De aankondiging van de VU dat in september 2013 de opleiding van boeddhistisch geestelijk verzorger gaat starten (master, gevolgd door ambtsopleiding), suggereert dat die mogelijkheid er nu nog niet is.
Ten onrechte. Er zijn diverse opleiding voor geestelijk verzorger, evenals die van de VU geacrediteerd.
Die opleidingen zijn echter algemeen, dus niet aan een bepaald geloof (zoals één van de christelijke als het protestantse of één van de boeddhistische geloven) gekoppeld.
Zie de lijst van geaccrediteerde opleidingen van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers, hier en hier. Die hebben waarschijnlijk de toekomst in het veld van de geestelijke zorg, zie het artikel hieronder.
Wel weten de meeste huidige in de zorg werkzame geestelijk verzorgers of sociale raadslieden) er worden diverse termen voor het beroep gebruikt) te weinig van het boeddhisme.
Want natuurlijk zijn er clienten en patienten in de zorginstellingen die boeddhist zijn of in ieder geval graag vanuit het boeddhisme steun willen ontvangen.
Daar is echter iets anders, iets aanmerkelijk sneller dan een complete boeddhistische VU-opleiding voor mogelijk, die door haar contract met de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) ook nog eens suggereert daar een monopolie op te hebben.
Voorzover een zendende instantie nog belangrijk is in de zorgsector, is de BZI zeker - in de toekomst - niet de enig mogelijke vanuit de boeddhistische gemeenschap. De BZI staat sterk onder invloed van de Dienst Geestelijke Verzorging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Te sterk, meen ik, daar zal ook de evaluatie door het KASKI niets aan veranderen. In een eerdere blog heb ik al beschreven dat er ook andere boeddhistische ´zenders´ zoals verenigde boeddhistische leraren kunnen komen.
Maar de meeste boeddhisten in Nederland zijn ongeorganiseerd en ongebonden, dus waarom ook de boeddhistisch geestelijk verzorgers niet?
Belangrijker dat het zenden is de kennis van het boeddhisme door geestelijk verzorgers, ´kennis´ van binnen uit, door het zelf beoefend te hebben en nog te beoefenen, al dan niet gecombineerd met het beoefenen van andere levensbeschouwingen
Met dat doel stel ik het volgende voor, aan de diverse reeds geaccrediteerde opleidingen voor geestelijk verzorgers:
Organiseer een geaccrediteerde nascholing boeddhisme
Een nascholing zoals bedoeld voor het in het veld werkzame geestelijk verzorgers / raadslieden.
Zie voor die accreditatie hier en hier .
Het is niet mijn deskundigheid en niet mijn taak hier als blogger gedetailleerd te beschrijven waar zo´n nascholing uit zou moeten bestaan.
Naast kennis van (de beoefening van) de diverse tradities denk ik wat betreft het boeddhistische in de geestelijke verzorging zelf aan het in oktober te verschijnen handboek
´Arts of Contemplative Care
Pioneering Voices in Buddhist Chaplaincy and Pastoral Work´ Zie hier
Passages uit een artikel uit het Nederlands Dagblad van 6 juli 2012 ( Bron ) :
“Het is een trend in zorginstellingen algemeen geestelijk verzorgers (gv'ers) te benoemen in plaats van door de kerk gezonden geestelijk verzorgers.
Dat zegt stafmedewerker Christien den Draak van de Vereniging van Geestelijke Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) naar aanleiding van het bericht dat het Deventer Ziekenhuis haar geestelijke verzorging een 'bredere invulling' wil geven.
Eerder al vertrok een rooms-katholieke gv'er; nu heeft zijn protestantse collega - ds. Johan Weijenberg - een beroep aangenomen naar een gemeente. Voor hem wordt een algemeen verzorger gezocht, waardoor de kerkelijke presentie binnen de geestelijke verzorging in het ziekenhuis is verdwenen. 'Er zijn zo veel geloofs-smaken, dat wij menen dat een bredere geestelijke verzorging nodig is. Breder dan het werkveld voor een rooms-katholieke pastor of een predikant', licht een woordvoerder van het Deventer Ziekenhuis toe.
Volgens Den Draak heeft de trend om algemeen gv'ers te benoemen te maken met de nieuwe opleidingen voor geestelijke verzorging die zijn gekomen aan de universiteiten in Groningen,
Utrecht, Nijmegen en Amsterdam. 'Deze opleidingen leveren steeds meer mensen af. Zij hebben een brede religiewetenschappelijke basis gekregen, met een op geestelijke verzorging toegespitste master. Het is logisch dat de zorginstellingen deze gekwalificeerde mensen willen binnenhalen.'
...
De klassieke theologieopleidingen leveren steeds minder geestelijk verzorgers af. Den Draak schat zo'n tien per jaar. Dat aantal is in de loop der jaren flink afgenomen. Nu nog zijn de meeste geestelijke verzorgers door een kerk of het Humanistisch Verbond uitgezonden, zeker 750 van de 850 leden van de VVGZ, vertelt de stafmedewerkster. 'Maar het aantal niet-gezonden geestelijk-verzorgers neemt zeker toe.'
Het begrip algemeen verzorger wil overigens niet zeggen dat deze persoon niet gelovig zou zijn.
'Zeker niet, in de meeste gevallen is het iemand met een rooms-katholieke of protestantse achtergrond', aldus Den Draak.
De VGVZ-medewerkster merkt wel dat bij het besluit om algemeen gv'ers aan te stellen een vooroordeel kan meespelen. 'Een directie denkt dan dat een predikant er alleen is voor ziekenhuispatiënten die naar de kerk gaan. Dat is een misverstand. Een theologisch opgeleide geestelijk verzorgers met een kerkelijke binding is er voor iedereen.'
.... “
Posts tonen met het label BZI. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BZI. Alle posts tonen
vrijdag 13 juli 2012
dinsdag 10 juli 2012
Een aangevuld verslag van het gesprek van het KASKI met mij
Het onderstaande is het concept-verslag zoals opgesteld door dr. Ton Bernts van het KASKI over het gesprek van hem en prof Paul van der Velde met mij, met toevoegingen van mij: deels punten die volgens mij ook gezegd waren en deels aanvullingen achteraf.
Zie ook mijn primaire reflectie op dit interview hier .
De inhoud van onderstaande is door genoemde aanpassingen voor mijn verantwoording (paragraaf A).
Een aparte aanvulling, een paar dagen na het retourneren van het verbeterde verslag aan het KASKI gestuurd was naar aanleiding van het uitkomen van het evaluatierapport van het KASKI over de Nederlandse Hindoe Raad (zie hier .)
Dat voeg ik ook hier met als openingswoord ‘herstructurering’ toe (paragraaf B).
Tenslotte, op mijn Kaski-dossier compleet te maken, voeg ik ook een reactie toe die ik onlangs op de site van *OpenBoeddhisme* heb geplaatst. (paragraaf C)
Zie voor de context hier .
A. Maar eerst het Kaski-verslag, met hier en daar een aanvulling, die ik hier cursief zet.
“Vooraf heeft Romeijn schriftelijk al gesteld dat de criteria van deze evaluatie enigszins afwijken van de criteria zoals opgenomen in de ´Erkenningsovereenkomst´ tussen Justitie en de BUN uit november 2008. Met name het eerste criterium ('representativiteit') dient z.i. wel in de geest van artikel 2 lid 4 van de 'Erkenningsovereenkomst' worden begrepen.
Romeijn is een belangrijke zegsman namens de niet-georganiseerde boeddhisten in Nederland, en als zodanig ook geïnterviewd door de werkgroep Lotusbloem.. Niet-georganiseerd betekent niet aangesloten bij een sangha. Romeijn is overigens lid van een meditatiegroep in de Theravada traditie. Deze groep is weer aangesloten bij de SIM.
Romeijn begint het gesprek door te zeggen het niet verstandig te vinden (ook wetenschappelijk gezien) dat de opdrachtgever van deze evaluatie ermee heeft ingestemd dat (op verzoek van het BUN-bestuur) de BUN-leden hun vragenformulier na de ledenvergadering van 9 juni mochten terugsturen. Op deze wijze hebben de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) kunnen afstemmen.
Dit met name (toevoeging achteraf) omdat hij toch al de indruk heeft gekregen dat de opdrachtgever net zo lang de evaluatie heeft uitgesteld en de evaluatiecriteria heeft aangepast in de hoop dat er een keer een positief evaluatie-moment aanbreekt.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben volgens Romeijn vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000 personen. Het totale aantal boeddhisten in Nederland is moeilijk te schatten. Romeijn meent dat het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal is. Dit betekent dat de BUN slechts zo’n 6% van de boeddhisten in Nederland representeert.
Romeijn stelt dat het probleem rond de BUN ontstaat, omdat de overheid een formele vertegenwoordiging van het boeddhisme wil als contactorgaan. De BUN had meer afstand moeten bewaren tegenover deze wens van de overheid. Want de BUN kan z.i. niet namens de boeddhisten in Nederland spreken.
Romeijn meent dat er ook geen zendende instantie nodig is voor de gv bij justitie. Hij verwijst hiervoor mede naar de regeling van Albayrak dat gv ook op declaratiebasis door leraren gedaan zou kunnen worden. M.a.w., een terugkeer naar de oude situatie.
Romeijn stelt dat de BUN trouwens ook te weinig expertise heeft om deze gv aan te sturen en vorm te geven, want men heeft zich bijvoorbeeld ook nog geen enkele gedachte gevormd over gv in de zorgsector. Daarom heeft hij daar zelf een studie aan gewijd en erover gepubliceerd in zijn blog.
Overigens gaat het in de zorgsector ook zonder zendende instantie. Daarbij speelt dat de BUN uiteraard geen leergezag heeft. Dat blijkt ook straks als de afgestudeerden van de ambtsopleiding een zending krijgen van een leraar, en niet van de BZI. Romeijn meent dat het belangrijk is dat er vanuit het Nederlandse boeddhisme een pastorale traditie wordt ontwikkeld. In dit verband is er ook nog onduidelijkheid over de verhouding tussen de ‘buddhist chaplains’ die straks van de ambtsopleiding komen, en de leraren.
Romeijn heeft met enkele medestanders herhaaldelijk bij de BUN aangekaart om ook de niet-georganiseerde boeddhisten toe te laten tot de vereniging. Hij verwijst naar het Duitse model, waarbij de individuele boeddhisten 3 stemmen hebben in de ledenvergadering. Dit zou de representativiteit en de legitimiteit van de BUN verhogen, al blijft het een benadering omdat men moeilijk de grote groep niet-georganiseerde boeddhisten kan vertegenwoordigen. Bovendien kan de BUN, eventueel ook via de leden, op die manier ook zorg dragen voor de individuele boeddhisten, bijvoorbeeld huiskamergroepen te organiseren en een klankbord voor hen te vormen. Hieraan is een gemis in de boeddhistische gemeenschap. De BUN hanteert steeds het argument dat men maar lid van een sangha moet worden. In het verleden is wel gepoogd om de Stichting Vrienden van het Boeddhisme om te bouwen tot een platform voor de ongeorganiseerde boeddhisten. Dat heeft de SVB uiteindelijk niet gedaan.
Romeijn meent dat de persoonlijke verhoudingen op dit moment toelating van de niet-georganiseerde boeddhisten bemoeilijken (dat wil zeggen dat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden) ; niettemin heeft de laatste ALV ingestemd met het voorstel van de werkgroep Lotusbloem om te onderzoeken hoe een platform gecreëerd kan worden voor de ongebonden boeddhisten. Romeijn heeft echter geen enkele verwachting dat de BUN nog een draai kan maken en vindt het beter iets nieuws te starten.
Romeijn wijst (in een aanvulling achteraf) op de brief van BUN-voorzitter André Kalden van 25 juni 2012. Daarin wordt gemeld dat de leden dit onderwerp weinig prioriteit hebben gegeven. In dit jaar zal er niets aan dit onderwerp gebeuren.
Een andere mogelijkheid is dat de overheid de BUN erkent als vereniging van sangha’s, bijvoorbeeld voor wat betreft de BOS. Maar de pretentie dat de BUN daarmee het grootste deel van de boeddhisten vertegenwoordigt, is niet vol te houden. En dat is toch de legitimiteit die Justitie vereist voor een zendende instantie, namelijk voor het boeddhisme representatief (en niet slechts voor het georganiseerde boeddhisme).
Romeijn meent wel dat de meeste stromingen in de BUN zijn vertegenwoordigd, hij noemt als ontbrekende stromingen/groepen de Nicherin, en enkele Tibetaanse groepen die zich niet goed verstaan met de Maitreya groep. En uiteraard het zogenaamde ‘seculiere’ of westerse boeddhisme dat grote aanhang heeft bij de ongebonden boeddhisten. Maar deze groep heeft zich zoals gezegd nog niet georganiseerd en blijft daarom onzichtbaar. Overigens kent dit seculiere boeddhisme diverse rituele en devotionele aspecten, en is als zodanig te onderscheiden van mindfulness als pure psychotherapie.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?
Romeijn denkt van wel, maar dan zoals al aangegeven expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat, meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?
Nee. Bij allerlei ontwikkelingen staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO (of een andere omroep) heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Romeijn meldt een recente terugvordering van € 50.000 plus een boete die de BUN recentelijk heeft gekregen van het Commissariaat voor de Media vanwege het onjuist gebruiken van omroepmiddelen bij de aanvraag voor een zendmachtiging voor 2010-2015 toont volgens hem pijnlijk aan dat de BUN alleen maar in naam de aanvrager is geweest omdat dat van de Mediawet zo moet; de BOS heeft de regie ervan geheel in eigen hand gehouden.
Het geheel maakt een klungelige indruk.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om. De eigen website vervult geen forumfunctie. Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl.
Gebrek aan effectiviteit blijkt ook uit het eerder aangekaarte feit dat de BUN de ongebonden boeddhisten in de kou laat staan. Deze zwakke effectiviteit wordt mede veroorzaakt doordat de leden van de BUN vooral met zichzelf bezig zijn en weinig bijdragen aan de taken die de BUN zou dienen te vervullen voor de boeddhistische gemeenschap. Er is ook weinig animo om bestuurder te worden. Hier en daar doen sangha’s wel op eigen initiatief activiteiten.
In de loop der jaren is het aantal activiteiten buiten BZI en BOS teruggelopen, zoals studiedagen en de vroeger jaarlijks georganiseerde ‘Change-your-mind-day’. De organisatorische kracht is nihil, mede ook door het verdwijnen van de Achmea-inkomsten per 2011.
Ook aan het maatschappelijke debat, bijvoorbeeld over duurzaamheid of ritueel slachten, wordt vanuit de boeddhistische visie(s) niet bijgedragen.
Werkgroepen die die BUN heeft gehad rond geëngageerd boeddhisme, onderwijs en ´boeddhisme en sterven´, zijn al weer een aantal jaar geleden ermee gestopt.
Ook aan de ondersteuning van sangha’s wordt volgens Romeijn niets gedaan.
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?
Hoewel Romeijn niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet tot welke traditie ze behoren, meent hij dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is. Romeijn vraagt zich af of etnische boeddhisten een geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Werkgroep Lotusbloem
De werkgroep komt voort uit het conflict over bevoegdheden tussen de professionele ‘dochters (BOS en gv)’ en het door vrijwilligers bestuurde en bemensde BUN. Om dat op te lossen heeft men de dochters semi-autonoom gemaakt via delegatieovereenkomsten, maar die gingen toen (mn de BOS) sterk hun eigen gang, los van de BUN. De leden hadden op deze manier te weinig inspraak en beslissingsbevoegdheid.
Romeijn meent dat de aanbevelingen van de werkgroep te ambitieus zijn, gezien de huidige bestuurskracht van de BUN. De gebrekkige communicatie tussen BZI en BUN bleek bijvoorbeeld weer onlangs uit de bijgestelde definitieve overeenkomst met de VU, waarvan de leden van de BUN niet op de hoogte waren. In dit verband vraagt Romeijn zich af of de BZI voldoende inspraak heeft in het beleid rond de gv en voldoende tegenwicht kan bieden aan de hg, mede gezien ook de onderlinge persoonlijke verhouding tussen hg en voorzitter BZI. Overigens zou er voor de zorgsector een andere zendende instantie ingesteld kunnen worden.
Achteraf schrijft Romeijn hierover in zijn blog en meldt aan ons:
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.`
Romeijn vraagt zich af of de BZI voldoende deskundigheid in huis had om met de VU te onderhandelen. Zijn indruk (zoals hij in zijn blogs heeft geanalyseerd) is dat de BZI en daarmee de BUN door de V.U. is ‘ingepakt’.
6. De beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger
Romeijn herinnert kort aan een aantal van zijn blogs waarin hij ingaat op dit vierde evaluatiecriterium waaraan het Kaski de BUN moet toetsen:
“ beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger “
Hij memoreert dat het in de ‘Erkenningsovereenkomst’ iets stelliger staat:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is. “
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.
Aan het eind van het gesprek wijst Romeijn op een in zijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloemgemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland.“
Nee, zegt hij: het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN zo klein (onder de tien procent).”
B. Herstructurering van en aantal aanvullingen op mijn (=Joop R)
eerdere antwoorden en opinies aan de hand van de systematiek
van het Kaski-rapport “Evaluatie Hindoe Raad Nederland”
De indeling in 16 criteria zoals gebruikt in dit rapport bieden me een kapstok mijn opvattingen nog eens te structureren. Ik beperk me tot criteria 1, 3, 4, 10 en 15
Vooraf moet ik opmerken dat, HRN en BUN-BZI vergelijkend, het Kaski het lastig zal krijgen om in haar rapport over de boeddhisten te bepalen wanneer over de BUN en wanneer over de BZI gesproken moet worden. Immers de BUN is `erkend´ door Justitie en moet dus geëvalueerd worden maar de daarbij horende taken heeft het BUN-bestuur vrijwel geheel weggeven aan de (stichting) BZI.
Criterium 1: De HRN vertegenwoordigt voldoende groeperingen uit de hindoe gemeenschap
Zoals ik al uitvoerig heb beschreven, vertegenwoordigt de BUN expliciet (zie ook de bijlage bij criterium 4) niet de ´groeperingen´ van de ongeorganiseerde boeddhisten.
Op pag 15 van het rapport wordt melding gemaakt van de ´Representativiteitstoets Hindoeraad Nederland´, waarmee de huidige situatie wordt vergeleken. Er is voor de erkenning van de BUN eind 2008 voor de BUN nooit zo´n toets geweest, de toenmalige BUN-voorzitter is zomaar op zijn woord geloofd.
Criterium 3: De HRN vervult een effectieve rol voor de hindoe gemeenschap,
zowel intern als naar de Nederlandse samenleving
Hierover heb ik al genoeg geschreven dat de BUN deze rol voor de boeddhistische gemeenschap niet speelt en m.i. ook niet kan spelen. Ook het rapport van het Werkgroep de Lotus Bloem benoemt dit probleem.
Criterium 4: De HRN wordt gekenmerkt door bestuurlijke en financiële stabiliteit en continuïteit
In mijn ogen is er sinds 2009 van een permanente crisis bij de BUN sprake. Vele bestuursmutaties, ontbreken van jaarstukken en dreigen met moties van wantrouwen zijn daar een voorbeeld van. De relatieve rust van dit moment lijkt meer op de rust van het graf.
Bij dit criterium is één van de gegevens aan de hand waarvan wordt beoordeeld, het eventueel wijziging van de statuten in de periode waarover geëvalueerd wordt. De heeft bij de BUN in april 2009 plaatsgevonden, met aan aantal wijzigingen is de mogelijkheden dat individuele boeddhisten betrokken kunen worden bij het BUN-beleid uitgesloten, zie bijlage !
Criterium 10: Er is vanuit de HRN respectievelijk de hoofd-geestelijke voldoende inhoudelijke aansturing van de geestelijke verzorging
De aansturing moet door beide instanties plaatsvinden, blijkt uit de tekst op pag 39-41.
Dat Varamitra als HBGV heeft aangestuurd, geloof ik graag. Op 39 wordt vermeld dat het in 2010 benoemde hoofd geestelijke voor de hindoe denominatie (volgens de DGV) voldoet aan de geldende ambtelijke en ambtenaarlijke functievereisten. Dit geldt niet voor het (via een onduidelijke procedure direct na de voorlopige erkenning) hoofd BGV: geen academicus en geen geestelijk verzorger geweest
De vraag is vervolgens of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BZI sprake is (geweest)?
De vraag is nog sterker of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BUN sprake is (geweest)?
Ik ken geen enkele tekst van BUN of BZI die daarop wijst. Met jalouzie lees ik op pag 40 van het Kaski-rapport over een door de HRN geaccordeerd ‘Filosofisch Kader Hindoe Geestelijke Verzorging’.
Criterium 15: Uiterlijk 22 juni 2012 gaat de universitaire opleiding tot hindoe geestelijk verzorger van start
De datum van 22 juni 2012 is te begrijpen omdat de HRN in juni 2009 voorlopig erkend is.
De BUN is voorlopig erkend november 2008. Het criterium bij de evaluatie van de BUN zou dus moeten zijn dat de opleiding er november 2011 had moeten zijn. De voorlopige erkenningsovereenkomst is in november 2011 verlengd tot het moment dat de evaluatie volledig is afgerond. Dat kan toch niet betekenen dat de opleiding er pas hoeft te zijn als de evaluatie is afgerond? Dat zou toch merkwaardig zijn: dan wordt de evaluatie uitgesteld (door het ministerie) net zo lang tot aan alle criteria wordt voldaan?
Op pag 53 van het Kaski-rapport staat: `Voor de VU is de status van de HRN als zendende instantie van uiterst belang. Wordt de HRN deze status ontnomen, dan verliest het opleidingstraject in kwestie daarmee volgens de VU een groot deel van zijn maatschappelijke legitimering en inbedding. De VU zorgt immers voor de academische kwalificaties, de HRN voor een contextgerelateerde afstemming en daadwerkelijke zending.´
Het zou onjuist zijn als een dergelijke quote van de VU in het evaluatie-rapport over de BUN wordt opgenomen. Het suggereert dat de BUN door Justitie erkend moet worden omdat anders de VU-opleiding in de lucht komt te hangen, dat lijkt mij een ondernemersrisiko van de VU.
Bovendien heb ik al aangegeven dat het mogelijk en zelfs wenselijk dat er er voor gv door boeddhistische ´chaplains´ in de zorgsector een nieuwe zendende instantie gaat komen; daar is erkenning door het ministerie van Veiligheid en Justitie helemaal niet voor nodig.
C. Een reactie van mij in *OpenBoeddhisme* bij het item ‘Kaski reageert niet op MOA-vragen’
Na het bestuderen van het reeds voltooide evaluatierapport van de Nederlandse Hindoe Raad en als geïnterviewd niet-BUN-lid in de evaluatie van de BUN denk ik dat het methodologische probleem een ander is dan Lex Olivier van de MOA construeert.
Het bevragen van de BUN-leden is een nogal marginaal onderdeel van het beleidsonderzoek van het Kaski. Ik neem aan dat de lage respons en het veel op elkaar lijken van antwoorden de betekenis van het resultaat daarvan nog verder verzwakt, ook in de analyse van de onderzoekers.
Maar hoe groot is die betekenis?
Want het grootste probleem is: hoe heeft het Kaski bepaald dat het functioneren van de Hindoeraad als zendende instantie voldoende is? Dat is namelijk de slotconclusie in hun rapport.
De oorspronkelijke voorwaarden van de voorlopige erkenning door het ministerie van Justitie ruim drie jaar geleden zijn verfijnd tot 16 criteria. Op elk daarvan zou het Kaski in theorie een cijfer kunnen geven, tussen zeer goed en zeer onvoldoende. En dan zou met een bewerking van die 16 cijfers een eindoordeel bepaald kunnen worden. Die werkwijze was er misschien wel maar heb ik niet ontdekt in het rapport.
Wogen ze alle 16 even zwaar? Dat zou niet terecht zijn, vind ik, want nogal wat criteria gaan over het functioneren van de geestelijke verzorging binnen Justitie en maar een enkele over de kwaliteit van de zendende instantie terwijl juist die geëvalueerd moest worden.
Voor mij zou de vraag aan het Kaski daarom moeten zijn: hoe worden de 16 deelresultaten bepaald en hoe omgezet in een gewogen eindadvies?
Ik ga er van uit dat het Kaski in de rapportage over de BUN-evaluatie (die laat nog wel ruim een maand op zich wachten) op deze vragen uitvoeriger in zal gaan dan zij in de rapportage over de Hindoeraad heeft gedaan.
Het Kaski-rapport over de Hindoeraad is hier te vinden:
Kennisname ervan is nuttig, ook om de MOA-vragen beter te begrijpen.
Bijlage ad B, criterium 4
De belangrijkste verschillen tussen de BUN-Statuten van 2006 en 2009
De ledenvergadering van de BUN van 18 april 2009 heeft de tot dan geldende statuten (laatstelijk gewijzigd in 2006), op een aantal punten aangepast.
De nieuwe statuten (verder genoemd versie 2009) zijn op 12 oktober 2009 notarieel vastgelegd.
Artikel 2 lid 1 Uit de versie van 2006 is m.b.t. de doelstelling ‘behartigen van belangen’ in 2009 GESCHRAPT de passage: “en personen welke zich met het boeddhisme verbonden weten”.
Artikel 2 lid 2 van de statuten versie 2006
“Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door, steeds handelend in overeenstemming met de boeddhistische gedragscode,
- contacten te onderhouden met al die organisaties, groeperingen EN INDIVIDUEN, welke contacten voor de realisering van haar doelstellingen zinvol zijn, zowel binnen Nederland als daarbuiten;
- het verlenen van praktische hulp en bijstand aan in Nederland werkzame boeddhistische groeperingen en in Nederland levende boeddhisten EN PERSONEN die zich met het Boeddhisme verbonden weten;
... “
Het verschil tussen de versie van 2006 en die van 2009 is het GESCHRAPT zijn in versie 2009 van de (door mij) vet en groot gemaakte woorden in de versie van 2006.
Artikel 8 van de Statuten versie 2006
“1. Donateurs zijn zij, die door het bestuur als donateur zijn toegelaten. Het bestuur is bevoegd het donateurschap door schriftelijke opzegging te beëindigen.
Donateurs zijn verplicht jaarlijks aan de vereniging een geldelijke bijdrage te verlenen, waarvan de minimale omvang door de algemene ledenvergadering wordt vastgesteld.
Donateurs hebben uitsluitend het recht om de algemene ledenvergadering bij te wonen. Zij hebben daarin geen stemrecht, maar wel het recht om het woord te voeren. “
In de Statuten versie 2009 is dit hele artikel dat individuen, bv ongeorganiseerden, de mogelijkheid van spreekrecht bood, VERVALLEN.
Zie ook mijn primaire reflectie op dit interview hier .
De inhoud van onderstaande is door genoemde aanpassingen voor mijn verantwoording (paragraaf A).
Een aparte aanvulling, een paar dagen na het retourneren van het verbeterde verslag aan het KASKI gestuurd was naar aanleiding van het uitkomen van het evaluatierapport van het KASKI over de Nederlandse Hindoe Raad (zie hier .)
Dat voeg ik ook hier met als openingswoord ‘herstructurering’ toe (paragraaf B).
Tenslotte, op mijn Kaski-dossier compleet te maken, voeg ik ook een reactie toe die ik onlangs op de site van *OpenBoeddhisme* heb geplaatst. (paragraaf C)
Zie voor de context hier .
A. Maar eerst het Kaski-verslag, met hier en daar een aanvulling, die ik hier cursief zet.
“Vooraf heeft Romeijn schriftelijk al gesteld dat de criteria van deze evaluatie enigszins afwijken van de criteria zoals opgenomen in de ´Erkenningsovereenkomst´ tussen Justitie en de BUN uit november 2008. Met name het eerste criterium ('representativiteit') dient z.i. wel in de geest van artikel 2 lid 4 van de 'Erkenningsovereenkomst' worden begrepen.
Romeijn is een belangrijke zegsman namens de niet-georganiseerde boeddhisten in Nederland, en als zodanig ook geïnterviewd door de werkgroep Lotusbloem.. Niet-georganiseerd betekent niet aangesloten bij een sangha. Romeijn is overigens lid van een meditatiegroep in de Theravada traditie. Deze groep is weer aangesloten bij de SIM.
Romeijn begint het gesprek door te zeggen het niet verstandig te vinden (ook wetenschappelijk gezien) dat de opdrachtgever van deze evaluatie ermee heeft ingestemd dat (op verzoek van het BUN-bestuur) de BUN-leden hun vragenformulier na de ledenvergadering van 9 juni mochten terugsturen. Op deze wijze hebben de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) kunnen afstemmen.
Dit met name (toevoeging achteraf) omdat hij toch al de indruk heeft gekregen dat de opdrachtgever net zo lang de evaluatie heeft uitgesteld en de evaluatiecriteria heeft aangepast in de hoop dat er een keer een positief evaluatie-moment aanbreekt.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben volgens Romeijn vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000 personen. Het totale aantal boeddhisten in Nederland is moeilijk te schatten. Romeijn meent dat het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal is. Dit betekent dat de BUN slechts zo’n 6% van de boeddhisten in Nederland representeert.
Romeijn stelt dat het probleem rond de BUN ontstaat, omdat de overheid een formele vertegenwoordiging van het boeddhisme wil als contactorgaan. De BUN had meer afstand moeten bewaren tegenover deze wens van de overheid. Want de BUN kan z.i. niet namens de boeddhisten in Nederland spreken.
Romeijn meent dat er ook geen zendende instantie nodig is voor de gv bij justitie. Hij verwijst hiervoor mede naar de regeling van Albayrak dat gv ook op declaratiebasis door leraren gedaan zou kunnen worden. M.a.w., een terugkeer naar de oude situatie.
Romeijn stelt dat de BUN trouwens ook te weinig expertise heeft om deze gv aan te sturen en vorm te geven, want men heeft zich bijvoorbeeld ook nog geen enkele gedachte gevormd over gv in de zorgsector. Daarom heeft hij daar zelf een studie aan gewijd en erover gepubliceerd in zijn blog.
Overigens gaat het in de zorgsector ook zonder zendende instantie. Daarbij speelt dat de BUN uiteraard geen leergezag heeft. Dat blijkt ook straks als de afgestudeerden van de ambtsopleiding een zending krijgen van een leraar, en niet van de BZI. Romeijn meent dat het belangrijk is dat er vanuit het Nederlandse boeddhisme een pastorale traditie wordt ontwikkeld. In dit verband is er ook nog onduidelijkheid over de verhouding tussen de ‘buddhist chaplains’ die straks van de ambtsopleiding komen, en de leraren.
Romeijn heeft met enkele medestanders herhaaldelijk bij de BUN aangekaart om ook de niet-georganiseerde boeddhisten toe te laten tot de vereniging. Hij verwijst naar het Duitse model, waarbij de individuele boeddhisten 3 stemmen hebben in de ledenvergadering. Dit zou de representativiteit en de legitimiteit van de BUN verhogen, al blijft het een benadering omdat men moeilijk de grote groep niet-georganiseerde boeddhisten kan vertegenwoordigen. Bovendien kan de BUN, eventueel ook via de leden, op die manier ook zorg dragen voor de individuele boeddhisten, bijvoorbeeld huiskamergroepen te organiseren en een klankbord voor hen te vormen. Hieraan is een gemis in de boeddhistische gemeenschap. De BUN hanteert steeds het argument dat men maar lid van een sangha moet worden. In het verleden is wel gepoogd om de Stichting Vrienden van het Boeddhisme om te bouwen tot een platform voor de ongeorganiseerde boeddhisten. Dat heeft de SVB uiteindelijk niet gedaan.
Romeijn meent dat de persoonlijke verhoudingen op dit moment toelating van de niet-georganiseerde boeddhisten bemoeilijken (dat wil zeggen dat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden) ; niettemin heeft de laatste ALV ingestemd met het voorstel van de werkgroep Lotusbloem om te onderzoeken hoe een platform gecreëerd kan worden voor de ongebonden boeddhisten. Romeijn heeft echter geen enkele verwachting dat de BUN nog een draai kan maken en vindt het beter iets nieuws te starten.
Romeijn wijst (in een aanvulling achteraf) op de brief van BUN-voorzitter André Kalden van 25 juni 2012. Daarin wordt gemeld dat de leden dit onderwerp weinig prioriteit hebben gegeven. In dit jaar zal er niets aan dit onderwerp gebeuren.
Een andere mogelijkheid is dat de overheid de BUN erkent als vereniging van sangha’s, bijvoorbeeld voor wat betreft de BOS. Maar de pretentie dat de BUN daarmee het grootste deel van de boeddhisten vertegenwoordigt, is niet vol te houden. En dat is toch de legitimiteit die Justitie vereist voor een zendende instantie, namelijk voor het boeddhisme representatief (en niet slechts voor het georganiseerde boeddhisme).
Romeijn meent wel dat de meeste stromingen in de BUN zijn vertegenwoordigd, hij noemt als ontbrekende stromingen/groepen de Nicherin, en enkele Tibetaanse groepen die zich niet goed verstaan met de Maitreya groep. En uiteraard het zogenaamde ‘seculiere’ of westerse boeddhisme dat grote aanhang heeft bij de ongebonden boeddhisten. Maar deze groep heeft zich zoals gezegd nog niet georganiseerd en blijft daarom onzichtbaar. Overigens kent dit seculiere boeddhisme diverse rituele en devotionele aspecten, en is als zodanig te onderscheiden van mindfulness als pure psychotherapie.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?
Romeijn denkt van wel, maar dan zoals al aangegeven expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat, meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?
Nee. Bij allerlei ontwikkelingen staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO (of een andere omroep) heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Romeijn meldt een recente terugvordering van € 50.000 plus een boete die de BUN recentelijk heeft gekregen van het Commissariaat voor de Media vanwege het onjuist gebruiken van omroepmiddelen bij de aanvraag voor een zendmachtiging voor 2010-2015 toont volgens hem pijnlijk aan dat de BUN alleen maar in naam de aanvrager is geweest omdat dat van de Mediawet zo moet; de BOS heeft de regie ervan geheel in eigen hand gehouden.
Het geheel maakt een klungelige indruk.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om. De eigen website vervult geen forumfunctie. Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl.
Gebrek aan effectiviteit blijkt ook uit het eerder aangekaarte feit dat de BUN de ongebonden boeddhisten in de kou laat staan. Deze zwakke effectiviteit wordt mede veroorzaakt doordat de leden van de BUN vooral met zichzelf bezig zijn en weinig bijdragen aan de taken die de BUN zou dienen te vervullen voor de boeddhistische gemeenschap. Er is ook weinig animo om bestuurder te worden. Hier en daar doen sangha’s wel op eigen initiatief activiteiten.
In de loop der jaren is het aantal activiteiten buiten BZI en BOS teruggelopen, zoals studiedagen en de vroeger jaarlijks georganiseerde ‘Change-your-mind-day’. De organisatorische kracht is nihil, mede ook door het verdwijnen van de Achmea-inkomsten per 2011.
Ook aan het maatschappelijke debat, bijvoorbeeld over duurzaamheid of ritueel slachten, wordt vanuit de boeddhistische visie(s) niet bijgedragen.
Werkgroepen die die BUN heeft gehad rond geëngageerd boeddhisme, onderwijs en ´boeddhisme en sterven´, zijn al weer een aantal jaar geleden ermee gestopt.
Ook aan de ondersteuning van sangha’s wordt volgens Romeijn niets gedaan.
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?
Hoewel Romeijn niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet tot welke traditie ze behoren, meent hij dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is. Romeijn vraagt zich af of etnische boeddhisten een geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Werkgroep Lotusbloem
De werkgroep komt voort uit het conflict over bevoegdheden tussen de professionele ‘dochters (BOS en gv)’ en het door vrijwilligers bestuurde en bemensde BUN. Om dat op te lossen heeft men de dochters semi-autonoom gemaakt via delegatieovereenkomsten, maar die gingen toen (mn de BOS) sterk hun eigen gang, los van de BUN. De leden hadden op deze manier te weinig inspraak en beslissingsbevoegdheid.
Romeijn meent dat de aanbevelingen van de werkgroep te ambitieus zijn, gezien de huidige bestuurskracht van de BUN. De gebrekkige communicatie tussen BZI en BUN bleek bijvoorbeeld weer onlangs uit de bijgestelde definitieve overeenkomst met de VU, waarvan de leden van de BUN niet op de hoogte waren. In dit verband vraagt Romeijn zich af of de BZI voldoende inspraak heeft in het beleid rond de gv en voldoende tegenwicht kan bieden aan de hg, mede gezien ook de onderlinge persoonlijke verhouding tussen hg en voorzitter BZI. Overigens zou er voor de zorgsector een andere zendende instantie ingesteld kunnen worden.
Achteraf schrijft Romeijn hierover in zijn blog en meldt aan ons:
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.`
Romeijn vraagt zich af of de BZI voldoende deskundigheid in huis had om met de VU te onderhandelen. Zijn indruk (zoals hij in zijn blogs heeft geanalyseerd) is dat de BZI en daarmee de BUN door de V.U. is ‘ingepakt’.
6. De beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger
Romeijn herinnert kort aan een aantal van zijn blogs waarin hij ingaat op dit vierde evaluatiecriterium waaraan het Kaski de BUN moet toetsen:
“ beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger “
Hij memoreert dat het in de ‘Erkenningsovereenkomst’ iets stelliger staat:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is. “
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.
Aan het eind van het gesprek wijst Romeijn op een in zijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloemgemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland.“
Nee, zegt hij: het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN zo klein (onder de tien procent).”
B. Herstructurering van en aantal aanvullingen op mijn (=Joop R)
eerdere antwoorden en opinies aan de hand van de systematiek
van het Kaski-rapport “Evaluatie Hindoe Raad Nederland”
De indeling in 16 criteria zoals gebruikt in dit rapport bieden me een kapstok mijn opvattingen nog eens te structureren. Ik beperk me tot criteria 1, 3, 4, 10 en 15
Vooraf moet ik opmerken dat, HRN en BUN-BZI vergelijkend, het Kaski het lastig zal krijgen om in haar rapport over de boeddhisten te bepalen wanneer over de BUN en wanneer over de BZI gesproken moet worden. Immers de BUN is `erkend´ door Justitie en moet dus geëvalueerd worden maar de daarbij horende taken heeft het BUN-bestuur vrijwel geheel weggeven aan de (stichting) BZI.
Criterium 1: De HRN vertegenwoordigt voldoende groeperingen uit de hindoe gemeenschap
Zoals ik al uitvoerig heb beschreven, vertegenwoordigt de BUN expliciet (zie ook de bijlage bij criterium 4) niet de ´groeperingen´ van de ongeorganiseerde boeddhisten.
Op pag 15 van het rapport wordt melding gemaakt van de ´Representativiteitstoets Hindoeraad Nederland´, waarmee de huidige situatie wordt vergeleken. Er is voor de erkenning van de BUN eind 2008 voor de BUN nooit zo´n toets geweest, de toenmalige BUN-voorzitter is zomaar op zijn woord geloofd.
Criterium 3: De HRN vervult een effectieve rol voor de hindoe gemeenschap,
zowel intern als naar de Nederlandse samenleving
Hierover heb ik al genoeg geschreven dat de BUN deze rol voor de boeddhistische gemeenschap niet speelt en m.i. ook niet kan spelen. Ook het rapport van het Werkgroep de Lotus Bloem benoemt dit probleem.
Criterium 4: De HRN wordt gekenmerkt door bestuurlijke en financiële stabiliteit en continuïteit
In mijn ogen is er sinds 2009 van een permanente crisis bij de BUN sprake. Vele bestuursmutaties, ontbreken van jaarstukken en dreigen met moties van wantrouwen zijn daar een voorbeeld van. De relatieve rust van dit moment lijkt meer op de rust van het graf.
Bij dit criterium is één van de gegevens aan de hand waarvan wordt beoordeeld, het eventueel wijziging van de statuten in de periode waarover geëvalueerd wordt. De heeft bij de BUN in april 2009 plaatsgevonden, met aan aantal wijzigingen is de mogelijkheden dat individuele boeddhisten betrokken kunen worden bij het BUN-beleid uitgesloten, zie bijlage !
Criterium 10: Er is vanuit de HRN respectievelijk de hoofd-geestelijke voldoende inhoudelijke aansturing van de geestelijke verzorging
De aansturing moet door beide instanties plaatsvinden, blijkt uit de tekst op pag 39-41.
Dat Varamitra als HBGV heeft aangestuurd, geloof ik graag. Op 39 wordt vermeld dat het in 2010 benoemde hoofd geestelijke voor de hindoe denominatie (volgens de DGV) voldoet aan de geldende ambtelijke en ambtenaarlijke functievereisten. Dit geldt niet voor het (via een onduidelijke procedure direct na de voorlopige erkenning) hoofd BGV: geen academicus en geen geestelijk verzorger geweest
De vraag is vervolgens of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BZI sprake is (geweest)?
De vraag is nog sterker of er van voldoende inhoudelijke aansturing door de BUN sprake is (geweest)?
Ik ken geen enkele tekst van BUN of BZI die daarop wijst. Met jalouzie lees ik op pag 40 van het Kaski-rapport over een door de HRN geaccordeerd ‘Filosofisch Kader Hindoe Geestelijke Verzorging’.
Criterium 15: Uiterlijk 22 juni 2012 gaat de universitaire opleiding tot hindoe geestelijk verzorger van start
De datum van 22 juni 2012 is te begrijpen omdat de HRN in juni 2009 voorlopig erkend is.
De BUN is voorlopig erkend november 2008. Het criterium bij de evaluatie van de BUN zou dus moeten zijn dat de opleiding er november 2011 had moeten zijn. De voorlopige erkenningsovereenkomst is in november 2011 verlengd tot het moment dat de evaluatie volledig is afgerond. Dat kan toch niet betekenen dat de opleiding er pas hoeft te zijn als de evaluatie is afgerond? Dat zou toch merkwaardig zijn: dan wordt de evaluatie uitgesteld (door het ministerie) net zo lang tot aan alle criteria wordt voldaan?
Op pag 53 van het Kaski-rapport staat: `Voor de VU is de status van de HRN als zendende instantie van uiterst belang. Wordt de HRN deze status ontnomen, dan verliest het opleidingstraject in kwestie daarmee volgens de VU een groot deel van zijn maatschappelijke legitimering en inbedding. De VU zorgt immers voor de academische kwalificaties, de HRN voor een contextgerelateerde afstemming en daadwerkelijke zending.´
Het zou onjuist zijn als een dergelijke quote van de VU in het evaluatie-rapport over de BUN wordt opgenomen. Het suggereert dat de BUN door Justitie erkend moet worden omdat anders de VU-opleiding in de lucht komt te hangen, dat lijkt mij een ondernemersrisiko van de VU.
Bovendien heb ik al aangegeven dat het mogelijk en zelfs wenselijk dat er er voor gv door boeddhistische ´chaplains´ in de zorgsector een nieuwe zendende instantie gaat komen; daar is erkenning door het ministerie van Veiligheid en Justitie helemaal niet voor nodig.
C. Een reactie van mij in *OpenBoeddhisme* bij het item ‘Kaski reageert niet op MOA-vragen’
Na het bestuderen van het reeds voltooide evaluatierapport van de Nederlandse Hindoe Raad en als geïnterviewd niet-BUN-lid in de evaluatie van de BUN denk ik dat het methodologische probleem een ander is dan Lex Olivier van de MOA construeert.
Het bevragen van de BUN-leden is een nogal marginaal onderdeel van het beleidsonderzoek van het Kaski. Ik neem aan dat de lage respons en het veel op elkaar lijken van antwoorden de betekenis van het resultaat daarvan nog verder verzwakt, ook in de analyse van de onderzoekers.
Maar hoe groot is die betekenis?
Want het grootste probleem is: hoe heeft het Kaski bepaald dat het functioneren van de Hindoeraad als zendende instantie voldoende is? Dat is namelijk de slotconclusie in hun rapport.
De oorspronkelijke voorwaarden van de voorlopige erkenning door het ministerie van Justitie ruim drie jaar geleden zijn verfijnd tot 16 criteria. Op elk daarvan zou het Kaski in theorie een cijfer kunnen geven, tussen zeer goed en zeer onvoldoende. En dan zou met een bewerking van die 16 cijfers een eindoordeel bepaald kunnen worden. Die werkwijze was er misschien wel maar heb ik niet ontdekt in het rapport.
Wogen ze alle 16 even zwaar? Dat zou niet terecht zijn, vind ik, want nogal wat criteria gaan over het functioneren van de geestelijke verzorging binnen Justitie en maar een enkele over de kwaliteit van de zendende instantie terwijl juist die geëvalueerd moest worden.
Voor mij zou de vraag aan het Kaski daarom moeten zijn: hoe worden de 16 deelresultaten bepaald en hoe omgezet in een gewogen eindadvies?
Ik ga er van uit dat het Kaski in de rapportage over de BUN-evaluatie (die laat nog wel ruim een maand op zich wachten) op deze vragen uitvoeriger in zal gaan dan zij in de rapportage over de Hindoeraad heeft gedaan.
Het Kaski-rapport over de Hindoeraad is hier te vinden:
Kennisname ervan is nuttig, ook om de MOA-vragen beter te begrijpen.
Bijlage ad B, criterium 4
De belangrijkste verschillen tussen de BUN-Statuten van 2006 en 2009
De ledenvergadering van de BUN van 18 april 2009 heeft de tot dan geldende statuten (laatstelijk gewijzigd in 2006), op een aantal punten aangepast.
De nieuwe statuten (verder genoemd versie 2009) zijn op 12 oktober 2009 notarieel vastgelegd.
Artikel 2 lid 1 Uit de versie van 2006 is m.b.t. de doelstelling ‘behartigen van belangen’ in 2009 GESCHRAPT de passage: “en personen welke zich met het boeddhisme verbonden weten”.
Artikel 2 lid 2 van de statuten versie 2006
“Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door, steeds handelend in overeenstemming met de boeddhistische gedragscode,
- contacten te onderhouden met al die organisaties, groeperingen EN INDIVIDUEN, welke contacten voor de realisering van haar doelstellingen zinvol zijn, zowel binnen Nederland als daarbuiten;
- het verlenen van praktische hulp en bijstand aan in Nederland werkzame boeddhistische groeperingen en in Nederland levende boeddhisten EN PERSONEN die zich met het Boeddhisme verbonden weten;
... “
Het verschil tussen de versie van 2006 en die van 2009 is het GESCHRAPT zijn in versie 2009 van de (door mij) vet en groot gemaakte woorden in de versie van 2006.
Artikel 8 van de Statuten versie 2006
“1. Donateurs zijn zij, die door het bestuur als donateur zijn toegelaten. Het bestuur is bevoegd het donateurschap door schriftelijke opzegging te beëindigen.
Donateurs zijn verplicht jaarlijks aan de vereniging een geldelijke bijdrage te verlenen, waarvan de minimale omvang door de algemene ledenvergadering wordt vastgesteld.
Donateurs hebben uitsluitend het recht om de algemene ledenvergadering bij te wonen. Zij hebben daarin geen stemrecht, maar wel het recht om het woord te voeren. “
In de Statuten versie 2009 is dit hele artikel dat individuen, bv ongeorganiseerden, de mogelijkheid van spreekrecht bood, VERVALLEN.
donderdag 5 juli 2012
De opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger, met of zonder erkende BUN
Een maand geleden meldde de VU in een persbericht (zie hier ) dat het ministerie van Onderwijs 260 duizend euro (per jaar) toekent voor een ambtsopleiding voor boeddhisten.
Het persbericht riep bij mij wat vragen op, vandaar dat ik het minsterie om aanvullende informatie heb gevraagd.
Die heb ik ontvangen; naast de beschikking van de staatssecretaris aan de VU ook een aantal antwoorden die ik het beste kan citeren:
"U vraagt onder welke voorwaarden deze subsidie is verleend.
De voorwaarden voor de subsidie staan in een brief aan de Tweede Kamer van het ministerie van (OCW). De aanvraag voor deze subsidie is getoetst en goedgekeurd met de negen criteria uit de brief. Relevant voor uw vraag is criterium nummer negen, de financiële transparantie van de organisatie.
U vraagt of het recht dat aan de Boeddhistisch Zendende Instantie(BZI) wordt verleend om een kandidaat tot boeddhistisch chaplain te benoemen, gebaseerd is op een overeenkomst tussen de VU en de BZI of dat het een voorwaarde is van het ministerie.
De benoemingsmogelijkheid tot boeddhistisch chaplain is geen voorwaarde van OCW.
Tot slot vraagt u of het al of niet erkennen van de Boeddhistische Unie Nederland - en daarmee de BZI - door minister Teeven van Justitie van invloed is op de subsidieverlening.
Voor het ministerie van OCW is het niet relevant of de mede-aanvrager erkend is door Justitie. In de Kamerbrief staat dat de aanvraag moet worden gedaan door een hogeronderwijsinstelling samen met één (of meer) organisatie(s) van (een) geloofsovertuiging(en). Ook moet de geloofsovertuiging voldoende draagvlak en erkenning hebben. Aan die criteria is voldaan."
Mijn kommentaar
Wat betreft de eerste vraag vind ik de andere criteria van het ministerie ook relevant, en was ik bijvoorbeeld benieuwd hoeveel boeddhisten er in Nederland volgens het ministerie zijn. M’n vragen daarover zijn niet beantwoord.
Het antwoord op de tweede en de derde vraag is ook relevant voor de evaluatie van de BUN als zendende instantie door het KASKI.
De erkenning van de BUN/BZI door het ministerie van Veiligheid en Justitie en de rechten die de BZI claimt te hebben zijn voor het ministerie van Onderwijs niet van belang.
(Ik hoop overigens dat het ministerie het verschil tussen de BUN en de BZI heeft begrepen; dat in de brief aan de VU wordt gesproken over “koepelorganisaties van moskeeën” stelt me wat dat betreft niet gerust.)
Een suggestie aan de VU
Nu is de invulling van de opleiding tot chaplain aan de beurt, een tweejarige opleiding die volgens de informele aankondigingen september 2013 gaat starten.
De aanvraag aan het ministerie en het opstellen van overeenkomsten heeft allemaal bijzonder binnenskamers plaatsgevonden.
Het zou de VU sieren als een deel van de invulling van de opleiding in het openbaar plaatsvindt.
Daarom roep ik de VU op, om ergens komend najaar een openbare bijeenkomst over de inhoud te organiseren. Eén van de onderwerpen die daarin in ieder geval aan de orde moeten komen is wat mij betreft de inhoud van geestelijke verzorging (door en/of voor boeddhisten) in de zorgsector, in ziekenhuizen en andere instellingen van volksgezondheid dus. Want het georganiseerde boeddhisme heeft tot nu toe nog geen blijk gegeven, zich daarin verdiept te hebben.
=======================================================================
BIJLAGE: Brief van het ministerie (oorspronkelijk een pdf-bestand)
(Van) Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(Aan) Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit
De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM
Datum 3 1 MEI 2012
Betreft Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding
Geacht College van Bestuur,
Met uw brief van 30 januari 2012 alsmede met de nazending op 11 april 2012 van de overeenkomst voor samenwerking van de Vrije Universiteit (VU) en de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) heeft u mij het verzoek voorgelegd om een bijdrage voor een "Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding". U baseert zich hierbij op de brief van 2 juli 2010 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31821, nr. 80) waarin de hoogte van de bijdrage in beginsel afhankelijk is gesteld van het aantal gelovigen voor de betrokken geloofsrichting(en).
Ik heb uw aanvraag beoordeeld aan de hand van de voorwaarden in de brief van 2 juli 2010 en ik heb vastgesteld dat u met de nazending van de samenwerkingsovereenkomst tussen de VU en de BZI daaraan in voldoende mate voldoet, zodat ik kan overgaan tot toekenning van een financiële bijdrage.
Ik bedank u én de betrokken koepelorganisaties van moskeeën voor de geleverde inspanningen om een verantwoorde opleiding tot stand te brengen. Wat betreft de bijdrage nog het volgende.
In uw aanvraag wordt weliswaar geen concreet bedrag genoemd, maar via de onderbouwing suggereert u de maximale bijdragen voor de ambtsopleiding. Uw onderbouwing met betrekking tot het aantal gelovigen voor de boeddhistische geloofsrichting onderschrijf ik. In verband hiermee ken ik de maximale bijdrage van € 260.000,00 toe.
De bijdrage wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een verhoging van de onderwijsopslag, te weten jaarlijks een bedrag van € 260.000,00 voor de jaren 2012 tot en met 2016, onder voorbehoud van goedkeuring door de begrotingswetgever van de rijksbegroting voor de betreffende jaren. Deze
toekenning zal worden verwerkt in een wijziging van de Regeling financiering hoger onderwijs die in het najaar van 2012 zal verschijnen.
Hoogachtend,
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
(w.g.)
Halbe Zijlstra
Het persbericht riep bij mij wat vragen op, vandaar dat ik het minsterie om aanvullende informatie heb gevraagd.
Die heb ik ontvangen; naast de beschikking van de staatssecretaris aan de VU ook een aantal antwoorden die ik het beste kan citeren:
"U vraagt onder welke voorwaarden deze subsidie is verleend.
De voorwaarden voor de subsidie staan in een brief aan de Tweede Kamer van het ministerie van (OCW). De aanvraag voor deze subsidie is getoetst en goedgekeurd met de negen criteria uit de brief. Relevant voor uw vraag is criterium nummer negen, de financiële transparantie van de organisatie.
U vraagt of het recht dat aan de Boeddhistisch Zendende Instantie(BZI) wordt verleend om een kandidaat tot boeddhistisch chaplain te benoemen, gebaseerd is op een overeenkomst tussen de VU en de BZI of dat het een voorwaarde is van het ministerie.
De benoemingsmogelijkheid tot boeddhistisch chaplain is geen voorwaarde van OCW.
Tot slot vraagt u of het al of niet erkennen van de Boeddhistische Unie Nederland - en daarmee de BZI - door minister Teeven van Justitie van invloed is op de subsidieverlening.
Voor het ministerie van OCW is het niet relevant of de mede-aanvrager erkend is door Justitie. In de Kamerbrief staat dat de aanvraag moet worden gedaan door een hogeronderwijsinstelling samen met één (of meer) organisatie(s) van (een) geloofsovertuiging(en). Ook moet de geloofsovertuiging voldoende draagvlak en erkenning hebben. Aan die criteria is voldaan."
Mijn kommentaar
Wat betreft de eerste vraag vind ik de andere criteria van het ministerie ook relevant, en was ik bijvoorbeeld benieuwd hoeveel boeddhisten er in Nederland volgens het ministerie zijn. M’n vragen daarover zijn niet beantwoord.
Het antwoord op de tweede en de derde vraag is ook relevant voor de evaluatie van de BUN als zendende instantie door het KASKI.
De erkenning van de BUN/BZI door het ministerie van Veiligheid en Justitie en de rechten die de BZI claimt te hebben zijn voor het ministerie van Onderwijs niet van belang.
(Ik hoop overigens dat het ministerie het verschil tussen de BUN en de BZI heeft begrepen; dat in de brief aan de VU wordt gesproken over “koepelorganisaties van moskeeën” stelt me wat dat betreft niet gerust.)
Een suggestie aan de VU
Nu is de invulling van de opleiding tot chaplain aan de beurt, een tweejarige opleiding die volgens de informele aankondigingen september 2013 gaat starten.
De aanvraag aan het ministerie en het opstellen van overeenkomsten heeft allemaal bijzonder binnenskamers plaatsgevonden.
Het zou de VU sieren als een deel van de invulling van de opleiding in het openbaar plaatsvindt.
Daarom roep ik de VU op, om ergens komend najaar een openbare bijeenkomst over de inhoud te organiseren. Eén van de onderwerpen die daarin in ieder geval aan de orde moeten komen is wat mij betreft de inhoud van geestelijke verzorging (door en/of voor boeddhisten) in de zorgsector, in ziekenhuizen en andere instellingen van volksgezondheid dus. Want het georganiseerde boeddhisme heeft tot nu toe nog geen blijk gegeven, zich daarin verdiept te hebben.
=======================================================================
BIJLAGE: Brief van het ministerie (oorspronkelijk een pdf-bestand)
(Van) Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(Aan) Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit
De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM
Datum 3 1 MEI 2012
Betreft Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding
Geacht College van Bestuur,
Met uw brief van 30 januari 2012 alsmede met de nazending op 11 april 2012 van de overeenkomst voor samenwerking van de Vrije Universiteit (VU) en de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) heeft u mij het verzoek voorgelegd om een bijdrage voor een "Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding". U baseert zich hierbij op de brief van 2 juli 2010 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31821, nr. 80) waarin de hoogte van de bijdrage in beginsel afhankelijk is gesteld van het aantal gelovigen voor de betrokken geloofsrichting(en).
Ik heb uw aanvraag beoordeeld aan de hand van de voorwaarden in de brief van 2 juli 2010 en ik heb vastgesteld dat u met de nazending van de samenwerkingsovereenkomst tussen de VU en de BZI daaraan in voldoende mate voldoet, zodat ik kan overgaan tot toekenning van een financiële bijdrage.
Ik bedank u én de betrokken koepelorganisaties van moskeeën voor de geleverde inspanningen om een verantwoorde opleiding tot stand te brengen. Wat betreft de bijdrage nog het volgende.
In uw aanvraag wordt weliswaar geen concreet bedrag genoemd, maar via de onderbouwing suggereert u de maximale bijdragen voor de ambtsopleiding. Uw onderbouwing met betrekking tot het aantal gelovigen voor de boeddhistische geloofsrichting onderschrijf ik. In verband hiermee ken ik de maximale bijdrage van € 260.000,00 toe.
De bijdrage wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een verhoging van de onderwijsopslag, te weten jaarlijks een bedrag van € 260.000,00 voor de jaren 2012 tot en met 2016, onder voorbehoud van goedkeuring door de begrotingswetgever van de rijksbegroting voor de betreffende jaren. Deze
toekenning zal worden verwerkt in een wijziging van de Regeling financiering hoger onderwijs die in het najaar van 2012 zal verschijnen.
Hoogachtend,
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
(w.g.)
Halbe Zijlstra
woensdag 20 juni 2012
De evaluatie van de BUN schrijdt voort
Gisteren heb ik een gesprek gehad met Ton Bernts en Paul van der Velde van het KASKI die op verzoek van het ministerie van Veiligheid en Justitie de BUN als zendende instantie evalueren.
Het meeste dat ik hen heb kunnen vertellen, staat – in andere woorden soms – al in mijn blogs en ga ik niet herhalen.
Belangrijker dan het mijne is hun verslag en dat wat ze er mee gaan doen in de evaluatie die (na de zomervakantie, zeiden ze) naar hun opdrachtgever gaat.
Naar het ministerie van Veiligheid en Justitie dus; die moeten op basis daarvan dan beslissen of de tijdelijke ‘erkenning’ van de BUN als zendende instantie in een definitieve wordt omgezet; of natuurlijk dat de BUN niet meer wordt erkend omdat ze de afgelopen jaren tot op heden niet voldoet aan de criteria die het ministerie zelf in de Erkenningsov ereenkomst van november 2008 had opgenomen. Dit laatste is mijn mening en die heb ik gedocumenteerd aan het KASKI verteld.
Verder een paar punten
Ik had me er over verbaasd dat was toegestaan dat de BUN-leden uitstel hadden gekregen voor het invullen en terugsturen van de vragenlijsten die ze van het KASKI hadden gekregen tot na de ledenvergadering van de BUN op 9 juni j.l. Ik ging er daarbij van uit dat het KASKI die beslissing had genomen maar begrijp nu dat het de opdrachtgever, Justitie dus, was die met dit verzoek van het BUN-bestuur had ingestemd. Het blijft vreemd, ook wetenschappelijk gezien, omdat de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) konden afstemmen.
Het KASKI had gevraagd mij te spreken “als een vertegenwoordiger van de ongeorganiseerde ('ongebonden') boeddhisten” (ik citeer hun mail). Dit omdat ik ook in die rol door de voorzitter van de Werkgroep de Lotusbloem ben geïnterviewd.
Ik heb gereageerd met de mededeling graag vanuit het perspectief van de ongeorganiseerde/ongebonden boeddhist te spreken omdat ik me daar zeer in heb verdiept, maar mezelf als (losjes) verbonden boeddhist te beschouwen gezien de groepen waarin ik participeer.
Wat betreft het Eindrapport van de Werkgroep de Lotusbloem; met mijn commentaar “te weinig en te laat” hebben we het gehad over de aanbeveling over die ongebondenen:
“Onderzoek hoe een platform gecreëerd kan worden voor personen die zich niet willen laten vertegenwoordigen door een van de aangesloten leken-sangha’s maar wel gehoord willen worden door BUN-bestuur en ALV. [Werkgroep ALV]" (pagina 30 van het eindrapport).
Die aanbeveling is door de ledenvergadering overgenomen, zij het met moeite omdat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden. Die ‘Werkgroep ALV' is er volgens mij (nog) niet.
Overigens heb ik het KASKI ook een in mijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloem gemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland. “
Nee, heb ik gezegd, het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN juist zo klein (onder de tien procent)
Een deel van de vragen ging over de BZI, als zendende instantie dus. Ik heb m´n verbazing erover uitgesproken, nooit een inhoudelijke tekst, ook niet van de heren van het BZI, te hebben gelezen over boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector; en dat ik daarom daar zelf maar een kleine studie aan had gewaagd en over geschreven in mijn blogs de afgelopen maand .
Al pratend hierover kwam ik op een nieuwe gedachte die ik graag hier met de lezers wil delen.
In de gezondheidszorg zijn er veel geestelijk verzorgers werkzaam, zeker vier keer zoveel als bij Justitie. De rol van de zendende instantie is anders in de zorgsector, veel zorginstellingen (bv algemene ziekenhuizen) vinden het ´gezonden worden´ door een denominatie nauwelijks meer van belang; andere zorginstellingen nog wel maar in afnemende mate.
Ik vind de op verzoek van Justitie in 2010 opgerichte stichting BZI daarvoor niet geschikt, ook vanwege de rol die het Hoofd BGV daarin heeft gespeeld waardoor deze BZI de m.i. zieke geschiedenis niet achter zich kan laten. Daarom is het beter dat er voor de boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector te zijner tijd een apart zendende instantie wordt opgericht.
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.
Zo, nu kan ik wel even met vakantie.
Het meeste dat ik hen heb kunnen vertellen, staat – in andere woorden soms – al in mijn blogs en ga ik niet herhalen.
Belangrijker dan het mijne is hun verslag en dat wat ze er mee gaan doen in de evaluatie die (na de zomervakantie, zeiden ze) naar hun opdrachtgever gaat.
Naar het ministerie van Veiligheid en Justitie dus; die moeten op basis daarvan dan beslissen of de tijdelijke ‘erkenning’ van de BUN als zendende instantie in een definitieve wordt omgezet; of natuurlijk dat de BUN niet meer wordt erkend omdat ze de afgelopen jaren tot op heden niet voldoet aan de criteria die het ministerie zelf in de Erkenningsov ereenkomst van november 2008 had opgenomen. Dit laatste is mijn mening en die heb ik gedocumenteerd aan het KASKI verteld.
Verder een paar punten
Ik had me er over verbaasd dat was toegestaan dat de BUN-leden uitstel hadden gekregen voor het invullen en terugsturen van de vragenlijsten die ze van het KASKI hadden gekregen tot na de ledenvergadering van de BUN op 9 juni j.l. Ik ging er daarbij van uit dat het KASKI die beslissing had genomen maar begrijp nu dat het de opdrachtgever, Justitie dus, was die met dit verzoek van het BUN-bestuur had ingestemd. Het blijft vreemd, ook wetenschappelijk gezien, omdat de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) konden afstemmen.
Het KASKI had gevraagd mij te spreken “als een vertegenwoordiger van de ongeorganiseerde ('ongebonden') boeddhisten” (ik citeer hun mail). Dit omdat ik ook in die rol door de voorzitter van de Werkgroep de Lotusbloem ben geïnterviewd.
Ik heb gereageerd met de mededeling graag vanuit het perspectief van de ongeorganiseerde/ongebonden boeddhist te spreken omdat ik me daar zeer in heb verdiept, maar mezelf als (losjes) verbonden boeddhist te beschouwen gezien de groepen waarin ik participeer.
Wat betreft het Eindrapport van de Werkgroep de Lotusbloem; met mijn commentaar “te weinig en te laat” hebben we het gehad over de aanbeveling over die ongebondenen:
“Onderzoek hoe een platform gecreëerd kan worden voor personen die zich niet willen laten vertegenwoordigen door een van de aangesloten leken-sangha’s maar wel gehoord willen worden door BUN-bestuur en ALV. [Werkgroep ALV]" (pagina 30 van het eindrapport).
Die aanbeveling is door de ledenvergadering overgenomen, zij het met moeite omdat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden. Die ‘Werkgroep ALV' is er volgens mij (nog) niet.
Overigens heb ik het KASKI ook een in mijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloem gemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland. “
Nee, heb ik gezegd, het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN juist zo klein (onder de tien procent)
Een deel van de vragen ging over de BZI, als zendende instantie dus. Ik heb m´n verbazing erover uitgesproken, nooit een inhoudelijke tekst, ook niet van de heren van het BZI, te hebben gelezen over boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector; en dat ik daarom daar zelf maar een kleine studie aan had gewaagd en over geschreven in mijn blogs de afgelopen maand .
Al pratend hierover kwam ik op een nieuwe gedachte die ik graag hier met de lezers wil delen.
In de gezondheidszorg zijn er veel geestelijk verzorgers werkzaam, zeker vier keer zoveel als bij Justitie. De rol van de zendende instantie is anders in de zorgsector, veel zorginstellingen (bv algemene ziekenhuizen) vinden het ´gezonden worden´ door een denominatie nauwelijks meer van belang; andere zorginstellingen nog wel maar in afnemende mate.
Ik vind de op verzoek van Justitie in 2010 opgerichte stichting BZI daarvoor niet geschikt, ook vanwege de rol die het Hoofd BGV daarin heeft gespeeld waardoor deze BZI de m.i. zieke geschiedenis niet achter zich kan laten. Daarom is het beter dat er voor de boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector te zijner tijd een apart zendende instantie wordt opgericht.
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.
Zo, nu kan ik wel even met vakantie.
zondag 27 mei 2012
Twee berichten - Het Boeddhistisch Dagblad gestart & (een dagje) Boeddhisme studeren bij de VU
Dit weekend is een eerste versie verschenen van een nieuw journalistiek webmagazine, met als titel ‘Boeddhistisch Dagblad ’. Zie hier .
Uit dit nummer: “Het Boeddhistisch Dagblad is een onafhankelijk geëngageerd journalistiek web magazine. We willen op een betrokken en frisse manier nieuws en achtergronden publiceren over boeddhistische thema’s en inzichten.”
Na een ´brief aan de lezers’ gaat dit nummer o.a. over het bezoek van de Dalai Lama in Huy (België)
We worden wel verwend; ik wordt wel verwend in ieder geval. Jaren lang roep ik dat er geen boeddhistische journalistiek is die ontwikkelingen in Nederland actief en critisch volgt; dat de BOS (die daar toch voor betaald wordt) en Vorm&Leegte/BoeddhaMagazine daar nauwelijks iets aan doen en de algemene journalistiek het een te marginaal gebeuren vindt. Terwijl toch heel wat thema’s in boeddhistisch Nederland de afgelopen jarende de publieke aandacht verdienden die ze nu niet krijgen. En niet alleen de vaste onderwerpen zoals de BUN en de BOS waar ik dan in arremoede over schreef. Maar ook over bv de vraag: hoe het financieel gaat met de lokale boeddhistische organisaties, de sangha’s op dit moment? En hoe lopen de geldstromen binnen Zen.Nl precies?
En nu ineens twee internet magazines: naast het een paar maanden geleden gestarte *OpenBoeddhisme* (zie hier ) nu dus ook het Boeddhistisch Dagblad.
En ik ga ook door met m’n blog. Ik ben geen journalist, voel me vrij (als ex-sociaal wetenschapper) door elkaar over nieuws, opinies, Dharma en boeddhologie te schrijven, en als het kan soms ook nieuws te maken. Slechts begrensd door mijn ethiek en door mijn beperkte vermogen zaken te begrijpen (daarom schrijf ik weinig over het Tibetaans boeddhisme, maar gelukkig doen anderen dat genoeg).
Over de stand van zaken van twee andere media ben ik minder zeker:
* de internetversie van BoeddhaMagazine (zie hier ) lijkt een probeersel van Asoka dat niet doorgezet wordt.
* Bodhitv (zie hier ), het internetblad van de BOS mist de gedrevenheid en de persoonlijkheid van de beginjaren; het brengt geen nieuws maar publiceert ervaringen van boeddhisten en persberichten.
Ik wens de redactie van BoeddhistischDagblad veel succes toe !
Hopenlijk zijn ze vòòr het weekend van 9 juni al voldoende op stoom om de ledenvergadering van de BUN te verslaan. We weten immers niet hoe lang de BUN nog bestaat.
===============================================================================
Dan een ander nieuwsfeit dat ik niet alleen als feit wil brengen maar ook in een context plaatsen.
Als je jong bent of anderszins nieuwsgierig naar hoe bij de Vrije Universiteit in Amsterdam de boeddhologie wordt beoefend, kan je een
Dagje Boeddhisme (en Hindoeïsme) komen studeren Zie het VU-bericht hier.
Ik citeer:
Dinsdag 5 juni kan je komen ervaren hoe het is om Boeddhisme of Hindoeïsme te studeren. Je krijgt dan informatie over de studie en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen. Ook verzorgen prof. dr. André van der Braak en dr. Lourens Minnema colleges.
Aansluitend op het dagje studeren volgt de feestelijke opening van de opleidingen. Als je een dagje komt studeren ben je ook daar van harte uitgenodigd.
Lijkt me interessant, al begrijp ik het zinnetje '... en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen ’ niet, het is immers een nieuwe opleiding, ook (en misschien juist) voor niet-Christenen.
Naast de minicollege’s zijn er ook korte inleidingen door onder andere:
Artho Jansen, voorzitter van de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) en door
Wim Janse, decaan Faculteit der Godgeleerdheid
Hun woorden zijn onderdeel van de openingsplechtigheid maar voor de aanstaande student zouden deze ook van belang kunnen zijn.
Dat brengt me op de context van deze opening.
Het betreft uitsluitend de bachelor boeddhisme (en hindoeisme maar daar heb ik het verder niet over)
Als ik weer 18 of 19 was, zou ik deze studie misschien wel gekozen hebben, al zou ik wel wat meer over de bijvakken hebben willen weten. Toen ik studeerde, interesseerde het me absoluut niet of ik daar later een beroep in kon vinden, maar velen kunnen zich tegenwoordig deze luxe van een babyboomer niet meer permitteren.
Niet alleen de bijvakken, ook interesseert de vraag me of het (alleen) gaat om het weten, het kennen van de diverse boeddhistische tradities en hun geschiedenis, of gaat het ook om het beoefenen er van?
De VU is nogal van de inter-religieuze dialoog maar wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen het boeddhisme en het agnosticisme, aan het seculiere boeddhisme dus ?
Of iemand met een bachelor boeddhisme een baan kan vinden: ik zou het niet weten. Maar iemand met een volledige opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) mogelijk wel. Dan is een bachelor niet voldoende, dan heb je daarna een master + diploma van een ‘ambtsopleiding’ nodig.
En komen die opleidingen er echt? Zwart op wit?
Al te vaak is aangekondigd door de VU en/of de BZI dat die er komen: eerst zou het in 2011 zijn, toen in 2012 en nu wordt er over 2013 als startdatum van de master gesproken. (Aankondigingen vooral om het ministerie van Justitie te gerieven, is wel eens mijn indruk geweest).
Is die opleiding echt al door de VU bij het ministerie van Onderwijs aangevraagd? Daarover heb ik al een paar keer in mijn blog geschreven, ook deze maand, zie bv hier.
En als die ambtsopleiding er komt, mag dan iedereen die volgen of moet je aangewezen worden door een boeddhistisch leraar? De notitie (hier) van de BZI is niet zo duidelijk daarover.
En wat is de toekomst van de BZI als de toekomst van de BUN zo onzeker is? Zie hier. Doet dat er toe, om BGV-er te worden?
Dinsdag 5 juni van kwart over één tot half zes dus. Luisteren en vragen !
Ik neem aan dat ook anderen dan aspirant-studenten die middag welkom zijn.
Journalisten en bloggers bijvoorbeeld.
Of opgeven (hier ) echt nodig is, weet ik niet.
Update 30 mei
Op de website van Bodhitv is een interview met André van der Braak over deze bachelor-opleiding opgenomen, zie hier.
André stelt dat een afgestudeerde een 'boeddhistische professional' wordt. Wat is dat nu weer?
Iets anders dan 'beroepsboeddhist' kennelijk. maar ook geen 'boeddholoog'. Moet je boeddhist zijn om boeddhistisch professional te worden?
Uit dit nummer: “Het Boeddhistisch Dagblad is een onafhankelijk geëngageerd journalistiek web magazine. We willen op een betrokken en frisse manier nieuws en achtergronden publiceren over boeddhistische thema’s en inzichten.”
Na een ´brief aan de lezers’ gaat dit nummer o.a. over het bezoek van de Dalai Lama in Huy (België)
We worden wel verwend; ik wordt wel verwend in ieder geval. Jaren lang roep ik dat er geen boeddhistische journalistiek is die ontwikkelingen in Nederland actief en critisch volgt; dat de BOS (die daar toch voor betaald wordt) en Vorm&Leegte/BoeddhaMagazine daar nauwelijks iets aan doen en de algemene journalistiek het een te marginaal gebeuren vindt. Terwijl toch heel wat thema’s in boeddhistisch Nederland de afgelopen jarende de publieke aandacht verdienden die ze nu niet krijgen. En niet alleen de vaste onderwerpen zoals de BUN en de BOS waar ik dan in arremoede over schreef. Maar ook over bv de vraag: hoe het financieel gaat met de lokale boeddhistische organisaties, de sangha’s op dit moment? En hoe lopen de geldstromen binnen Zen.Nl precies?
En nu ineens twee internet magazines: naast het een paar maanden geleden gestarte *OpenBoeddhisme* (zie hier ) nu dus ook het Boeddhistisch Dagblad.
En ik ga ook door met m’n blog. Ik ben geen journalist, voel me vrij (als ex-sociaal wetenschapper) door elkaar over nieuws, opinies, Dharma en boeddhologie te schrijven, en als het kan soms ook nieuws te maken. Slechts begrensd door mijn ethiek en door mijn beperkte vermogen zaken te begrijpen (daarom schrijf ik weinig over het Tibetaans boeddhisme, maar gelukkig doen anderen dat genoeg).
Over de stand van zaken van twee andere media ben ik minder zeker:
* de internetversie van BoeddhaMagazine (zie hier ) lijkt een probeersel van Asoka dat niet doorgezet wordt.
* Bodhitv (zie hier ), het internetblad van de BOS mist de gedrevenheid en de persoonlijkheid van de beginjaren; het brengt geen nieuws maar publiceert ervaringen van boeddhisten en persberichten.
Ik wens de redactie van BoeddhistischDagblad veel succes toe !
Hopenlijk zijn ze vòòr het weekend van 9 juni al voldoende op stoom om de ledenvergadering van de BUN te verslaan. We weten immers niet hoe lang de BUN nog bestaat.
===============================================================================
Dan een ander nieuwsfeit dat ik niet alleen als feit wil brengen maar ook in een context plaatsen.
Als je jong bent of anderszins nieuwsgierig naar hoe bij de Vrije Universiteit in Amsterdam de boeddhologie wordt beoefend, kan je een
Dagje Boeddhisme (en Hindoeïsme) komen studeren Zie het VU-bericht hier.
Ik citeer:
Dinsdag 5 juni kan je komen ervaren hoe het is om Boeddhisme of Hindoeïsme te studeren. Je krijgt dan informatie over de studie en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen. Ook verzorgen prof. dr. André van der Braak en dr. Lourens Minnema colleges.
Aansluitend op het dagje studeren volgt de feestelijke opening van de opleidingen. Als je een dagje komt studeren ben je ook daar van harte uitgenodigd.
Lijkt me interessant, al begrijp ik het zinnetje '... en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen ’ niet, het is immers een nieuwe opleiding, ook (en misschien juist) voor niet-Christenen.
Naast de minicollege’s zijn er ook korte inleidingen door onder andere:
Artho Jansen, voorzitter van de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) en door
Wim Janse, decaan Faculteit der Godgeleerdheid
Hun woorden zijn onderdeel van de openingsplechtigheid maar voor de aanstaande student zouden deze ook van belang kunnen zijn.
Dat brengt me op de context van deze opening.
Het betreft uitsluitend de bachelor boeddhisme (en hindoeisme maar daar heb ik het verder niet over)
Als ik weer 18 of 19 was, zou ik deze studie misschien wel gekozen hebben, al zou ik wel wat meer over de bijvakken hebben willen weten. Toen ik studeerde, interesseerde het me absoluut niet of ik daar later een beroep in kon vinden, maar velen kunnen zich tegenwoordig deze luxe van een babyboomer niet meer permitteren.
Niet alleen de bijvakken, ook interesseert de vraag me of het (alleen) gaat om het weten, het kennen van de diverse boeddhistische tradities en hun geschiedenis, of gaat het ook om het beoefenen er van?
De VU is nogal van de inter-religieuze dialoog maar wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen het boeddhisme en het agnosticisme, aan het seculiere boeddhisme dus ?
Of iemand met een bachelor boeddhisme een baan kan vinden: ik zou het niet weten. Maar iemand met een volledige opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) mogelijk wel. Dan is een bachelor niet voldoende, dan heb je daarna een master + diploma van een ‘ambtsopleiding’ nodig.
En komen die opleidingen er echt? Zwart op wit?
Al te vaak is aangekondigd door de VU en/of de BZI dat die er komen: eerst zou het in 2011 zijn, toen in 2012 en nu wordt er over 2013 als startdatum van de master gesproken. (Aankondigingen vooral om het ministerie van Justitie te gerieven, is wel eens mijn indruk geweest).
Is die opleiding echt al door de VU bij het ministerie van Onderwijs aangevraagd? Daarover heb ik al een paar keer in mijn blog geschreven, ook deze maand, zie bv hier.
En als die ambtsopleiding er komt, mag dan iedereen die volgen of moet je aangewezen worden door een boeddhistisch leraar? De notitie (hier) van de BZI is niet zo duidelijk daarover.
En wat is de toekomst van de BZI als de toekomst van de BUN zo onzeker is? Zie hier. Doet dat er toe, om BGV-er te worden?
Dinsdag 5 juni van kwart over één tot half zes dus. Luisteren en vragen !
Ik neem aan dat ook anderen dan aspirant-studenten die middag welkom zijn.
Journalisten en bloggers bijvoorbeeld.
Of opgeven (hier ) echt nodig is, weet ik niet.
Update 30 mei
Op de website van Bodhitv is een interview met André van der Braak over deze bachelor-opleiding opgenomen, zie hier.
André stelt dat een afgestudeerde een 'boeddhistische professional' wordt. Wat is dat nu weer?
Iets anders dan 'beroepsboeddhist' kennelijk. maar ook geen 'boeddholoog'. Moet je boeddhist zijn om boeddhistisch professional te worden?
Labels:
boeddhologie,
BUN,
BZI,
geestelijk verzorger,
VU
dinsdag 15 mei 2012
Boeddhistisch Geestelijke Verzorger, wat is dat ? Beschouwing over het beroep en opleiding daartoe
Met het beroep boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) is iets merkwaardigs aan de hand. Er is geen enkel document dat over de inhoud van dat beroep gaat, wat het is of (omdat het grotendeels nog moet starten) wat het zou kunnen zijn.
Zeker, er zijn een aantal stukken die over de inhoud gaan, maar betreffen slechts enkele formele aspecten.
Er is een curriculum-commissie voor de VU-opleiding maar de stukken daarvan zijn niet openbaar.
Daarom wat tastend een overzicht over wat het beroep BGV-er zou kunnen zijn en hoe de opleiding georganiseerd kan zijn. Een blog met veel vragen dus.
Het openbaar worden van de overeenkomst tussen de VU en de BZI van 31 maart jl (zie onder) is de concrete aanleiding, niet op alle antwoorden te wachten.
1. Wat is BGV?
Ik weet het niet, bij voorbaat in ieder geval omdat het iets is dat nog niet bestaat. Is het:
a. Geestelijke verzorging (g.v.) gegeven dòòr een boeddhist?
b. G.v. gegeven ààn een boeddhist?
c. G.v. volgens boeddhistische principes, door wie dan ook aan wie dan ook gegeven?
Ik vermoed dat impliciet vaak mogelijkheid c wordt bedoeld, met element van mogelijkheid a (want het gaat ook om werkgelegenheid)
Maar welke principes dan? Want de boeddhistische tradities verschillen nogal van elkaar, zeker in aspecten die g.v. raken (het gaat toch om meer principes dan die van ‘compassie’ moet ik aannemen)
En geldt dit alles zowel de BGV aan justitiabelen als aan clienten/patienten in de gezondheidszorg, want die wil de BZI ook coveren?
Wat ik tot nu toe in stukken van de BZI (of de VU) heb gelezen, geeft volstrekt geen antwoord op die vragen.
2. Waar kan je BGV-er zijn?
Als we kijken waar, door geestelijk verzorgers van andere religies/levensbeschouwingen, geestelijke verzorging wordt beoefend, dan zijn er vier plekken:
(a) Bij de DGV van het Ministerie van Veiligheid en Justitie
Er zijn sinds 2010 nu 6 parttime BGV-ers in dienst (het Hoofd BGV – Varamitra – is zelf geen geestelijk verzorger); uitbreiding is onwaarschijnlijk.
(b) Bij de krijgsmacht (het Ministerie van Defensie; zie hier)
Er zijn bij sommige beroepsboeddhisten wel eens fantasieën over BGV bij de Krijgsmacht. Ik kan daar kort over zijn: er zullen zeer weinig boeddhisten in het Nederlandse leger dienen; dat is geen probleem, en het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat Defensie er toe zal over gaan BGV-ers in dienst te nemen.
(c) Bij instellingen van gezondheidszorg
De VGVZ onderscheidt zes werkvelden waar geestelijk verzorgers werkzaam zijn: Ziekenhuizen, Verpleeg- en Verzorgingshuizen, Psychiatrie, Jeugdzorg, Verstandelijk Gehandicapten en Revalidatie.
Als we vergelijken hoeveel geestelijk verzorgers andere religies daar hebben, vergeleken met het aantal van de betreffende religie bij de DGV dan zijn dat er ongeveer vier maal zoveel.
Op deze wijze berekend zouden er enkele tientallen BGV-ers kunnen werken.
Echter: het in dienst nemen gaat in tegenstelling tot bij het Ministerie van Justitie niet centraal: ieder ziekenhuis en andere gezonheidszorgvoorziening is vrij hoeveel g.v.-ers van welke denominatie men wenst aan te nemen. En die denominatie blijkt in belang af te nemen: er wordt primair gekeken naar brede kwaliteit en inzetbaarheid. Steeds minder ook worden g.v.-ers formeel ‘gezonden’; een organisatie als de BZI is ook nauwelijks nodig. Steeds meer is accreditatie van belang (zie hieronder)
Zo zijn er nu ook al (mij bekend) g.v.-ers werkzaam in de gezondheidszorg die boeddhist zijn of daar duidelijke affiniteit mee hebben, maar formeel dominee zijn. Nu heb ik zelf helemaal niets met het Christendom maar mijn indruk is dat ze het goed doen.
Ik ken geen enkel behoefteonderzoek naar BGV in de diverse werkvelden van de gezondheidszorg
(d) Vrijgevestigde geestelijk verzorgers
Dit is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling. Over het aantal is nog niets te zeggen: er zijn er zoveel nodig als er markt voor deze ZZP-ers is. Van een zendende instantie is helemaal geen sprake, wel (althans dat is gewenst) van accreditatie, zie hieronder.
De website van de VU suggereert dat een afgestudeerde ook geestelijk verzorger in het bedrijfsleven of het onderwijs kan worden, daarover heb ik geen verdere informatie kunnen vinden.
Samenvattend:
Als in 2015 of daarna afgestudeerde boeddhistisch geestelijk verzorgers een baan zoeken, maken ze daarvoor bij gezondheidszorg-instellingen de meeste kans. Hoe groot die kans is: geen idee.
3. De eisen van de VGVZ en de SKGV
VGVZ: Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen
SKGV: Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers
Vereniging en stichting stellen eisen aan wie men geestelijk verzorger en opleider tot geestelijk verzorger wil noemen. Beide zijn onafhankelijk van levensbeschouwelijke organisaties, van overheden en van zorginstellingen. Zie hier en hier
Wat mij het proberen waard lijkt, is te kijken hoe en waar aan deze beroepseisen de bovengenoemde boeddhistische principes gekoppeld kunnen worden.
Uit de ‘beroepsstandaard’ van de VGVZ (zie hier)
“Geestelijke verzorging in en vanuit zorginstellingen is:
* de professionele en ambtshalve begeleiding van en hulpverlening aan mensen bij hun zingeving en spiritualiteit, vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging en
* de professionele advisering inzake ethische en/of levensbeschouwelijke aspecten in zorgverlening en beleidsvorming.”
Het “en spiritualiteit” is in een recente versie toegevoegd, voor het boeddhisme relevant! De toelichting daarop (pagina 9) is een aanrader. De eerste zin ervan: “Het begrip spiritualiteit verwijst naar processen van innerlijke omvorming. Spiritualiteit laat zich omschrijven met termen als bezieling, transcendentie, verbondenheid en verdieping. Spiritualiteit betreft niet alleen mensen die een bepaalde religie aanhangen. ...”
Een andere passage uit deze toelichting:
“Vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging
.... Het zal niet altijd en overal mogelijk zijn pluriformiteit optimaal te realiseren. Dit zou kunnen leiden tot versnippering van de beschikbare personeelsformatie voor geestelijke verzorging en dit komt de herkenbare aanwezigheid in en betrokkenheid bij de instelling niet ten goede. Geestelijk verzorgers zijn breed inzetbaar voor patiënten van alle levensbeschouwelijke achtergronden. Dat een geestelijk verzorger staat in dezelfde levensbeschouwelijke traditie als de patiënt kan voor de laatste een meerwaarde hebben.
Wanneer een patiënt vraagt naar een ambtsdrager van de eigen denominatie, verwijst de
geestelijk verzorger hem door naar de desbetreffende collega geestelijk verzorger in dezelfde instelling, mits deze natuurlijk beschikbaar is, of h/zij maakt zonodig afspraken over inzet en eventuele vergoeding van ambtsdragers van buiten de zorginstelling.”
Verder wordt (pag. 10) ook de rol van een geestelijk verzorger op het vlak van de ethische advisering van de zorginstelling waar zij of hij werkzaam is, genoemd. Gezien de toenemende euthanasie-discussie ook voor boeddhisten relevant.
Over de opleidingseisen (zie onder) wordt gezegd:
“Deze opleidingseisen waarborgen twee belangrijke kwaliteiten van de geestelijk verzorger; namelijk, dat deze
a. in staat is tot tweede reflectie, dat wil zeggen dat h/zij de eigen vooronderstellingen en uitgangspunten onderkent; en
b. dat h/zij breed inzetbaar is, dus ook voor mensen van andere dan de eigen levensbeschouwelijke richting.”
Over het ambtshalve karakter van dit beroep:
“De geestelijk verzorger heeft als ambtsdrager een identiteit die gelegitimeerd is door een maatschappelijk erkend levensbeschouwelijk genootschap. Die identiteit kan weliswaar worden onderscheiden, maar niet los gezien van de professionaliteit.
Voor de VGVZ is het ambtshalve aspect van belang, omdat het domein van de geestelijke
verzorging (zingeving) nooit 'neutraal' is en altijd vraagt om een positiebepaling van de geestelijk verzorger. De geestelijk verzorger heeft daarbij altijd een open houding naar andere levensbeschouwingen. Een authentieke omgang met de eigen levensbeschouwing is daarvoor noodzakelijk. Het ambt en de eigen spiritualiteit behoren zo tot het hart van de professionele identiteit.”
Ik hoop dat de BUN te zijner tijd deze en verder boven geciteerde uitspraken voor haar rekening wenst te nemen; vermoedelijk is hierop in BUN-kring tot nu toe niet gereflecteerd.
De SKGV is een onafhankelijke stichting die het beroepsregister van geestelijk verzorgers in zorginstellingen beheert en die beroepsopleidingen (zoals die van de VU) accrediteert.
Ten behoeve daarvan is een toetsingskader vastgelegd, gebaseerd op boven beschreven beroepsstandaard van de VGVZ, zie hier .
Het ‘toetsingskader’ bevat een grote serie noodzakelijk aanwezige kernkwaliteiten; deels kennis, vaardigheden en houding en deels professioneel en (voor ons relevant) ambtelijk. Te veel om op te noemen, maar zeer lezenswaardig.
Verder bevat het toetsingskader een serie Beoordelingscriteria voor initiële opleidingen. Ik neem aan dat de toekomstige VU-opleiding daaraan voldoet; immers de (VU) master Geestelijke Zorg in Organisaties en de master Islamitisch geestelijk verzorger zijn al door de SKGV geaccrediteerd.
Een rijke oogst, vind ik, om boeddhistische principes aan het beroep geestelijk verzorger te koppelen.
Het is nog veel werk, dit precies te doen. Iets voor een scriptie?
4. BGV in andere landen
Ik beperk me, omdat daarover het meeste te vinden is, tot (de opleiding in) de V.S.; de bronnen heb ik nog maar oppervlakkig bekeken.
Buddhist Chaplains Network
De site van een amerikaanse netwerk van boeddhistische chaplains.
Veel pagina’s met omschrijving van wat het beroep is, vakliteratuur enzovoorts.
Buddhist chaplains
Een met bovengenoemde vergelijkbare (waarschijnlijk kleinere) organisatie. Vooral om de persoon van ene Jennifer Block, een Buddhist chaplain in San Francisco.
Van haar is een mooi artikel opgenomen over wat dit beroep in houdt: hier .
Upaya training chaplaincy
Een opleiding onder verantwoordelijkheid van de ook in Nederland bekende Joan Halifax Roshi.
De opleiding biedt “a two-year Certificated Buddhist Chaplaincy Training Program in Prison, End-of-Life-Care, Peacemaking, Youth, Women’s and Environmental Ministry. The training is open to those who wish to be ordained as Buddhist Chaplain Priests, Lay Chaplains, and also those who wish to deepen their understanding of service from the Buddhist and systems perspective.”
Niet helemaal vergelijkbaar met wat men in Nederland onder BGV verstaat, maar wel inspirerend.
Opleiding door de University of the West
Van de Rev. Danny Fisher. De universiteit biedt een opleiding tot Master of Divinity in Buddhist Chaplaincy.
“About the Program. The Buddhist Chaplaincy program provides students with the necessary knowledge and skills to excel as Buddhist practitioners working in the field of professional chaplaincy. The program is designed to meet the needs of those who wish to engage in spiritual care and counseling work and become properly trained and certified professionals. The program incorporates the requirements of the Association of Professional Chaplains (APC)”
Opleiding van het Institute voor Buddhist Studies
Ook hun opleiding tot buddhist chaplain refereert aan de eisen van bovengenoemde APC
De beroepsinhoudelijke cursus ‘buddhist chaplaincy’ is uitbesteed (als ik het goed begrijp) aan het ‘Sati Center Buddhist Chaplaincy Training Program’, zie hier .
Naropa, het beroemde (of beruchte) instituut ooit opgericht door Chögyam Trungpa biedt o.a.: “The Master of Divinity degree prepares people for professional work in the fields of pastoral care, Buddhist chaplaincy and/or interfaith chaplaincy, dharma teaching and community development. This three-year program is firmly grounded in Buddhist Studies concerning both its philosophy and its practice of meditation practice, and strongly emphasizes an interreligious approach to individual and community care, and a pluralistic view of working with life and diversity.” Zie hier.
Eén onderdeel is apart het vermelden waard: “Interfaith Pastoral Care Training — the ability to serve the spiritual and human needs of a diverse community in a ministerial/chaplaincy role while embodying the principles and practices of one’s primary tradition”.
In deze bronnen heb ik diverse flarden gevonden van boeddhistische principes die ook bruikbaar zijn voor het beroep BGV in Nederland, maar niet systematisch genoeg om daar een rijtje van te maken. Misschien iets voor een scriptie?
Als zijlijn, een voorbeeld van activistische ‘chaplains’ komt uit de Occupy-beweging in de VS verleden jaar waar ook chaplains (in opleiding) zichtbaar actief waren, zie de jizochronicles. Ik hoop dat ook in Nederland het durven uitsteken van de nek onderdeel van een BGV-opleiding zal zijn.
5. De VU-opleiding voor BGV-ers of Boeddhistische Ambtsdragers
Hierover heb ik eerder geschreven, zie hier .
Van belang is de 'Update BZI - november 2011' zoals te vinden op de website van de BUN, het stuk geaccepteerd door de BUN-ledenvergadering. Een citaat:
“Ambtsopleiding boeddhisme ...
Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.
Meer dan de bachelor/master opleiding zal deze ambtsopleiding onder toezicht komen te staan van erkende Boeddhadharmaleraren in Nederland. De VU blijft echter verantwoordelijk voor de inhoud en het niveau van het onderwijs. Afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft. Deze studenten zullen worden ingeschreven in een ambtsregister.
Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen. ...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. .... “
6. Hoe verhoudt deze intentie (waar de ledenvergadering van de BUN november 2011 zonder discussie mee ingestemd heeft) zich met de overeenkomst tussen de VU en de BZI, gesloten 31 maart 2012 ? (zie hier )
Eigenlijk komen de geciteerde punten uit de ‘Update’ van november 2011 helemaal niet aan de orde in de ‘overeenkomst’.
[Terzijde: de ‘overeenkomst’ spreekt in punt 1.2 over een “... aanvullende brief van het Bestuur van de BUN van 16 januari 2012.”; aanvullend op het – ongetekende – delegatiebesluit van 3 april 2009. Deze aanvullende brief is echter niet gepubliceerd]
Er staat bv in de overeenkomst: “1.4, De studenten van de (ambts)opleiding schrijven zich in bij de VU.”; de ‘boeddhadharmaleraren’ (ik vind het een raar en te lang woord) lijken geen rol te spelen bij deze inschrijving.
Wat er gebeurt met de afgestudeerden, komt in de overeenkomst niet aan de orde. De opvatting van de BZI (en van BUN): “afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft” komt in de overeenkomst niet voor. Dat kan ik me voorstellen: een student afhankelijk maken van de beslissing van één persoon over een paar jaar is juridisch nogal gammel; daar waagt de VU zich niet aan, denk ik.
Het toezicht van de “Boeddhadharmaleraren“ kan hoogstens vorm krijgen in de uitgebreid omschreven ‘curriculum-commissie’ maar komen daar, als ik de overeenkomst begrijp, niet expliciet in voor.
Komt er, zoals gebruikelijk is bij protestante ambtsopleidingen nog een apart ‘kerkelijk examen’ na het universitaire examen? Daarover zwijgt de overeenkomst.
Dat brengt me bij een andere vraag en een verwant thema:
7. Hoe verhoudt de intentie (van VU en BZI) voor een aldus vormgegeven ambtsopleiding zich met de intentie van de Minister van Onderwijs bij de subnsidieregeling waarvan de VU/BZI gebruik willen maken?
De 'overeenkomst' noemt de regeling (HO&S 2010/214378; juli 2010). Politiek is het bekend als Kamerstuk 31821 nr. 80. (zie hier ).
De regeling geeft als definitie “Ambtsopleidingen zijn opleidingstrajecten tot ambtsdragers of voorgangers in een geloofsovertuiging.”
Dat is merkwaardig: de ‘Update’ van de BZI uit november 2011 benadrukt nu juist dat de beoogde ambtsopleiding géén ‘voorgangers’, (het protestant-christelijke woord voor ‘leraren’) opleidt.
De vraag is dus of de gewenste opleiding wel uit de subsidieregeling van het ministerie van Onderwijs, bedoeld in de overeenkomst, gefinancierd mag en kan worden.
Al eerder heb ik het ministerie daar vragen over gesteld (zie m’n blog ) Het antwoord dat ik 27 juni 2011 ontving, luidde:
“Het antwoord op uw eerste vraag is dat er bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geen verzoek loopt voor financiering van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger. Dat maakt het antwoord op de overige vragen overbodig.
Wat betreft de informatie die u nog in uw brief verstrekt: die zal – net als de informatie die u eerder verstrekte - bij de behandeling van een eventueel verzoek om financiering in de overwegingen worden meegenomen. “
Eén van m’n vragen was en is hoeveel boeddhisten er volgens de VU er in Nederland zijn: minder dan 75 duizend, meer dan 150 duizend of daar tussen in: een aantal, bepalend voor de hoogte van de mogelijke subsidie. En zal het Ministerie de VU geloven als die – op gezag van de BZI – stelt dat er bv 170 duizend zijn?
Misschien kan het ministerie nu antwoord geven op deze vragen.
Want dit mag toch wel openbaar zijn?
8. Tot slot herhaal ik een suggestie, in februari gedaan:
Als het twijfelachtig blijft of er echt behoefte is aan expliciete boeddhistisch geestelijke verzorging in de gezondheidszorg,
en als het twijfelachtig blijft of een door de VU te starten ambtsopleiding er in 2013 kan komen,
en als het twijfelachtig blijft hoe de bestuurlijke toekomst van BUN en BZI er uit gaat zien,
zou het veel logischer zijn en minder verspilling van middelen betekenen als er een
korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de zorgsectoren werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier .
Iets voor de VU misschien?
En incidenteel kunnen dan daarnaast – net als nu – zorginstellingen boeddhistische leraren op afroep vragen geestelijke verzorging aan een van hun clienten of patiënten te geven.
Update van 20 mei
In oktober dit jaar verschijnt het (mij bekende) eerste boek specifiek gewijd aan BGV:
"The Arts of Contemplative Care", bij Wisdom Books
Synopsis:
Due October 2012. This work collects the voices of pioneers in the exciting new domain of vocational Buddhism. This anthology captures the richness and diverse practices of socially engaged Buddhism within the context of the fields of chaplaincy and ministry that until recently were dominated primarily by Judeo-Christian faith traditions. The stories in this volume reveal to the reader how the practices and concepts of the Buddhist tradition are uniquely suited to nourishing both those who give and those who receive care. This book will inspire readers to apply their spiritual practice in engaged contexts and will provide nourishment to those called to serve as caregivers.
"This inspiring collection marks the coming of age of Buddhist chaplaincy. It will be the principal handbook for such ministries in the years to come." Christopher Queen, editor Engaged Buddhism in the West.
"A must-read for caregivers - a treasure trove of practical wisdom." Fleet Maull, founder of the Prison Dharma Network and National Prison Hospice Association.
"Destined to become the core text of Buddhist chaplaincy. A radical and wise offering to the world." Noah Levine.
Zeker, er zijn een aantal stukken die over de inhoud gaan, maar betreffen slechts enkele formele aspecten.
Er is een curriculum-commissie voor de VU-opleiding maar de stukken daarvan zijn niet openbaar.
Daarom wat tastend een overzicht over wat het beroep BGV-er zou kunnen zijn en hoe de opleiding georganiseerd kan zijn. Een blog met veel vragen dus.
Het openbaar worden van de overeenkomst tussen de VU en de BZI van 31 maart jl (zie onder) is de concrete aanleiding, niet op alle antwoorden te wachten.
1. Wat is BGV?
Ik weet het niet, bij voorbaat in ieder geval omdat het iets is dat nog niet bestaat. Is het:
a. Geestelijke verzorging (g.v.) gegeven dòòr een boeddhist?
b. G.v. gegeven ààn een boeddhist?
c. G.v. volgens boeddhistische principes, door wie dan ook aan wie dan ook gegeven?
Ik vermoed dat impliciet vaak mogelijkheid c wordt bedoeld, met element van mogelijkheid a (want het gaat ook om werkgelegenheid)
Maar welke principes dan? Want de boeddhistische tradities verschillen nogal van elkaar, zeker in aspecten die g.v. raken (het gaat toch om meer principes dan die van ‘compassie’ moet ik aannemen)
En geldt dit alles zowel de BGV aan justitiabelen als aan clienten/patienten in de gezondheidszorg, want die wil de BZI ook coveren?
Wat ik tot nu toe in stukken van de BZI (of de VU) heb gelezen, geeft volstrekt geen antwoord op die vragen.
2. Waar kan je BGV-er zijn?
Als we kijken waar, door geestelijk verzorgers van andere religies/levensbeschouwingen, geestelijke verzorging wordt beoefend, dan zijn er vier plekken:
(a) Bij de DGV van het Ministerie van Veiligheid en Justitie
Er zijn sinds 2010 nu 6 parttime BGV-ers in dienst (het Hoofd BGV – Varamitra – is zelf geen geestelijk verzorger); uitbreiding is onwaarschijnlijk.
(b) Bij de krijgsmacht (het Ministerie van Defensie; zie hier)
Er zijn bij sommige beroepsboeddhisten wel eens fantasieën over BGV bij de Krijgsmacht. Ik kan daar kort over zijn: er zullen zeer weinig boeddhisten in het Nederlandse leger dienen; dat is geen probleem, en het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat Defensie er toe zal over gaan BGV-ers in dienst te nemen.
(c) Bij instellingen van gezondheidszorg
De VGVZ onderscheidt zes werkvelden waar geestelijk verzorgers werkzaam zijn: Ziekenhuizen, Verpleeg- en Verzorgingshuizen, Psychiatrie, Jeugdzorg, Verstandelijk Gehandicapten en Revalidatie.
Als we vergelijken hoeveel geestelijk verzorgers andere religies daar hebben, vergeleken met het aantal van de betreffende religie bij de DGV dan zijn dat er ongeveer vier maal zoveel.
Op deze wijze berekend zouden er enkele tientallen BGV-ers kunnen werken.
Echter: het in dienst nemen gaat in tegenstelling tot bij het Ministerie van Justitie niet centraal: ieder ziekenhuis en andere gezonheidszorgvoorziening is vrij hoeveel g.v.-ers van welke denominatie men wenst aan te nemen. En die denominatie blijkt in belang af te nemen: er wordt primair gekeken naar brede kwaliteit en inzetbaarheid. Steeds minder ook worden g.v.-ers formeel ‘gezonden’; een organisatie als de BZI is ook nauwelijks nodig. Steeds meer is accreditatie van belang (zie hieronder)
Zo zijn er nu ook al (mij bekend) g.v.-ers werkzaam in de gezondheidszorg die boeddhist zijn of daar duidelijke affiniteit mee hebben, maar formeel dominee zijn. Nu heb ik zelf helemaal niets met het Christendom maar mijn indruk is dat ze het goed doen.
Ik ken geen enkel behoefteonderzoek naar BGV in de diverse werkvelden van de gezondheidszorg
(d) Vrijgevestigde geestelijk verzorgers
Dit is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling. Over het aantal is nog niets te zeggen: er zijn er zoveel nodig als er markt voor deze ZZP-ers is. Van een zendende instantie is helemaal geen sprake, wel (althans dat is gewenst) van accreditatie, zie hieronder.
De website van de VU suggereert dat een afgestudeerde ook geestelijk verzorger in het bedrijfsleven of het onderwijs kan worden, daarover heb ik geen verdere informatie kunnen vinden.
Samenvattend:
Als in 2015 of daarna afgestudeerde boeddhistisch geestelijk verzorgers een baan zoeken, maken ze daarvoor bij gezondheidszorg-instellingen de meeste kans. Hoe groot die kans is: geen idee.
3. De eisen van de VGVZ en de SKGV
VGVZ: Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen
SKGV: Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers
Vereniging en stichting stellen eisen aan wie men geestelijk verzorger en opleider tot geestelijk verzorger wil noemen. Beide zijn onafhankelijk van levensbeschouwelijke organisaties, van overheden en van zorginstellingen. Zie hier en hier
Wat mij het proberen waard lijkt, is te kijken hoe en waar aan deze beroepseisen de bovengenoemde boeddhistische principes gekoppeld kunnen worden.
Uit de ‘beroepsstandaard’ van de VGVZ (zie hier)
“Geestelijke verzorging in en vanuit zorginstellingen is:
* de professionele en ambtshalve begeleiding van en hulpverlening aan mensen bij hun zingeving en spiritualiteit, vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging en
* de professionele advisering inzake ethische en/of levensbeschouwelijke aspecten in zorgverlening en beleidsvorming.”
Het “en spiritualiteit” is in een recente versie toegevoegd, voor het boeddhisme relevant! De toelichting daarop (pagina 9) is een aanrader. De eerste zin ervan: “Het begrip spiritualiteit verwijst naar processen van innerlijke omvorming. Spiritualiteit laat zich omschrijven met termen als bezieling, transcendentie, verbondenheid en verdieping. Spiritualiteit betreft niet alleen mensen die een bepaalde religie aanhangen. ...”
Een andere passage uit deze toelichting:
“Vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging
.... Het zal niet altijd en overal mogelijk zijn pluriformiteit optimaal te realiseren. Dit zou kunnen leiden tot versnippering van de beschikbare personeelsformatie voor geestelijke verzorging en dit komt de herkenbare aanwezigheid in en betrokkenheid bij de instelling niet ten goede. Geestelijk verzorgers zijn breed inzetbaar voor patiënten van alle levensbeschouwelijke achtergronden. Dat een geestelijk verzorger staat in dezelfde levensbeschouwelijke traditie als de patiënt kan voor de laatste een meerwaarde hebben.
Wanneer een patiënt vraagt naar een ambtsdrager van de eigen denominatie, verwijst de
geestelijk verzorger hem door naar de desbetreffende collega geestelijk verzorger in dezelfde instelling, mits deze natuurlijk beschikbaar is, of h/zij maakt zonodig afspraken over inzet en eventuele vergoeding van ambtsdragers van buiten de zorginstelling.”
Verder wordt (pag. 10) ook de rol van een geestelijk verzorger op het vlak van de ethische advisering van de zorginstelling waar zij of hij werkzaam is, genoemd. Gezien de toenemende euthanasie-discussie ook voor boeddhisten relevant.
Over de opleidingseisen (zie onder) wordt gezegd:
“Deze opleidingseisen waarborgen twee belangrijke kwaliteiten van de geestelijk verzorger; namelijk, dat deze
a. in staat is tot tweede reflectie, dat wil zeggen dat h/zij de eigen vooronderstellingen en uitgangspunten onderkent; en
b. dat h/zij breed inzetbaar is, dus ook voor mensen van andere dan de eigen levensbeschouwelijke richting.”
Over het ambtshalve karakter van dit beroep:
“De geestelijk verzorger heeft als ambtsdrager een identiteit die gelegitimeerd is door een maatschappelijk erkend levensbeschouwelijk genootschap. Die identiteit kan weliswaar worden onderscheiden, maar niet los gezien van de professionaliteit.
Voor de VGVZ is het ambtshalve aspect van belang, omdat het domein van de geestelijke
verzorging (zingeving) nooit 'neutraal' is en altijd vraagt om een positiebepaling van de geestelijk verzorger. De geestelijk verzorger heeft daarbij altijd een open houding naar andere levensbeschouwingen. Een authentieke omgang met de eigen levensbeschouwing is daarvoor noodzakelijk. Het ambt en de eigen spiritualiteit behoren zo tot het hart van de professionele identiteit.”
Ik hoop dat de BUN te zijner tijd deze en verder boven geciteerde uitspraken voor haar rekening wenst te nemen; vermoedelijk is hierop in BUN-kring tot nu toe niet gereflecteerd.
De SKGV is een onafhankelijke stichting die het beroepsregister van geestelijk verzorgers in zorginstellingen beheert en die beroepsopleidingen (zoals die van de VU) accrediteert.
Ten behoeve daarvan is een toetsingskader vastgelegd, gebaseerd op boven beschreven beroepsstandaard van de VGVZ, zie hier .
Het ‘toetsingskader’ bevat een grote serie noodzakelijk aanwezige kernkwaliteiten; deels kennis, vaardigheden en houding en deels professioneel en (voor ons relevant) ambtelijk. Te veel om op te noemen, maar zeer lezenswaardig.
Verder bevat het toetsingskader een serie Beoordelingscriteria voor initiële opleidingen. Ik neem aan dat de toekomstige VU-opleiding daaraan voldoet; immers de (VU) master Geestelijke Zorg in Organisaties en de master Islamitisch geestelijk verzorger zijn al door de SKGV geaccrediteerd.
Een rijke oogst, vind ik, om boeddhistische principes aan het beroep geestelijk verzorger te koppelen.
Het is nog veel werk, dit precies te doen. Iets voor een scriptie?
4. BGV in andere landen
Ik beperk me, omdat daarover het meeste te vinden is, tot (de opleiding in) de V.S.; de bronnen heb ik nog maar oppervlakkig bekeken.
Buddhist Chaplains Network
De site van een amerikaanse netwerk van boeddhistische chaplains.
Veel pagina’s met omschrijving van wat het beroep is, vakliteratuur enzovoorts.
Buddhist chaplains
Een met bovengenoemde vergelijkbare (waarschijnlijk kleinere) organisatie. Vooral om de persoon van ene Jennifer Block, een Buddhist chaplain in San Francisco.
Van haar is een mooi artikel opgenomen over wat dit beroep in houdt: hier .
Upaya training chaplaincy
Een opleiding onder verantwoordelijkheid van de ook in Nederland bekende Joan Halifax Roshi.
De opleiding biedt “a two-year Certificated Buddhist Chaplaincy Training Program in Prison, End-of-Life-Care, Peacemaking, Youth, Women’s and Environmental Ministry. The training is open to those who wish to be ordained as Buddhist Chaplain Priests, Lay Chaplains, and also those who wish to deepen their understanding of service from the Buddhist and systems perspective.”
Niet helemaal vergelijkbaar met wat men in Nederland onder BGV verstaat, maar wel inspirerend.
Opleiding door de University of the West
Van de Rev. Danny Fisher. De universiteit biedt een opleiding tot Master of Divinity in Buddhist Chaplaincy.
“About the Program. The Buddhist Chaplaincy program provides students with the necessary knowledge and skills to excel as Buddhist practitioners working in the field of professional chaplaincy. The program is designed to meet the needs of those who wish to engage in spiritual care and counseling work and become properly trained and certified professionals. The program incorporates the requirements of the Association of Professional Chaplains (APC)”
Opleiding van het Institute voor Buddhist Studies
Ook hun opleiding tot buddhist chaplain refereert aan de eisen van bovengenoemde APC
De beroepsinhoudelijke cursus ‘buddhist chaplaincy’ is uitbesteed (als ik het goed begrijp) aan het ‘Sati Center Buddhist Chaplaincy Training Program’, zie hier .
Naropa, het beroemde (of beruchte) instituut ooit opgericht door Chögyam Trungpa biedt o.a.: “The Master of Divinity degree prepares people for professional work in the fields of pastoral care, Buddhist chaplaincy and/or interfaith chaplaincy, dharma teaching and community development. This three-year program is firmly grounded in Buddhist Studies concerning both its philosophy and its practice of meditation practice, and strongly emphasizes an interreligious approach to individual and community care, and a pluralistic view of working with life and diversity.” Zie hier.
Eén onderdeel is apart het vermelden waard: “Interfaith Pastoral Care Training — the ability to serve the spiritual and human needs of a diverse community in a ministerial/chaplaincy role while embodying the principles and practices of one’s primary tradition”.
In deze bronnen heb ik diverse flarden gevonden van boeddhistische principes die ook bruikbaar zijn voor het beroep BGV in Nederland, maar niet systematisch genoeg om daar een rijtje van te maken. Misschien iets voor een scriptie?
Als zijlijn, een voorbeeld van activistische ‘chaplains’ komt uit de Occupy-beweging in de VS verleden jaar waar ook chaplains (in opleiding) zichtbaar actief waren, zie de jizochronicles. Ik hoop dat ook in Nederland het durven uitsteken van de nek onderdeel van een BGV-opleiding zal zijn.
5. De VU-opleiding voor BGV-ers of Boeddhistische Ambtsdragers
Hierover heb ik eerder geschreven, zie hier .
Van belang is de 'Update BZI - november 2011' zoals te vinden op de website van de BUN, het stuk geaccepteerd door de BUN-ledenvergadering. Een citaat:
“Ambtsopleiding boeddhisme ...
Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.
Meer dan de bachelor/master opleiding zal deze ambtsopleiding onder toezicht komen te staan van erkende Boeddhadharmaleraren in Nederland. De VU blijft echter verantwoordelijk voor de inhoud en het niveau van het onderwijs. Afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft. Deze studenten zullen worden ingeschreven in een ambtsregister.
Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen. ...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. .... “
6. Hoe verhoudt deze intentie (waar de ledenvergadering van de BUN november 2011 zonder discussie mee ingestemd heeft) zich met de overeenkomst tussen de VU en de BZI, gesloten 31 maart 2012 ? (zie hier )
Eigenlijk komen de geciteerde punten uit de ‘Update’ van november 2011 helemaal niet aan de orde in de ‘overeenkomst’.
[Terzijde: de ‘overeenkomst’ spreekt in punt 1.2 over een “... aanvullende brief van het Bestuur van de BUN van 16 januari 2012.”; aanvullend op het – ongetekende – delegatiebesluit van 3 april 2009. Deze aanvullende brief is echter niet gepubliceerd]
Er staat bv in de overeenkomst: “1.4, De studenten van de (ambts)opleiding schrijven zich in bij de VU.”; de ‘boeddhadharmaleraren’ (ik vind het een raar en te lang woord) lijken geen rol te spelen bij deze inschrijving.
Wat er gebeurt met de afgestudeerden, komt in de overeenkomst niet aan de orde. De opvatting van de BZI (en van BUN): “afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft” komt in de overeenkomst niet voor. Dat kan ik me voorstellen: een student afhankelijk maken van de beslissing van één persoon over een paar jaar is juridisch nogal gammel; daar waagt de VU zich niet aan, denk ik.
Het toezicht van de “Boeddhadharmaleraren“ kan hoogstens vorm krijgen in de uitgebreid omschreven ‘curriculum-commissie’ maar komen daar, als ik de overeenkomst begrijp, niet expliciet in voor.
Komt er, zoals gebruikelijk is bij protestante ambtsopleidingen nog een apart ‘kerkelijk examen’ na het universitaire examen? Daarover zwijgt de overeenkomst.
Dat brengt me bij een andere vraag en een verwant thema:
7. Hoe verhoudt de intentie (van VU en BZI) voor een aldus vormgegeven ambtsopleiding zich met de intentie van de Minister van Onderwijs bij de subnsidieregeling waarvan de VU/BZI gebruik willen maken?
De 'overeenkomst' noemt de regeling (HO&S 2010/214378; juli 2010). Politiek is het bekend als Kamerstuk 31821 nr. 80. (zie hier ).
De regeling geeft als definitie “Ambtsopleidingen zijn opleidingstrajecten tot ambtsdragers of voorgangers in een geloofsovertuiging.”
Dat is merkwaardig: de ‘Update’ van de BZI uit november 2011 benadrukt nu juist dat de beoogde ambtsopleiding géén ‘voorgangers’, (het protestant-christelijke woord voor ‘leraren’) opleidt.
De vraag is dus of de gewenste opleiding wel uit de subsidieregeling van het ministerie van Onderwijs, bedoeld in de overeenkomst, gefinancierd mag en kan worden.
Al eerder heb ik het ministerie daar vragen over gesteld (zie m’n blog ) Het antwoord dat ik 27 juni 2011 ontving, luidde:
“Het antwoord op uw eerste vraag is dat er bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geen verzoek loopt voor financiering van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger. Dat maakt het antwoord op de overige vragen overbodig.
Wat betreft de informatie die u nog in uw brief verstrekt: die zal – net als de informatie die u eerder verstrekte - bij de behandeling van een eventueel verzoek om financiering in de overwegingen worden meegenomen. “
Eén van m’n vragen was en is hoeveel boeddhisten er volgens de VU er in Nederland zijn: minder dan 75 duizend, meer dan 150 duizend of daar tussen in: een aantal, bepalend voor de hoogte van de mogelijke subsidie. En zal het Ministerie de VU geloven als die – op gezag van de BZI – stelt dat er bv 170 duizend zijn?
Misschien kan het ministerie nu antwoord geven op deze vragen.
Want dit mag toch wel openbaar zijn?
8. Tot slot herhaal ik een suggestie, in februari gedaan:
Als het twijfelachtig blijft of er echt behoefte is aan expliciete boeddhistisch geestelijke verzorging in de gezondheidszorg,
en als het twijfelachtig blijft of een door de VU te starten ambtsopleiding er in 2013 kan komen,
en als het twijfelachtig blijft hoe de bestuurlijke toekomst van BUN en BZI er uit gaat zien,
zou het veel logischer zijn en minder verspilling van middelen betekenen als er een
korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de zorgsectoren werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier .
Iets voor de VU misschien?
En incidenteel kunnen dan daarnaast – net als nu – zorginstellingen boeddhistische leraren op afroep vragen geestelijke verzorging aan een van hun clienten of patiënten te geven.
Update van 20 mei
In oktober dit jaar verschijnt het (mij bekende) eerste boek specifiek gewijd aan BGV:
"The Arts of Contemplative Care", bij Wisdom Books
Synopsis:
Due October 2012. This work collects the voices of pioneers in the exciting new domain of vocational Buddhism. This anthology captures the richness and diverse practices of socially engaged Buddhism within the context of the fields of chaplaincy and ministry that until recently were dominated primarily by Judeo-Christian faith traditions. The stories in this volume reveal to the reader how the practices and concepts of the Buddhist tradition are uniquely suited to nourishing both those who give and those who receive care. This book will inspire readers to apply their spiritual practice in engaged contexts and will provide nourishment to those called to serve as caregivers.
"This inspiring collection marks the coming of age of Buddhist chaplaincy. It will be the principal handbook for such ministries in the years to come." Christopher Queen, editor Engaged Buddhism in the West.
"A must-read for caregivers - a treasure trove of practical wisdom." Fleet Maull, founder of the Prison Dharma Network and National Prison Hospice Association.
"Destined to become the core text of Buddhist chaplaincy. A radical and wise offering to the world." Noah Levine.
woensdag 4 april 2012
Een enkeltje BUN; bijdrage aan de evaluatie als zendende instantie voor Justitie
Afgelopen februari schreef ik een aantal blogs over de boeddhistisch geestelijke verzorging (BGV), de opleiding daartoe, de rol van de BUN daarin en de evaluatie daarvan.
Sindsdien hebben m’n collega’s van http://openboeddhisme.nl veel informatie opgeduikeld en gepubliceerd over de achtergrond van de BGV bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Eén van die vondsten was dat erkenning van de BUN door Justitie en het in dienst nemen van academisch gevormde BGV-ers wettelijk gezien helemaal niet nodig was en is.
Zie als meest recente tekst .
In de reacties van lezers is er een discussie over de vraag of een universitaire opleiding (master plus ambtsopleiding) voor het goed kunnen geven van geestelijke verzorging wel nodig is. Men tendeert naar het overbodig verklaren daarvan, in plaats daarvan wordt de juiste attitude (‘het hart op de juiste plaats hebben’) doorslaggevend geacht om goed steun te kunnen bieden. In zekere zin is dat in lijn van de boeddhistische traditie dat studie, en zeker een intellectuele benadering van de Dharma, niet tot wijsheid leidt. Bijna geen van de leraren van sangha’s in Nederland heeft een academische opleiding, en zeker niet als boeddhistisch geestelijk verzorger; dat is om leraar te kunnen zijn geen probleem, en dus ook niet om in dat kader raadsman of raadsvrouw van een leerling te kunnen zijn. Maar formeel werd het dat door de eisen van Justitie – waarin hoogstwaarschijnlijk het toenmalige BUN-bestuur zelf de hand heeft gehad – wel.
Eerlijk gezegd sta ik nogal ambivalent tegenover deze opleidings-thematiek.
Aan de ene kant vind ik het zijn van geestelijk verzorger een professie waarvoor een formele opleiding hoort met als onderdeel daarin niet alleen toetsing van kennis maar ook van bekwaamheden. Daarom is het goed dat er een beroepsvereniging van geestelijk verzorgers is (de VGVZ) en kwaliteitsregister geestelijk verzorgers en opleidingen. Ik vind dus de eis van Justitie dat uiterlijk november 2011 een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar had moeten zijn, terecht. Alleen begrijp ik niet waarom de V.U. bij het voorbereiden van de start daarvan (op z’n vroegst als master september 2013, dus twee jaar te laat) gebruik gaat maken van het fenomeen ‘ambtsopleiding’, bedoeld voor dominee’s en daarmee vergelijkbare functies (ik begrijp alleen dat de V.U. denkt daarmee extra geld van het ministerie van Onderwijs te verkrijgen)
Aan de andere kant heeft de keus van Justitie en de BUN ruim drie jaar geleden om een beperkt aantal BGV-ers aan te stellen grote nadelen. Lang niet alle boeddhistische tradities en subtradities hebben daarmee iemand van de eigen cultuur als BGV-er. Het maatwerk van de wettelijke regeling uit 2002, aangepast in 2007 had veel voordelen, met name het flexibele ervan, ook boeddhisten zonder universitaire opleiding kunnen daarmee voor bepaalde gedetineerden BGV-er zijn. Waarom is dan niet van deze regeling gebruik gemaakt? Het belang van de (Directie) Dienst Geestelijke Verorging en een aantal individuele boeddhisten heeft tot een andere keus geleid: die van de noodzakelijke erkenning door Justitie van de BUN.
Juist het bestaan van allerlei organisatie- en eigen-belangen heeft een goede discussie over deze thematiek verhinderd.
De hoop was er op gevestigd dat de noodzakelijke evaluatie van de tijdelijke erkenning, zoals vastgelegd november 2008, tot verheldering zou leiden.
Deze evaluatie wordt op dit moment door het instituut KASKI uitgevoerd.
Helaas is niet duidelijk wat precies de vraagstelling bij dit onderzoek is, welke literatuur bestudeerd wordt en wie geïnterviewd wordt, ik vrees: alleen de leden van de BUN.
Dit alles als inleiding tot een brief van mij gedateerd 3 april 2012 aan het KASKI die ik hieronder weergeef. Ik heb gebruik gemaakt van vragen die kennelijk leidraad zijn van het KASKI bij hun interviews.
Aan het KASKI, t.a.v.
dr. Ton Bernts,
prof. dr. Paul van der Velde
drs. Joris Kregting
Betreft: Evaluatie boeddhistische geestelijke verzorging
Geachte heren
Hoewel ik mezelf wel had aangemeld voor een gesprek ten behoeve van de evaluatie van de ‘erkenning’ van de Boeddhistische Unie Nederland door de minister van Veiligheid en Justitie, heb ik nog geen uitnodiging van u gekregen.
Terwille van de tijd lijkt het me handzamer dat ik uw vragen schriftelijk beantwoord. Het lijkt me ook niet nodig of wenselijk deze inhoudelijke reactie via de directeur DGV van DJI te spelen.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben in totaal vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000
Het totale aantal boeddhisten in Nederland is zeer moeilijk te schatten, vermoedelijk is het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal. Ook het Commissariaat voor de Media is bij haar besluitvorming over de aanvraag van een omroeplicensie in 2009 tot een schatting van die grootteorde gekomen.
Dat betekent dat de BUN slechts zo’n zes procent van de boeddhisten in Nederland representeert. Pogingen van diverse ongebonden boeddhisten, hier verbetering in aan te brengen hebben in de periode van 2009 tot nu geen enkel effect gesorteerd.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?Vast wel, maar expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?Nee. Bij allerlei ontwikkeling staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om.
Ook in de ontwikkeling van een academische opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. lijken allerlei belangen een rol te spelen, maar de BUN is slechts toeschouwer. Overigens is er nog geen opleiding in de zin van master plus ambtsopleiding aangevraagd, slechts een zeer generieke en niet op geestelijke verzorging gerichte bachelor. Dat de BUN zich daar zorgen over maakt, is nergens uit af te leiden.
Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl/
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?Nee. Hoewel ik niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet, tot welke traditie ze behoren, is het duidelijk dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is.
Ethnische boeddhisten, met name degenen met Chinese, Vietnamese en Thaise wortels kunnen geen geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Is er voldoende aandacht voor de wensen, behoeften en respons van de boeddhistische ingeslotenen?Naar mijn inschatting niet. Zie m’n antwoord op vraag 4
Hopenlijk zijn dit bruikbare antwoorden op uw vragen
Indien u nog aanvullende informatie van mij wilt ontvangen, wil die graag proberen te geven
Hoogachtend
Joop Romeijn
....(adres)
Sindsdien hebben m’n collega’s van http://openboeddhisme.nl veel informatie opgeduikeld en gepubliceerd over de achtergrond van de BGV bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Eén van die vondsten was dat erkenning van de BUN door Justitie en het in dienst nemen van academisch gevormde BGV-ers wettelijk gezien helemaal niet nodig was en is.
Zie als meest recente tekst .
In de reacties van lezers is er een discussie over de vraag of een universitaire opleiding (master plus ambtsopleiding) voor het goed kunnen geven van geestelijke verzorging wel nodig is. Men tendeert naar het overbodig verklaren daarvan, in plaats daarvan wordt de juiste attitude (‘het hart op de juiste plaats hebben’) doorslaggevend geacht om goed steun te kunnen bieden. In zekere zin is dat in lijn van de boeddhistische traditie dat studie, en zeker een intellectuele benadering van de Dharma, niet tot wijsheid leidt. Bijna geen van de leraren van sangha’s in Nederland heeft een academische opleiding, en zeker niet als boeddhistisch geestelijk verzorger; dat is om leraar te kunnen zijn geen probleem, en dus ook niet om in dat kader raadsman of raadsvrouw van een leerling te kunnen zijn. Maar formeel werd het dat door de eisen van Justitie – waarin hoogstwaarschijnlijk het toenmalige BUN-bestuur zelf de hand heeft gehad – wel.
Eerlijk gezegd sta ik nogal ambivalent tegenover deze opleidings-thematiek.
Aan de ene kant vind ik het zijn van geestelijk verzorger een professie waarvoor een formele opleiding hoort met als onderdeel daarin niet alleen toetsing van kennis maar ook van bekwaamheden. Daarom is het goed dat er een beroepsvereniging van geestelijk verzorgers is (de VGVZ) en kwaliteitsregister geestelijk verzorgers en opleidingen. Ik vind dus de eis van Justitie dat uiterlijk november 2011 een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar had moeten zijn, terecht. Alleen begrijp ik niet waarom de V.U. bij het voorbereiden van de start daarvan (op z’n vroegst als master september 2013, dus twee jaar te laat) gebruik gaat maken van het fenomeen ‘ambtsopleiding’, bedoeld voor dominee’s en daarmee vergelijkbare functies (ik begrijp alleen dat de V.U. denkt daarmee extra geld van het ministerie van Onderwijs te verkrijgen)
Aan de andere kant heeft de keus van Justitie en de BUN ruim drie jaar geleden om een beperkt aantal BGV-ers aan te stellen grote nadelen. Lang niet alle boeddhistische tradities en subtradities hebben daarmee iemand van de eigen cultuur als BGV-er. Het maatwerk van de wettelijke regeling uit 2002, aangepast in 2007 had veel voordelen, met name het flexibele ervan, ook boeddhisten zonder universitaire opleiding kunnen daarmee voor bepaalde gedetineerden BGV-er zijn. Waarom is dan niet van deze regeling gebruik gemaakt? Het belang van de (Directie) Dienst Geestelijke Verorging en een aantal individuele boeddhisten heeft tot een andere keus geleid: die van de noodzakelijke erkenning door Justitie van de BUN.
Juist het bestaan van allerlei organisatie- en eigen-belangen heeft een goede discussie over deze thematiek verhinderd.
De hoop was er op gevestigd dat de noodzakelijke evaluatie van de tijdelijke erkenning, zoals vastgelegd november 2008, tot verheldering zou leiden.
Deze evaluatie wordt op dit moment door het instituut KASKI uitgevoerd.
Helaas is niet duidelijk wat precies de vraagstelling bij dit onderzoek is, welke literatuur bestudeerd wordt en wie geïnterviewd wordt, ik vrees: alleen de leden van de BUN.
Dit alles als inleiding tot een brief van mij gedateerd 3 april 2012 aan het KASKI die ik hieronder weergeef. Ik heb gebruik gemaakt van vragen die kennelijk leidraad zijn van het KASKI bij hun interviews.
Aan het KASKI, t.a.v.
dr. Ton Bernts,
prof. dr. Paul van der Velde
drs. Joris Kregting
Betreft: Evaluatie boeddhistische geestelijke verzorging
Geachte heren
Hoewel ik mezelf wel had aangemeld voor een gesprek ten behoeve van de evaluatie van de ‘erkenning’ van de Boeddhistische Unie Nederland door de minister van Veiligheid en Justitie, heb ik nog geen uitnodiging van u gekregen.
Terwille van de tijd lijkt het me handzamer dat ik uw vragen schriftelijk beantwoord. Het lijkt me ook niet nodig of wenselijk deze inhoudelijke reactie via de directeur DGV van DJI te spelen.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben in totaal vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000
Het totale aantal boeddhisten in Nederland is zeer moeilijk te schatten, vermoedelijk is het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal. Ook het Commissariaat voor de Media is bij haar besluitvorming over de aanvraag van een omroeplicensie in 2009 tot een schatting van die grootteorde gekomen.
Dat betekent dat de BUN slechts zo’n zes procent van de boeddhisten in Nederland representeert. Pogingen van diverse ongebonden boeddhisten, hier verbetering in aan te brengen hebben in de periode van 2009 tot nu geen enkel effect gesorteerd.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?Vast wel, maar expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?Nee. Bij allerlei ontwikkeling staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om.
Ook in de ontwikkeling van een academische opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. lijken allerlei belangen een rol te spelen, maar de BUN is slechts toeschouwer. Overigens is er nog geen opleiding in de zin van master plus ambtsopleiding aangevraagd, slechts een zeer generieke en niet op geestelijke verzorging gerichte bachelor. Dat de BUN zich daar zorgen over maakt, is nergens uit af te leiden.
Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl/
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?Nee. Hoewel ik niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet, tot welke traditie ze behoren, is het duidelijk dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is.
Ethnische boeddhisten, met name degenen met Chinese, Vietnamese en Thaise wortels kunnen geen geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Is er voldoende aandacht voor de wensen, behoeften en respons van de boeddhistische ingeslotenen?Naar mijn inschatting niet. Zie m’n antwoord op vraag 4
Hopenlijk zijn dit bruikbare antwoorden op uw vragen
Indien u nog aanvullende informatie van mij wilt ontvangen, wil die graag proberen te geven
Hoogachtend
Joop Romeijn
....(adres)
vrijdag 24 februari 2012
De vertaling van de evaluatie van de BUN
Op 13 februari schreef ik in m’n blog : “Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (...). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.” Deze stelling wil ik hier toelichten.
Op de Kaski-website staat:
Het functioneren van de ... BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger
In de vergelijking hieronder noem ik deze vier de nieuwe criteria.
Licht ingekort zegt de ‘Erkenningsovereenkomst’, in artikel 2 :
Lid 3 - “Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden
van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap,
alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische
geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.”
Het tweede deel van deze passage is ‘vertaald’ in het 2e nieuwe criterium genoemd ‘aanbod’. Aan alle justitiabelen, benadrukt de ‘Overeenkomst’ dus ook aan ethnische boeddhisten door iemand die hun achtergrond goed kent en hun rituelen beheerst.
Lid 4 - “De representativiteit van de BUN, als bedoeld in
het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1
genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria :
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen
die de BUN vertegenwoordigt;
b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect
van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;
c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;
d. de toegankelijkheid .... ”
Al deze punten a t/m d worden zeer kort door de bocht samengevat met het woord ‘representativiteit’ als 1e nieuwe criterium. Ik mag aannemen dat de Kaski in haar onderzoek al de vier aspecten meeneemt. Daarbij vraag ik speciaal het feit van belang dat de BUN alleen en uitsluitend boeddhisten aangeslotenen bij haar leden representeert; alle andere boeddhisten (mogelijk het tienvoudige van de aangeslotenen) worden expliciet niet gerepresenteerd. Het ‘expliciete’ zit in het feit dat de BUN juist met dit doel haar statuten in 2009 heeft gewijzigd. De discussie over zogeheten ‘ongebonden boeddhisten’ zeurt bij de BUN nu al jaren door.
Het 3e nieuwe criterium, ‘functioneren als zendende instantie' vindt geen basis in de Erkenningsovereenkomst. Het lijkt mij nietszeggend; er zijn inderdaad een aantal boeddhistisch geestelijk verzorgers door Justitie in dienst genomen; of wordt er meer bedoeld? Van het ‘zenden’ naar andere sectoren dan Justitie (bv de gezondheidszorg of krijgsmacht) is geen sprake.
Tot slot nog een opmerking over het 4e nieuwe criterium ‘beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger’. In de ‘Erkenningsovereenkomst’ staat het iets stelliger:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is. “
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.
Maar hopenlijk is mijn argwaan overdreven en kan de “deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten” (ik citeer het Kaski) met behulp waarvan het Kaski gaat evalueren, een betrouwbaar resultaat opleveren.
Ik heb al vast twee vragen (in m’n eigen vragenlijst):
- Wie heeft eigenlijk de voorwaarden van de Erkenningseenoverkomst ‘vertaald’ in de nieuwe criteria: Justitie of het Kaski ?
- Het is bij dit type onderzoek zeer gebruikelijk dat een begeleidingscommissie wordt ingesteld waarin mensen van het ministerie van Veiligheid en Justitie (bv van de DGV en de DJI) zitten en die een advies aan de staatssecretaris Teeven opstelt over de definitieve erkenningen, op basis van de conclusies van de evaluatie. Is dat zo en wie zitten er in? In dit geval zou het onjuist zijn als ook vertegenwoordigers van BUN/BZI en Hindoeraad in zo’n commissie zouden zitten: die zijn al te belanghebbend
Op de Kaski-website staat:
Het functioneren van de ... BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger
In de vergelijking hieronder noem ik deze vier de nieuwe criteria.
Licht ingekort zegt de ‘Erkenningsovereenkomst’, in artikel 2 :
Lid 3 - “Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden
van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap,
alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische
geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.”
Het tweede deel van deze passage is ‘vertaald’ in het 2e nieuwe criterium genoemd ‘aanbod’. Aan alle justitiabelen, benadrukt de ‘Overeenkomst’ dus ook aan ethnische boeddhisten door iemand die hun achtergrond goed kent en hun rituelen beheerst.
Lid 4 - “De representativiteit van de BUN, als bedoeld in
het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1
genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria :
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen
die de BUN vertegenwoordigt;
b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect
van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;
c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;
d. de toegankelijkheid .... ”
Al deze punten a t/m d worden zeer kort door de bocht samengevat met het woord ‘representativiteit’ als 1e nieuwe criterium. Ik mag aannemen dat de Kaski in haar onderzoek al de vier aspecten meeneemt. Daarbij vraag ik speciaal het feit van belang dat de BUN alleen en uitsluitend boeddhisten aangeslotenen bij haar leden representeert; alle andere boeddhisten (mogelijk het tienvoudige van de aangeslotenen) worden expliciet niet gerepresenteerd. Het ‘expliciete’ zit in het feit dat de BUN juist met dit doel haar statuten in 2009 heeft gewijzigd. De discussie over zogeheten ‘ongebonden boeddhisten’ zeurt bij de BUN nu al jaren door.
Het 3e nieuwe criterium, ‘functioneren als zendende instantie' vindt geen basis in de Erkenningsovereenkomst. Het lijkt mij nietszeggend; er zijn inderdaad een aantal boeddhistisch geestelijk verzorgers door Justitie in dienst genomen; of wordt er meer bedoeld? Van het ‘zenden’ naar andere sectoren dan Justitie (bv de gezondheidszorg of krijgsmacht) is geen sprake.
Tot slot nog een opmerking over het 4e nieuwe criterium ‘beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger’. In de ‘Erkenningsovereenkomst’ staat het iets stelliger:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is. “
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.
Maar hopenlijk is mijn argwaan overdreven en kan de “deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten” (ik citeer het Kaski) met behulp waarvan het Kaski gaat evalueren, een betrouwbaar resultaat opleveren.
Ik heb al vast twee vragen (in m’n eigen vragenlijst):
- Wie heeft eigenlijk de voorwaarden van de Erkenningseenoverkomst ‘vertaald’ in de nieuwe criteria: Justitie of het Kaski ?
- Het is bij dit type onderzoek zeer gebruikelijk dat een begeleidingscommissie wordt ingesteld waarin mensen van het ministerie van Veiligheid en Justitie (bv van de DGV en de DJI) zitten en die een advies aan de staatssecretaris Teeven opstelt over de definitieve erkenningen, op basis van de conclusies van de evaluatie. Is dat zo en wie zitten er in? In dit geval zou het onjuist zijn als ook vertegenwoordigers van BUN/BZI en Hindoeraad in zo’n commissie zouden zitten: die zijn al te belanghebbend
woensdag 22 februari 2012
Een voorbereidende vervolgopleiding boeddhisme
Een maand geleden schreef ik over de bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme die de VU vanaf september dit jaar gaat geven (zie hier).
Daarin schreef ik o.a. “Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme. Informatie daarover moet nog komen”
Die informatie is er nu, maar zeer summier. Sinds een paar dagen staat op de website van de VU wat de "premaster specialisatie boeddhisme" in houdt.
De inhoud van deze pagina, het jaarprogramma dus, is:
Periode 1 - Godsdienstfilosofie 6EC
Periode 2 - Drie tradities 1: Theravada 6EC
Periode 3 - Wetenschapsfilosofie van de religie 3EC
Periode 4 - Drie tradities 2: Mahayana/ Chan-Zen
Periode 5 - Drie tradities 3: Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme 6EC
Periode 6 - Premasterthese 3EC
Meer informatie heb ik niet kunnen vinden, ook niet over welke vooropleiding vereist is om tot deze premaster toegang te hebben. De link naar “Meer informatie over inschrijving“ op de volgende pagina [werkte op 22 februari nog niet, de 29e inmiddels wel maar geeft over de premaster boeddhisme geen nadere informatie].
Ter vergelijking, bij de premaster Islam staat er:
"Voor toelating tot de Master Theology and Religious Studies, Islamitische Geestelijke Zorg (IGZ) en Verdieping Islam (VI) geldt aanvullend op het premasterprogramma Arabisch (21EC) en koranrecitatie en memorisatie (9EC) als ingangseis. Toelating geschiedt via een geschiktheidcommissie"
Zou iets vergelijkbaars ook niet voor de premaster boeddhisme moeten gelden?
Dat wil zeggen, het kunnen reciteren van boeddhistische geschriften in hun oorspronkelijke taal (Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans) is niet zo zinvol in het Westen. Maar enige kennis ervan mag toch wel worden verondersteld?
Het is een seculiere opleiding, dus het boeddhist zijn (bijvoorbeeld het ‘Toevlucht’ hebben genomen) mag geen eis zijn, maar het van binnenuit iets ervaren hebben van de beoefening is toch niet teveel gevraagd?
Over een ‘geschiktheidscommissie’ voor toelating tot de premaster boeddhisme heb ik het maar niet, want wie zou daar (“in Boeddha’s naam”) in moeten zitten?
En dan de inhoud van de premaster.
Het onderscheid in de drie tradities (Theravada, Mahayana en Vajrayana) is nogal standaard. Maar moet er ook niet apart aandacht worden besteed aan wat “Westers boeddhisme” wordt genoemd? Want al is dat in feite een allegaartje, het wel overwegend het in Nederland reeel bestaande boeddhisme.
En wat wordt bedoeld met “Mahayana/ Chan-Zen”? Omdat er onder staat “Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme” vrees ik dat het gelezen moet worden als: “Chan/Zen” is een ander woord voor “Mahayana”. Andere vormen van Mahayana, zoals bijvoorbeeld beoefend door in Nederland wonende Chinezen, krijgen dan geen aandacht.
Vragen, vragen
Maar de belangrijkste vraag is toch wel: waartoe leidt deze premaster? (‘Waartoe’, een bekende VU-vraag)
Op de website van de VU is geen enkele informatie te vinden over een master boeddhisme die in september 2013 zou gaan starten. Informeel, d.w.z. in een soort persbericht over de bachelor-voorlichtingsdag afgelopen 11 februari zegt de VU: “Tijdens deze voorlichting zal je, naast ... , geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Omdat het daadwerkelijk beschikbaar zijn van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger medebelissend is voor het wel of wel erkennen van de BUN door het ministerie van Justitie (de voorlopige erkenning wordt op dit moment geëvalueerd, zie hier) een nogal urgente vraag.
Helaas heeft de BZI haar toezegging “Vanuit de BZI zullen we eenieder de komende tijd nauwgezet op de hoogte blijven houden van de komende ontwikkelingen betreffende dit alles” van november 2011 niet waargemaakt.
Toch nog een vervolgvraag. Stel dat de master (plus ambtsopleiding) boeddhistisch geestelijk verzorger er september 2013 zou komen, wie zou daar dan toegelaten kunnen worden? Degenen die de premaster hebben gevolgd uiteraard. Maar verder? Afgestudeerden van de bachelor boeddhisme zijn er op z’n vroegst zomer 2015.
Eigenlijk zou het een veel meer organische ontwikkeling zijn als die master in 2015 gaat starten, maar ja die eis van Justitie, die lijkt nogal dominant....
Toch, los van die druk van de overheid, zou het geen tijdverlies zijn als die master pas in 2015 start. In die tijd zou nagedacht kunnen worden over de vraag wat boeddhistisch geestelijk verzorging eigenlijk is; of zou moeten zijn, want in de oorspronkelijke Aziatische vorm van het boeddhisme bestaat die functie eigenlijk niet. In het Westen is er wel wat ervaring met ‘buddhist chaplaincy’, maar een vertaalslag naar de Nederlandse situatie moet nog gemaakt worden; ik heb tenminste niet één inhoudelijke tekst daarover gelezen.
En die tijd zou besteed kunnen worden met het uitvoeren van een onderzoek naar boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsecor; die zou op z’n minst uit twee delen moeten bestaan
- Hoeveel van de bewoners/cliënten/patiënten in de zorgsector zijn boeddhist of hebben in sterke mate affiniteit tot het boeddhisme? En tot welke traditie behoren ze, of zijn ze traditieloos?
- Hoeveel van hen wil persé geestelijke verzorging door een boeddhist, door een BGVer?
Het zou weleens kunnen dat dat laatste getal nogal klein is; men wil waarschijnlijk kwaliteit, persoonlijke betrokkenheid en een niet-dogmatische (religieuze) attitude van de geestelijk verzorger. In dat geval zou het veel logischer zijn en minder verspilling van overheidsmiddelen betekenen als er een korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de sector werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier.
Iets voor de VU misschien?
PS
Een maand geleden, na het uitkomen van mijn boven genoemde blog, heb ik de voorzitter van de BZI gevraagd of er feitelijke onjuistheden in die tekst stonden. In dat geval zou ik uiteraard corrigeren, schreef ik. Op deze mail heb ik echter geen reactie ontvangen.
Daarin schreef ik o.a. “Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme. Informatie daarover moet nog komen”
Die informatie is er nu, maar zeer summier. Sinds een paar dagen staat op de website van de VU wat de "premaster specialisatie boeddhisme" in houdt.
De inhoud van deze pagina, het jaarprogramma dus, is:
Periode 1 - Godsdienstfilosofie 6EC
Periode 2 - Drie tradities 1: Theravada 6EC
Periode 3 - Wetenschapsfilosofie van de religie 3EC
Periode 4 - Drie tradities 2: Mahayana/ Chan-Zen
Periode 5 - Drie tradities 3: Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme 6EC
Periode 6 - Premasterthese 3EC
Meer informatie heb ik niet kunnen vinden, ook niet over welke vooropleiding vereist is om tot deze premaster toegang te hebben. De link naar “Meer informatie over inschrijving“ op de volgende pagina [werkte op 22 februari nog niet, de 29e inmiddels wel maar geeft over de premaster boeddhisme geen nadere informatie].
Ter vergelijking, bij de premaster Islam staat er:
"Voor toelating tot de Master Theology and Religious Studies, Islamitische Geestelijke Zorg (IGZ) en Verdieping Islam (VI) geldt aanvullend op het premasterprogramma Arabisch (21EC) en koranrecitatie en memorisatie (9EC) als ingangseis. Toelating geschiedt via een geschiktheidcommissie"
Zou iets vergelijkbaars ook niet voor de premaster boeddhisme moeten gelden?
Dat wil zeggen, het kunnen reciteren van boeddhistische geschriften in hun oorspronkelijke taal (Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans) is niet zo zinvol in het Westen. Maar enige kennis ervan mag toch wel worden verondersteld?
Het is een seculiere opleiding, dus het boeddhist zijn (bijvoorbeeld het ‘Toevlucht’ hebben genomen) mag geen eis zijn, maar het van binnenuit iets ervaren hebben van de beoefening is toch niet teveel gevraagd?
Over een ‘geschiktheidscommissie’ voor toelating tot de premaster boeddhisme heb ik het maar niet, want wie zou daar (“in Boeddha’s naam”) in moeten zitten?
En dan de inhoud van de premaster.
Het onderscheid in de drie tradities (Theravada, Mahayana en Vajrayana) is nogal standaard. Maar moet er ook niet apart aandacht worden besteed aan wat “Westers boeddhisme” wordt genoemd? Want al is dat in feite een allegaartje, het wel overwegend het in Nederland reeel bestaande boeddhisme.
En wat wordt bedoeld met “Mahayana/ Chan-Zen”? Omdat er onder staat “Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme” vrees ik dat het gelezen moet worden als: “Chan/Zen” is een ander woord voor “Mahayana”. Andere vormen van Mahayana, zoals bijvoorbeeld beoefend door in Nederland wonende Chinezen, krijgen dan geen aandacht.
Vragen, vragen
Maar de belangrijkste vraag is toch wel: waartoe leidt deze premaster? (‘Waartoe’, een bekende VU-vraag)
Op de website van de VU is geen enkele informatie te vinden over een master boeddhisme die in september 2013 zou gaan starten. Informeel, d.w.z. in een soort persbericht over de bachelor-voorlichtingsdag afgelopen 11 februari zegt de VU: “Tijdens deze voorlichting zal je, naast ... , geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Omdat het daadwerkelijk beschikbaar zijn van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger medebelissend is voor het wel of wel erkennen van de BUN door het ministerie van Justitie (de voorlopige erkenning wordt op dit moment geëvalueerd, zie hier) een nogal urgente vraag.
Helaas heeft de BZI haar toezegging “Vanuit de BZI zullen we eenieder de komende tijd nauwgezet op de hoogte blijven houden van de komende ontwikkelingen betreffende dit alles” van november 2011 niet waargemaakt.
Toch nog een vervolgvraag. Stel dat de master (plus ambtsopleiding) boeddhistisch geestelijk verzorger er september 2013 zou komen, wie zou daar dan toegelaten kunnen worden? Degenen die de premaster hebben gevolgd uiteraard. Maar verder? Afgestudeerden van de bachelor boeddhisme zijn er op z’n vroegst zomer 2015.
Eigenlijk zou het een veel meer organische ontwikkeling zijn als die master in 2015 gaat starten, maar ja die eis van Justitie, die lijkt nogal dominant....
Toch, los van die druk van de overheid, zou het geen tijdverlies zijn als die master pas in 2015 start. In die tijd zou nagedacht kunnen worden over de vraag wat boeddhistisch geestelijk verzorging eigenlijk is; of zou moeten zijn, want in de oorspronkelijke Aziatische vorm van het boeddhisme bestaat die functie eigenlijk niet. In het Westen is er wel wat ervaring met ‘buddhist chaplaincy’, maar een vertaalslag naar de Nederlandse situatie moet nog gemaakt worden; ik heb tenminste niet één inhoudelijke tekst daarover gelezen.
En die tijd zou besteed kunnen worden met het uitvoeren van een onderzoek naar boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsecor; die zou op z’n minst uit twee delen moeten bestaan
- Hoeveel van de bewoners/cliënten/patiënten in de zorgsector zijn boeddhist of hebben in sterke mate affiniteit tot het boeddhisme? En tot welke traditie behoren ze, of zijn ze traditieloos?
- Hoeveel van hen wil persé geestelijke verzorging door een boeddhist, door een BGVer?
Het zou weleens kunnen dat dat laatste getal nogal klein is; men wil waarschijnlijk kwaliteit, persoonlijke betrokkenheid en een niet-dogmatische (religieuze) attitude van de geestelijk verzorger. In dat geval zou het veel logischer zijn en minder verspilling van overheidsmiddelen betekenen als er een korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de sector werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier.
Iets voor de VU misschien?
PS
Een maand geleden, na het uitkomen van mijn boven genoemde blog, heb ik de voorzitter van de BZI gevraagd of er feitelijke onjuistheden in die tekst stonden. In dat geval zou ik uiteraard corrigeren, schreef ik. Op deze mail heb ik echter geen reactie ontvangen.
maandag 13 februari 2012
De evaluatie van de BUN is begonnen
Het KASKI, expertisecentrum over religie en samenleving, verbonden met de Radboud Universiteit Nijmegen, gaat op verzoek van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de evaluatie van de BUN ter hand nemen.
Dit blijkt uit een recent bericht op hun website :
Evaluatie hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging
Enkele jaren geleden heeft de Minister van Justitie de Hindoe Raad Nederland (HRN) en de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) erkend als zendende instanties die verantwoordelijk zijn voor de hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging bij de Dienst Geestelijke Verzorging (DGV). Deze erkenningovereenkomsten kennen na twee jaar een evaluatiemoment. Het Kaski is door de DGV gevraagd beide evaluaties uit te voeren. Indien uit deze evaluaties blijkt dat het functioneren van de HRN en de BUN voldoende is, worden de overeenkomsten omgezet naar onbepaalde tijd.
Het functioneren van de HRN en de BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger.
Het onderzoek zal worden uitgevoerd door middel van deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. Ton Bernts, prof. dr. Paul van der Velde (hoogleraar Aziatische Religies, met name Hindoeïsme en Boeddhisme) en drs. Joris Kregting.
De twee onderzoeken worden uitgevoerd in de periode februari tot en met mei.
Een puntsgewijs eerste kommentaar op deze mededeling, ik kom er ongetwijfeld op terug:
Goed dat deze evaluatie nu plaats gaat vinden en dat het publiekelijk wordt bekend gemaakt.
De keus van het instituut KASKI lijkt me een goede.
Dat de BUN en de Hindoeraad (als zendende instanties) tegelijk worden geëvalueerd heeft wel nadelen; de twee 'religies' vertonen wel enige verwantschap maar sociologisch zijn het hindoeisme in Nederland en het boeddhisme in Nederland nauwelijks met elkaar te vergelijken.
Dat in het tweede criterium alleen 'hindoeistische verzorging' wordt genoemd, is een slordigheid van Justitie, neem ik aan.
Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (zie hieronder). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.
Artikel 2 van de 24 november 2008 door de minister van Justitie en de BUN-voorzitter getekende Erkenningovereenkomst
1. De erkenning geschiedt voor een periode van drie jaar vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst en eindigt van rechtswege. Na twee jaar zal de Minister van Justitie het functioneren van de BUN als zendende instantie evalueren.
2. Na drie jaar zal bij positieve uitkomst van de evaluatie de overeenkomst voor onbepaalde tijd worden voortgezet, tenzij de uitkomsten uit de evaluatie de Minister aanleiding geven om deze overeenkomst voor een bepaalde periode te verlengen
3. Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap, alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.
4. De representativiteit van de BUN, als bedoeld in het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen die de BUN vertegenwoordigt;
b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;
c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;
d. de toegankelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de BUN openstaat voor een aanvraag van een boeddhistische organisatie die lid wil worden van de BUN, mits de organisatie een substantiële en representatieve boeddhistische stroming vertegenwoordigt en indien de organisatie bereid en in staat isbinnen het kader van de toepasselijke wet- en regelgeving, bij te dragen aan de taken van de Dienst Geestelijke Verzorging. De statuten van de BUN bevatten een procedure voor de aansluiting bij de BUN.
5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.
Dit blijkt uit een recent bericht op hun website :
Evaluatie hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging
Enkele jaren geleden heeft de Minister van Justitie de Hindoe Raad Nederland (HRN) en de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) erkend als zendende instanties die verantwoordelijk zijn voor de hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging bij de Dienst Geestelijke Verzorging (DGV). Deze erkenningovereenkomsten kennen na twee jaar een evaluatiemoment. Het Kaski is door de DGV gevraagd beide evaluaties uit te voeren. Indien uit deze evaluaties blijkt dat het functioneren van de HRN en de BUN voldoende is, worden de overeenkomsten omgezet naar onbepaalde tijd.
Het functioneren van de HRN en de BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger.
Het onderzoek zal worden uitgevoerd door middel van deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. Ton Bernts, prof. dr. Paul van der Velde (hoogleraar Aziatische Religies, met name Hindoeïsme en Boeddhisme) en drs. Joris Kregting.
De twee onderzoeken worden uitgevoerd in de periode februari tot en met mei.
Een puntsgewijs eerste kommentaar op deze mededeling, ik kom er ongetwijfeld op terug:
Goed dat deze evaluatie nu plaats gaat vinden en dat het publiekelijk wordt bekend gemaakt.
De keus van het instituut KASKI lijkt me een goede.
Dat de BUN en de Hindoeraad (als zendende instanties) tegelijk worden geëvalueerd heeft wel nadelen; de twee 'religies' vertonen wel enige verwantschap maar sociologisch zijn het hindoeisme in Nederland en het boeddhisme in Nederland nauwelijks met elkaar te vergelijken.
Dat in het tweede criterium alleen 'hindoeistische verzorging' wordt genoemd, is een slordigheid van Justitie, neem ik aan.
Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (zie hieronder). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.
Artikel 2 van de 24 november 2008 door de minister van Justitie en de BUN-voorzitter getekende Erkenningovereenkomst
1. De erkenning geschiedt voor een periode van drie jaar vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst en eindigt van rechtswege. Na twee jaar zal de Minister van Justitie het functioneren van de BUN als zendende instantie evalueren.
2. Na drie jaar zal bij positieve uitkomst van de evaluatie de overeenkomst voor onbepaalde tijd worden voortgezet, tenzij de uitkomsten uit de evaluatie de Minister aanleiding geven om deze overeenkomst voor een bepaalde periode te verlengen
3. Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap, alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.
4. De representativiteit van de BUN, als bedoeld in het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen die de BUN vertegenwoordigt;
b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;
c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;
d. de toegankelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de BUN openstaat voor een aanvraag van een boeddhistische organisatie die lid wil worden van de BUN, mits de organisatie een substantiële en representatieve boeddhistische stroming vertegenwoordigt en indien de organisatie bereid en in staat isbinnen het kader van de toepasselijke wet- en regelgeving, bij te dragen aan de taken van de Dienst Geestelijke Verzorging. De statuten van de BUN bevatten een procedure voor de aansluiting bij de BUN.
5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.
zaterdag 28 januari 2012
Boeddhisme opleidingen bij de VU vanaf september Informatie en kommentaar
Op zaterdag 11 februari heeft de Vrije Universiteit (VU) een voorlichtingdag waar VWO-ers die mogelijk in september 2012 bij de VU willen gaan studeren. Zie hier
Elders las ik hier over: "Indien je meer wilt weten over deze boeiende opleiding , bezoek dan de voorlichtingsronde van 10.00-10.45 op de Bachelorvoorlichtingsdag, welke plaats vindt op 11 februari aan de Vrije Universiteit. Schrijf je in op www.vu.nl/bachelorvoorlichtingsdag."
Eén van de opleidingsvormen – een nieuwe – is bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme.
Op de website van de faculteit der Godgeleerdheid staat daarover onder andere het volgende:
“De bachelor-opleiding Religie en Levensbeschouwing traject Boeddhisme concentreert zich op de verschillende boeddhistische tradities die vanuit Azië naar het Westen zijn gekomen, vanuit de context van hun ontmoeting met de moderniteit, en hun dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities.
Deze bachelor-opleiding is een combinatie van boeddhistische vakken en seculiere religiestudie-vakken. Je leert niet alleen om religies met elkaar te vergelijken vanuit een wetenschappelijk perspectief, maar ook om tot een doorleefde verdieping van verschillende boeddhistische tradities te komen. Vanuit die verdieping kun je vervolgens als academisch gevormde boeddhisme-deskundige bijdrage aan de verdere integratie van het boeddhisme in de Nederlandse samenleving, en vanuit het boeddhisme meedenken over spirituele oplossingen voor maatschappelijke problemen in Nederland en daarbuiten.
Jouw profiel: Je wordt geraakt door het boeddhisme, hebt misschien al eens kennisgemaakt met meditatie, en zou je graag meer verdiepen in de diverse boeddhistische tradities. Je vindt het belangrijk om kennis te maken met de bronteksten uit die tradities. Je wilt begrijpen hoe ‘religie’ werkt. Je wilt het boeddhisme doordenken en in praktijk brengen in de huidige Europese context.”
En vervolgens:
“ Zo is de opleiding ingedeeld
In het eerste jaar van de bachelor wordt er een begin gemaakt met het bestuderen van de drie belangrijkste boeddhistische tradities: theravada, zen en Tibetaans boeddhisme. Daarnaast zijn er de algemene religiestudie-vakken zoals religietheorieën en inleiding sociale wetenschappen, christendom, en geschiedenis van de filosofie. Het tweede jaar bouwt daarop voort met vakken over het lezen van klassieke boeddhistische teksten, naast algemene vakken zoals godsdienstfilosofie, antropologie van de religie, en godsdienstfenomenologie. Het derde jaar is voor de helft een vrije ruimte, de zogenaamde minor (thema: India en het Westen). In de tweede helft is er tijd voor verdiepingsvakken als (boeddhistische) ethiek, terwijl het derde jaar uitloopt op het schrijven van je bachelor-scriptie over een zelfgekozen onderwerp.”
Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme.
Informatie daarover moet nog komen.
[Op 31 januari nagekomen bericht van André van der Braak: "Overigens kunnen geïnteresseerden in de pre-master ook op 11 februari komen, ze hoeven niet te wachten tot 17 maart."]
==========================================================================
Tot zover de feitelijke informatie die ik op verzoek van André van der Braak, de pas benoemde bijzonder hoogleraar boeddhisme, op dit boeddhisme blog zet.
Op persoonlijke titel wat kommentaar op deze ontwikkeling:
Met deze aangekondigde opleidingen komt een groot aantal institutionele belangen bij elkaar:
1. De VU dat graag het landelijk centrum van (de studie van) de interreligieuze dialoog wil worden en na de Islam - en uiteraard het Protestantisme - nu ook het boeddhisme heeft binnengehaald, en kennelijk ook een het hindoeisme. Een compleet kwartet dus.
2. De Stichting Nicolaas Pierson en 'hun' hoogleraar Andre van der Braak die tegelijk geïntegreerd is geraakt in de VU en de doelstelling van de Stichting voor een deel kan realiseren, althans in de vorm van geven van college's. Dat doel is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, het geven ‘onderwijs’ maar vooral ook ‘onderzoek’ en dialoog van het boeddhisme met andere religies (zie noot *).
3. De BZI als verlengde van de BUN die, als Justitie er tenminste genoegen mee neemt want het is nog geen echte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger (zie noot **), kan zeggen dat nu aan de erkenningseis van Justitie is voldaan en niets meer de definitieve erkenningsovereenkomst kan tegenhouden (nou, niets ....de relevantie van de BUN zelf was ook een voorwaarde).
4. Het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf die nu zelf ook een kwartet levensbeschouwelijke richtingen in hun GV-pakket heeft. Een dubbelkwartet zelfs als ik goed tel.
Twee belangen ontbreken in dit rijtje maar die zijn dan ook een stuk minder institutioneel:
5. Die van de studenten - jonge boeddhisten (of misschien jonge ‘andersdenkenden’ met belangstelling voor het boeddhisme) die nu een mooi vak kunnen gaan doen, weliswaar met een zeer onzeker betaald-beroepsperspectief.
6. Die van oude(re) boeddhisten en degenen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme, verblijvend in zorgvoorzieningen die straks ook boeddhistische geestelijke verzorging kunnen krijgen, als ze daar behoefte aan hebben en als die betaalbaar is tenminste.
Ik noem gedetineerden die graag BGV willen niet, want daarvoor heeft Justitie al voldoende mensen in dienst en uitbreiding lijkt niet nodig. Ook noem ik GV in de Krijgsmacht niet want daar werken nauwelijks boeddhisten, is mijn indruk, in ieder geval is het boeddhisme daar geen erkende levensbeschouwing, en dat moet maar zo blijven, is mijn persoonlijke mening.
Hoe verhouden deze belangen zich ten opzichte van elkaar ?
Voor degenen die (als geestelijk verzorger) in organisaties gaat werken, en dus ook voor degenen die daarvoor gaan studeren, is het goed het krachtenveld te begrijpen waarin men verkeert.
Dit is eveneens voor besluitvormers binnen elk van bovengenoemde instituties met belangen relevant.
Tenslotte: voor mij als boeddhist en buitenstaander is transparantie en zuiverheid in praten en handelen een centraal punt.
Een paar punten:
Het belang van de Nicolaas Pierson Stichting en prof. van der Braak (#2) valt – in mijn visie – niet samen met dat van de faculteit Godgeleerdheid van de VU (#1). Van der Braak is bijzonder hoogleraar met een bijzondere opdracht en het kan toch niet zo zijn dat een hele VU-opleiding op deze bijzonder hoogleraar leunt ?
Voorzover de belangen van de VU en van der Braak (namelijk het onderzoek en onderwijs van het boeddhisme in relatie tot andere religies) overlappen (1# en 2#), moeten ze uitsluitend ten dienste staan van de studenten en van (nogal abstract) de interreligieuze discussie. Andere institutionele belangen (3# en 4# bijvoorbeeld) mogen daarbij geen rol spelen !
Lang niet alle studenten van de komende bachelor zullen de ambitie hebben, boeddhistisch geestelijk verzorger te worden. Ook andere beroepen of functies als vrijwilliger worden genoemd. Toch zal ik het in deze blog over de geestelijke verzorging hebben omdat dat de sector is waarin ik me heb verdiept. Voor hen geldt: de opleidingen die in september gaan starten, vormen de basis voor de opleiding tot geestelijk verzorger.
Het belang van BZI en BUN op dit moment is dat het beschikbaar zijn van een opleiding voorwaarde is voor de erkenning van de BUN en het voortbestaan van de BZI. Zie voor de details hieronder.
In hoeverre de belangen van Justitie (3#) en BUN/BZI (4#) overlappen is in deze beschouwing wat buiten de orde; persoonlijk denk ik dat de BZI zich de afgelopen jaren – wat betreft geestelijke verzorging aan gedetineerden - te sterk met Justitie geïdentificeerd heeft.
Tenslotte de objecten van geestelijke verzorging, hierboven als #6 aangeduid.
Daarvan is niet zoveel bekend. Er zijn vast wel bewoners van zorginstellingen (van langdurige zorg) en patiënten in ziekenhuizen die het liefst geestelijke verzorging door een boeddhist krijgen. Maar hoeveel en welk soort (gesprek, samen doen van rituelen, meditatie, algemeen boeddhistisch of volgens een specifieke traditie), daar is niets van bekend.
Het lijkt me een goed idee dat een onderzoek naar deze behoefte wordt gedaan; niet een snel marketing-onderzoek maar de diepte in. Zelfs de grootte-orde is onbekend: zijn er tien nodig of vijftig ... ?
Boeddhistische geestelijke verzorging dient uiteraard betrouwbaar te zijn, een instrument daarvoor is een geaccrediteerde opleiding van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Een master van de VU is dat, zie de webpagina .
Interessant is ook het toetsingskader bij deze accreditatie in de pdf : je moet wel kennen en kunnen als geestelijk verzorger in een zorginstelling!
===========================================================================
Noot *
Uit de advertentie van de VU, mei 2011
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken."
Noot **
Een eis van (toen nog) het ministerie van Justitie bij het voorlopig erkennen van de BUN in november 2008 luidde: “Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.”
De periode van drie jaar is met een paar maanden verlengd; ik vermoed omdat niet tijdig de evaluatie kon worden voltooid waarin duidelijk moesten of was voldaan aan bovengenoemde eis en die van de representativiteit van de BUN (wat betreft breedheid van de overkoepeling; effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland; continuïteit en stabiliteit van de BUN; en de toegankelijkheid).
Ik vermoed dat met de bachelor zoals hierboven beschreven nog niet is voldaan aan de eis van Justitie. Dat vermoeden baseer ik op eerdere uitlatingen over een nog komende ambtsopleiding boeddhisme.
Opvallend is dat op de website van de VU geen informatie is te vinden over deze te starten ambtsopleiding boeddhisme waarover het bestuur van de BZI begin november 2011 de leden van de BUN berichtte:
“... Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.”
Als ik de onderwijssystematiek goed begrijp volgen de master en de ambtsopleiding na de door de VU nu bekend gemaakte bachelor en de erop volgende pre-master. Inhoever opleidingen in hetzelfde jaar gecombineerd kunnen worden, weet ik niet.
De BZI-notitie vervolgt met: “Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen.
...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. ... Door hun vertrouwdheid met zowel de traditioneel boeddhistische context als die van het moderne leven zullen boeddhistische chaplains in staat zijn vernieuwing en traditie in het juiste licht te plaatsen en te voorzien in een in de samenleving levende behoefte aan kennis over het boeddhisme die zowel in de boeddhistische praktijk als het academische denken geworteld is.
De huidige stand van zaken is, dat vanuit de VU eind november een subsidieaanvraag zal worden ingediend bij het ministerie van OCW voor de eenjarige postdoctorale ambtsopleiding.
...
Indien de subsidie daadwerkelijk door OCW wordt verleend, zal de opleiding in september 2012 aan de VU van start kunnen gaan. “
Of de VU daadwerkelijkheid eind verleden jaar deze aanvraag bij OCW heeft ingediend en of – indien dit het geval is – OCW daarover al positief gaat beslissen (dat wordt belist geen hamerstuk, is mijn inschatting), is niet bekend. Hopenlijk wordt deze duidelijkheid binnen een paar maanden gegeven.
Op de via de website van de BUN te bereiken pagina staat:
“Tijdens deze voorlichting (van de VU, op 11 februari dus, zie boven) zal je (de aanstaande student dus), naast de praktische informatie en een minicollege over de bachelor opleiding, ook geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Deze informatie heb ik niet op de website van de VU gevonden. Mogelijk is het wat voorbarig; minstens betekent het een jaar uitstel ten opzichte van de hierboven geciteerde informatie van november 2011.
Als ik meer gegevens krijg, geef ik (Joop Romeijn dus, nogmaals: dit alles schrijvend op persoonlijke titel) dat op deze blog door.
Elders las ik hier over: "Indien je meer wilt weten over deze boeiende opleiding , bezoek dan de voorlichtingsronde van 10.00-10.45 op de Bachelorvoorlichtingsdag, welke plaats vindt op 11 februari aan de Vrije Universiteit. Schrijf je in op www.vu.nl/bachelorvoorlichtingsdag."
Eén van de opleidingsvormen – een nieuwe – is bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme.
Op de website van de faculteit der Godgeleerdheid staat daarover onder andere het volgende:
“De bachelor-opleiding Religie en Levensbeschouwing traject Boeddhisme concentreert zich op de verschillende boeddhistische tradities die vanuit Azië naar het Westen zijn gekomen, vanuit de context van hun ontmoeting met de moderniteit, en hun dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities.
Deze bachelor-opleiding is een combinatie van boeddhistische vakken en seculiere religiestudie-vakken. Je leert niet alleen om religies met elkaar te vergelijken vanuit een wetenschappelijk perspectief, maar ook om tot een doorleefde verdieping van verschillende boeddhistische tradities te komen. Vanuit die verdieping kun je vervolgens als academisch gevormde boeddhisme-deskundige bijdrage aan de verdere integratie van het boeddhisme in de Nederlandse samenleving, en vanuit het boeddhisme meedenken over spirituele oplossingen voor maatschappelijke problemen in Nederland en daarbuiten.
Jouw profiel: Je wordt geraakt door het boeddhisme, hebt misschien al eens kennisgemaakt met meditatie, en zou je graag meer verdiepen in de diverse boeddhistische tradities. Je vindt het belangrijk om kennis te maken met de bronteksten uit die tradities. Je wilt begrijpen hoe ‘religie’ werkt. Je wilt het boeddhisme doordenken en in praktijk brengen in de huidige Europese context.”
En vervolgens:
“ Zo is de opleiding ingedeeld
In het eerste jaar van de bachelor wordt er een begin gemaakt met het bestuderen van de drie belangrijkste boeddhistische tradities: theravada, zen en Tibetaans boeddhisme. Daarnaast zijn er de algemene religiestudie-vakken zoals religietheorieën en inleiding sociale wetenschappen, christendom, en geschiedenis van de filosofie. Het tweede jaar bouwt daarop voort met vakken over het lezen van klassieke boeddhistische teksten, naast algemene vakken zoals godsdienstfilosofie, antropologie van de religie, en godsdienstfenomenologie. Het derde jaar is voor de helft een vrije ruimte, de zogenaamde minor (thema: India en het Westen). In de tweede helft is er tijd voor verdiepingsvakken als (boeddhistische) ethiek, terwijl het derde jaar uitloopt op het schrijven van je bachelor-scriptie over een zelfgekozen onderwerp.”
Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme.
Informatie daarover moet nog komen.
[Op 31 januari nagekomen bericht van André van der Braak: "Overigens kunnen geïnteresseerden in de pre-master ook op 11 februari komen, ze hoeven niet te wachten tot 17 maart."]
==========================================================================
Tot zover de feitelijke informatie die ik op verzoek van André van der Braak, de pas benoemde bijzonder hoogleraar boeddhisme, op dit boeddhisme blog zet.
Op persoonlijke titel wat kommentaar op deze ontwikkeling:
Met deze aangekondigde opleidingen komt een groot aantal institutionele belangen bij elkaar:
1. De VU dat graag het landelijk centrum van (de studie van) de interreligieuze dialoog wil worden en na de Islam - en uiteraard het Protestantisme - nu ook het boeddhisme heeft binnengehaald, en kennelijk ook een het hindoeisme. Een compleet kwartet dus.
2. De Stichting Nicolaas Pierson en 'hun' hoogleraar Andre van der Braak die tegelijk geïntegreerd is geraakt in de VU en de doelstelling van de Stichting voor een deel kan realiseren, althans in de vorm van geven van college's. Dat doel is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, het geven ‘onderwijs’ maar vooral ook ‘onderzoek’ en dialoog van het boeddhisme met andere religies (zie noot *).
3. De BZI als verlengde van de BUN die, als Justitie er tenminste genoegen mee neemt want het is nog geen echte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger (zie noot **), kan zeggen dat nu aan de erkenningseis van Justitie is voldaan en niets meer de definitieve erkenningsovereenkomst kan tegenhouden (nou, niets ....de relevantie van de BUN zelf was ook een voorwaarde).
4. Het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf die nu zelf ook een kwartet levensbeschouwelijke richtingen in hun GV-pakket heeft. Een dubbelkwartet zelfs als ik goed tel.
Twee belangen ontbreken in dit rijtje maar die zijn dan ook een stuk minder institutioneel:
5. Die van de studenten - jonge boeddhisten (of misschien jonge ‘andersdenkenden’ met belangstelling voor het boeddhisme) die nu een mooi vak kunnen gaan doen, weliswaar met een zeer onzeker betaald-beroepsperspectief.
6. Die van oude(re) boeddhisten en degenen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme, verblijvend in zorgvoorzieningen die straks ook boeddhistische geestelijke verzorging kunnen krijgen, als ze daar behoefte aan hebben en als die betaalbaar is tenminste.
Ik noem gedetineerden die graag BGV willen niet, want daarvoor heeft Justitie al voldoende mensen in dienst en uitbreiding lijkt niet nodig. Ook noem ik GV in de Krijgsmacht niet want daar werken nauwelijks boeddhisten, is mijn indruk, in ieder geval is het boeddhisme daar geen erkende levensbeschouwing, en dat moet maar zo blijven, is mijn persoonlijke mening.
Hoe verhouden deze belangen zich ten opzichte van elkaar ?
Voor degenen die (als geestelijk verzorger) in organisaties gaat werken, en dus ook voor degenen die daarvoor gaan studeren, is het goed het krachtenveld te begrijpen waarin men verkeert.
Dit is eveneens voor besluitvormers binnen elk van bovengenoemde instituties met belangen relevant.
Tenslotte: voor mij als boeddhist en buitenstaander is transparantie en zuiverheid in praten en handelen een centraal punt.
Een paar punten:
Het belang van de Nicolaas Pierson Stichting en prof. van der Braak (#2) valt – in mijn visie – niet samen met dat van de faculteit Godgeleerdheid van de VU (#1). Van der Braak is bijzonder hoogleraar met een bijzondere opdracht en het kan toch niet zo zijn dat een hele VU-opleiding op deze bijzonder hoogleraar leunt ?
Voorzover de belangen van de VU en van der Braak (namelijk het onderzoek en onderwijs van het boeddhisme in relatie tot andere religies) overlappen (1# en 2#), moeten ze uitsluitend ten dienste staan van de studenten en van (nogal abstract) de interreligieuze discussie. Andere institutionele belangen (3# en 4# bijvoorbeeld) mogen daarbij geen rol spelen !
Lang niet alle studenten van de komende bachelor zullen de ambitie hebben, boeddhistisch geestelijk verzorger te worden. Ook andere beroepen of functies als vrijwilliger worden genoemd. Toch zal ik het in deze blog over de geestelijke verzorging hebben omdat dat de sector is waarin ik me heb verdiept. Voor hen geldt: de opleidingen die in september gaan starten, vormen de basis voor de opleiding tot geestelijk verzorger.
Het belang van BZI en BUN op dit moment is dat het beschikbaar zijn van een opleiding voorwaarde is voor de erkenning van de BUN en het voortbestaan van de BZI. Zie voor de details hieronder.
In hoeverre de belangen van Justitie (3#) en BUN/BZI (4#) overlappen is in deze beschouwing wat buiten de orde; persoonlijk denk ik dat de BZI zich de afgelopen jaren – wat betreft geestelijke verzorging aan gedetineerden - te sterk met Justitie geïdentificeerd heeft.
Tenslotte de objecten van geestelijke verzorging, hierboven als #6 aangeduid.
Daarvan is niet zoveel bekend. Er zijn vast wel bewoners van zorginstellingen (van langdurige zorg) en patiënten in ziekenhuizen die het liefst geestelijke verzorging door een boeddhist krijgen. Maar hoeveel en welk soort (gesprek, samen doen van rituelen, meditatie, algemeen boeddhistisch of volgens een specifieke traditie), daar is niets van bekend.
Het lijkt me een goed idee dat een onderzoek naar deze behoefte wordt gedaan; niet een snel marketing-onderzoek maar de diepte in. Zelfs de grootte-orde is onbekend: zijn er tien nodig of vijftig ... ?
Boeddhistische geestelijke verzorging dient uiteraard betrouwbaar te zijn, een instrument daarvoor is een geaccrediteerde opleiding van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Een master van de VU is dat, zie de webpagina .
Interessant is ook het toetsingskader bij deze accreditatie in de pdf : je moet wel kennen en kunnen als geestelijk verzorger in een zorginstelling!
===========================================================================
Noot *
Uit de advertentie van de VU, mei 2011
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken."
Noot **
Een eis van (toen nog) het ministerie van Justitie bij het voorlopig erkennen van de BUN in november 2008 luidde: “Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.”
De periode van drie jaar is met een paar maanden verlengd; ik vermoed omdat niet tijdig de evaluatie kon worden voltooid waarin duidelijk moesten of was voldaan aan bovengenoemde eis en die van de representativiteit van de BUN (wat betreft breedheid van de overkoepeling; effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland; continuïteit en stabiliteit van de BUN; en de toegankelijkheid).
Ik vermoed dat met de bachelor zoals hierboven beschreven nog niet is voldaan aan de eis van Justitie. Dat vermoeden baseer ik op eerdere uitlatingen over een nog komende ambtsopleiding boeddhisme.
Opvallend is dat op de website van de VU geen informatie is te vinden over deze te starten ambtsopleiding boeddhisme waarover het bestuur van de BZI begin november 2011 de leden van de BUN berichtte:
“... Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.”
Als ik de onderwijssystematiek goed begrijp volgen de master en de ambtsopleiding na de door de VU nu bekend gemaakte bachelor en de erop volgende pre-master. Inhoever opleidingen in hetzelfde jaar gecombineerd kunnen worden, weet ik niet.
De BZI-notitie vervolgt met: “Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen.
...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. ... Door hun vertrouwdheid met zowel de traditioneel boeddhistische context als die van het moderne leven zullen boeddhistische chaplains in staat zijn vernieuwing en traditie in het juiste licht te plaatsen en te voorzien in een in de samenleving levende behoefte aan kennis over het boeddhisme die zowel in de boeddhistische praktijk als het academische denken geworteld is.
De huidige stand van zaken is, dat vanuit de VU eind november een subsidieaanvraag zal worden ingediend bij het ministerie van OCW voor de eenjarige postdoctorale ambtsopleiding.
...
Indien de subsidie daadwerkelijk door OCW wordt verleend, zal de opleiding in september 2012 aan de VU van start kunnen gaan. “
Of de VU daadwerkelijkheid eind verleden jaar deze aanvraag bij OCW heeft ingediend en of – indien dit het geval is – OCW daarover al positief gaat beslissen (dat wordt belist geen hamerstuk, is mijn inschatting), is niet bekend. Hopenlijk wordt deze duidelijkheid binnen een paar maanden gegeven.
Op de via de website van de BUN te bereiken pagina staat:
“Tijdens deze voorlichting (van de VU, op 11 februari dus, zie boven) zal je (de aanstaande student dus), naast de praktische informatie en een minicollege over de bachelor opleiding, ook geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Deze informatie heb ik niet op de website van de VU gevonden. Mogelijk is het wat voorbarig; minstens betekent het een jaar uitstel ten opzichte van de hierboven geciteerde informatie van november 2011.
Als ik meer gegevens krijg, geef ik (Joop Romeijn dus, nogmaals: dit alles schrijvend op persoonlijke titel) dat op deze blog door.
Abonneren op:
Posts (Atom)