergens dat die ook effectief in aanwezigheid van Amitābha boeddha kunnen worden: de regel van “één-boeddha-per-wereldsysteem-per-tijdperk” blijft dus van kracht.
Tenslotte wordt niet meer gesproken van de dood van Amitābha (en wordt zijn levensduur – evenals die van de andere bewoners – van ontelbare eons in de verf gezet) maar beweert het sutra ook nergens dat hij onsterfelijk is. Op deze manier blijft de idee gehandhaafd dat alle levende wezens – inclusief alle levende boeddha’s – uiteindelijk sterven moeten, ongeacht hoe ver dergelijke gebeurtenis ook verwijderd moge zijn.
Lezen we de vroegere en latere versies van het grote Sukhāvatīvyūha tezamen, dan ontwaren we een duidelijke ontwikkeling: van het Akṣobhyavyūha naar de vroege Sukhāvatīvyūha –vertalingen (door Lokakṣema en Zhi Qian in de tweede resp. derde eeuw) en de 5de eeuwse vertaling door Buddhabhadra en Baoyun. Plaatsen we de teksten in chronologische volgorde dan zien we een gestage groei van devotie tot Amitābha in het Indische boeddhisme, die zijn latere centrale rol in het huidige Oost-Aziatisch boeddhisme voorafgaat.

Conclusies: de opkomst van het “Reine Land” boeddhisme in India
Op grond van hogergenoemd materiaal blijkt een beroep doen op “vreemde invloeden” of “niet-boeddhistische ontleningen” om de opkomst van de devotie tot Amitābha in India te verklaren dus
onnodig. Integendeel, de opkomst van zijn cultus kunnen we zien als het resultaat van een continu proces van reflectie – diep beïnvloed door een continue reeks van “visioenen” van sommige religieuze (of spirituele) virtuosi – binnenin de boeddhistische gemeenschap zelf.
We zien nu hoe denkbeelden over andere Boeddha’s en werelden eerder reacties waren op de inherente moeilijkheden in de opvattingen van het vroege Mahāyāna over het pad van de bodhisattva. Met de ingang van het concept van andere Boeddha’s die levend en wel elders onderrichten in het universum (Akṣobhya in het oosten, daarna Amitābha in het westen en vervolgens ontelbare boeddha’s in de tien richtingen), gingen voor Indische boeddhisten letterlijk brede horizonten open. Niet langer moesten gemotiveerde bodhisattva’s wachten op Maitreya’s optreden en een erop volgende teloorgang van zijn Dharma – gevolgd door de op- en ondergang van de Dharma van toekomstige boeddha’s vóór hen in de rij – vooraleer hun doel eindelijk bereikt was. De enorm toegenomen uitgestrektheid van het universum uit de nieuwe teksten bood de gelegenheid al in het volgende leven geboren te worden in de omgeving van een boeddha, daardoor de opeenhoping van noodzakelijke verdienste en kennis te
versnellen, én een wereld te vinden zonder kennis van het boeddhisme (een “boeddha-vrije” zone als het ware) om er de verlichting te bereiken en dus zelf een boeddha te worden. De nieuwe “Reine Land” geschriften boden hen die streefden naar de boeddhastaat een verleidelijk nieuw scenario waarbinnen ze hun doel in een zeer nabije toekomst kunnen realiseren.
Lezen we deze teksten na elkaar, dan kunnen we ook zien hoe Amitābha’s populariteit die van Akṣobhya kon overtreffen. Akṣobhya’s wereld was aantrekkelijk maar toch nog moeilijk toegankelijk. Er was een grote hoeveelheid verdienste vereist, en in het Akṣobhyavyūha staat nergens dat toegang ook gegarandeerd was. In het grote Sukhāvatīvyūha daarentegen (zowel in de vroege als in de latere versies) wordt de wereld van Amitābha voorgesteld als veel eenvoudiger bereikbaar, wat de weg effende voor Shinrans latere opvatting dat de toegang tot het reine land enkel afhankelijk is van Amitābha’s mededogen. In het licht van de beschrijving in het grote Sukhāvatīvyūha konden gewone boeddhisten dus vertrouwen op de zekerheid Amitābha te zullen ontmoeten na hun dood. Dat dergelijke “gewone lui” beschreven werden (en worden)als “bodhisattva’s” had te maken met radicale nieuwe ontwikkelingen in het concept van de bodhisattva, een feit dat des te meer blijkt uit het Wuliang shou jing.
Naarmate het vooruitzicht bodhisattva te worden “doenbaarder” werd door de “reine land” opties, werd de weg vrijgemaakt voor een universalisme van de doctrine over het “ene voertuig” uit het Lotus sutra en andere teksten: hier is het pad van de bodhisattva aangewezen voor elke boeddhistische man, vrouw en kind. In zekere zin kan men dus zeggen dat bij het hedendaagse Japanse boeddhisme waar – ongeacht de school (shū) – ideeën uit het Lotus sutra een centrale plaats innemen, de cirkel dan ook rond is. Daarmee zijn we terug aanbeland bij de idee van het oude boeddhisme dat het “ene voertuig” voor allen geschikt is.

Bron: Pacific World – Journal of the Institute of Buddhist Studies, Third Series Number 5, Fall 2003, p. 179-201.
Sven Vanderbiest