Posts tonen met het label BUN. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BUN. Alle posts tonen

zaterdag 5 mei 2012

Ditjes en datjes, Brian Victoria en de VU; BOSbestuurders, BoeddhaMagazine, SVB en BUN

Wat diverse korte berichten, kommentaren en aankondigingen

Brian Victoria 4 juni in Amsterdam
De website van de faculteit Godgeleerdheid van de V.U. bevat een vooraankondiging van een (engelstalige) lezing van Brian Victoria over Daisetz Suzuki. Te houden op 4 juni; het is een vooraankondiging, tijd en plaats (ik denk: het V.U.-gebouw) staan nog niet vermeld. Dat komt waarschijnlijk nog.
Brian Victoria, hier aangekondigd als professor and Soto priester, is vooral bekend door zijn boek ´Zen at war´, waarin hij als een van de eersten de deelname van sommige vooraanstaande Zen-meesters aan Japanse oorlogsmisdaden beschreef en benoemde. Zie Bol.com
Nog steeds is (in mijn strenge Theravada-opvatting) het Zen-boeddhisme, ook in Nederland, wat gemakzuchtig als het gaat om de persoonlijke ethiek. Zo zegt een hedendaags sensei `In absolute zin heeft zen niets met ethiek te maken. Vanuit het absolute perspectief gezien - vanuit de onbepaaldheid van de ervaring - is er geen slachtoffer, geen dader en geen daad. Er is alleen maar dit: dit precies zoals het is, zo, open, onbepaald en ononderscheiden. Als er geen daad is, dan is er ook geen ethiek.´ In relatieve zin heeft zen wel met ethiek te maken, zo vervolgt hij, maar eerlijk gezegd begrijp ik niet veel van dat betoog (zie hier).

Hoe zit het met de master-opleiding bij de VU? En is die straks nog relevant?
Mogelijk en hopenlijk deelt de Faculteit der Godgeleerdheid ook gelijk snel mee of ze echt in september 2013 wil gaan starten met de opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger, in de vorm van een master plus ambtsopleiding. Heeft de faculteit daartoe al een aanvraag bij het ministerie van Onderwijs gedaan, bestaat het potje voor het financieren van ambtsopleidingen eigenlijk nog wel?
Zonder die ambtsopleiding blijven de september dit jaar startende bachelor en pre-master in de lucht hangen.
En komt die opleiding er toch als over een maand zou blijken dat het ministerie van Justitie en de BUN er geen behoefte meer aan hebben? De besluitvorming over het KASKI-onderzoek is immers nogal ongewis. Zie mijn blog uit april en een serie publikaties in *openboeddhisme* over deze evaluatie.

De Boeddhistische Omroep Stichting en een niet-autonoom bestuur
De BOS zoekt leden voor haar Algemeen Bestuur, zo vermeld de BOS-website deze week:
Met deze advertentie is wat merkwaardigs aan de hand.
Alleen het begin al: `De BOS is een omroep op levensbeschouwelijke grondslag die voor een breed publiek toegevoegde waarde wil bieden door op een niet-dogmatische manier te inspireren en informeren over boeddhistische thema’s en inzichten.`
Doordat er niets in staat over het feit dat de BUN de houder is van de zendmachtiging en niets over het feit dat de BOS door de minister gedwongen is te fuseren met, of eigenlijk: op te gaan in, de VPRO of de NTR, wordt ten onrechte de indruk van een autonome omroepstichting gewekt.
Dat de relatie met de zieltogende BUN niet wordt genoemd, is een lang bestaand gebrek, maar ook de opgelegde opheffing van de BOS als zelfstandige stichting blijft ongenoemd. Zie mijn eerdere blog daarover.
En dan de missie van de BOS: ´toegevoegde waarde ... bieden´. Welke waarden zijn er dan en wat wordt daar dan aan toegevoegd? Het is een leeg economistisch taalgebruik. En met de kijkers-luisteraars ´informeren over boeddhistische themas´ wordt het moeten zijn van een boeddhistische omroep wel heel minimalistisch ingevuld.
Ik ben benieuwd wat voor een type boeddhisten naar deze bestuursfuncties gaan reflecteren.
Pikant is ook dat tegelijkertijd de directeur van de IKON (ook een 2.42-omroep) is vertrokken, als gevolg van de fusie van de IKON met NCRV/KRO/RKK.

BoeddhaMagazine, de blog
Na een aankondiging en een probeersel begin februari van dit jaar is eind april een nieuw blog actief geworden: boeddhamagazine.wordpress.com; zie hier.
Tot nu toe hebben twee schrijfsters bijdragen geleverd: Connie Franssen (die achteloos, al te achteloos, Peter Sloterdijk citeert) en Moniek Zuidema (die een blog als een lang twitter-bericht ziet).
Dorine Esser en Frank Uyttebroeck fungeren als coaches, gezien het twitterverkeer tussen hen en de schrijfsters.
Ik weet nog niet precies wat ik aan dit blog heb.
Wie gaan er allemaal in schrijven?
En wat is precies de relatie met BoeddhaMagazine, het blad? Komen de twee media naast elkaar of gaat het blog het blad (op den duur) vervangen? Moet er gezien de relatie met Asoka ook geen geld mee verdiend worden, op den duur? Op de website van ´Boeddha Magazine´, d.w.z. de website van Asoka, d.w.z. de website van Milinda Uitgevers, wordt er niet naar dit blog verwezen. Komt misschien nog.
Wordt het ook een beetje journalistiek, of blijft het alleen persoonlijke expressie-verhalen bevatten?
Desalniettemin: hartelijk welkom in de blogosfeer.

En is er ook een relatie met De Verlichting? Een ander volgens de geruchten aangekondigd internet-magazine, ook met wortels in het blad Vorm&Leegte?
[Nagekomen, in de recente Nieuwsbrief van de BUN-voorzitter van vandaag lees ik:
Het Boeddhistisch Dagblad
Er is opnieuw een initiatief tot een nieuw digitaal platform over boeddhisme. Joop Hoek, tot voor kort auteur van BoeddhaMagazine, en mede-initiatiefnemer Maarten Barckhof, communicatie-specialist, hopen eind mei het eerste nummer Boeddhistisch Dagblad gereed te hebben. De journalistieke redactieformule van dit digitale tijdschrift is op boeddhistische leefregels als het juiste spreken geschoeid.

De naam is dus geworden http://boeddhistischdagblad.nl/ en niet De Verlichting
Als het eerste nummer uit komt, bespreek ik het ongetwijfeld, en juist]

De Stichting Vrienden van het Boeddhisme (SVB)
Van bevriende zijde (ik ben zelf geen donateur meer) hoorde ik dat het bestuur van de SVB dit voorjaar een brief aan haar donateurs heeft gestuurd.
De SVB ziet (definitief ?) af van het organiseren van halfjaarlijkse studiedagen, tot een jaar jaar geleden de belangrijkste functie van deze stichting (waarvan ik nog een korte tijd bestuurslid ben geweest).
De functie van de SVB is nu feitelijk nog alleen, het ‘subsidiëren' (in dit geval een wat merkwaardige term) van Asoka bij het uitgeven van vertalingen van de Pali Canon, vertalingen door Rob Janssen en Jan de Breet, bestuursleden van de SVB.
Verder participeert men, met de BUN, in een werkgroep die een ‘Nederlands Boeddhistisch Archief’ gaat oprichten.
SVB en BUN hebben wat mij betreft nog een gemeenschappelijkheid: twijfel over de zin van hun bestaan; en eigenlijk al geen twijfel meer.

Vers van de pers: het eindrapport van de (BUN)Werkgroep Lotusbloem is uit
Het rapport is openbaar en is sinds 9 mei (in geupdate versie) tevens te vinden in de nieuwsrubriek van Boeddhisme.nl, zie hier
Ik ga het eerst maar eens lezen. En kom er ongetwijfeld op terug.

donderdag 12 april 2012

Mooie rol voor ex-BUN-voorzitter in Islam debat Maar zijn boeddhisten echt zo lief en tolerant?

Een paar weken geleden is een rapport van de Universiteit van Amsterdam uitgebracht met als titel
Religie, binding en polarisatie.
De reacties van de leiding van levensbeschouwelijke organisaties op islamkritische uitingen
.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Het rapport is hier te downloaden.
Het onderzoek is overigens in de eerste helft van 2011 uitgevoerd want als voorzitter van de BUN wordt nog onbekommerd Richard de Jongh genoemd, en die was van januari tot begin augustus van dat jaar voorzitter.

Ik citeer uit het persbericht van de UvA ( hier )
“Levensbeschouwelijke organisaties in Nederland doen niet mee aan de polarisatie rond moslims en de islam. In reactie op islamkritiek en anti-islamitische uitingen hebben de mainstream islamitische, christelijke en joodse organisaties de banden aangehaald. ... Vellenga en Wiegers onderzochten hoe de leiding van levensbeschouwelijke organisaties reageerden op islamkritische uitingen en welke factoren van invloed zijn geweest op deze reacties. Vijf islamkritische of anti-islamitische uitingen staan centraal in het onderzoek: de film Submission (2004), de Deense cartoonaffaire (2005 - 2006), de film Fitna (2008), de film An Interview with Mohammed (2008) en het Zwitserse minarettenverbod (2009). Vellenga en Wiegers deden onderzoek onder 21 landelijke levensbeschouwelijke organisaties in Nederland: tien islamitische, vijf christelijke, drie joodse, een hindoeïstische, een boeddhistische en een humanistische."

Mij interesseert uiteraard het deel van het rapport (paragraaf 5.3 op pagina 192-197) over de boeddhistische organisatie. De BUN dus.
Het blijkt dat alleen één ex-voorzitter van de BUN is geïnterviewd (“V” zal ik hem noemen omdat het me voor komt dat teveel roem niet goed voor hem of haar is) is die van 2007 tot begin 2009 voorzitter was en aan het eind van die periode ambtenaar bij het ministerie van Justitie werd.
De missie van die voorzitter was het om – naar eigen zeggen - het boeddhisme “maatschappelijk te verankeren.” (pagina 192) Zo hoor je nog eens wat.
Op basis van citaten van V wordt een kenschets gegeven van wat het (Westerse) boeddhisme is, een nogal persoonlijke selectie, vind ik.
Dat geldt ook de analyse. Ik heb de verslagen van de ledenvergaderingen van de BUN uit de betreffende periode gelezen, en hun Nieuwsbrieven, ze bevatten slechts summiere informatie over deze maatschappelijke verankering en over het met minister Hirsch Ballin aan de tafel zitten van de BUN-leider in 2008. Als het rapport dus zegt “Er zijn geen aanwijzingen in het interview met V voor de stelling dat er van binnenuit of van buitenaf (sterke) druk op de leiding van de BUN is uitgeoefend om op een bepaalde manier te reageren op de betreffende islamkritische uitingen” (pagina 196), dan denk ik: logisch, vrijwel geen boeddhist wist dat de leiding van de BUN met het thema Islamkritiek bezig was.
Ook wordt meegedeeld: “Hoewel de BUN-leiding niet gereageerd heeft op de geselecteerde uitingen van islamkritiek, heeft V daarover wel een opvatting."(pagina 195) En dan volgt een serie persoonlijke opvattingen zoals “... de moeite met het “gesloten wereldbeeld” zoals dat onder bijvoorbeeld orthodox-gereformeerden in Nederland aantreft” (pagina 196).
Volgens mij is het onjuist dat deze ex-voorzitter, toen al Justitie-ambtenaar, deze persoonlijke opvattingen ter berde bracht in het interview.


Hieronder geef ik de samenvatting (door de onderzoekers) van het hoofdstuk 5.3 over de BUN
Op dit rapport wil ik enig kommentaar geven

(1) In zekere zin wordt achteraf door de voormalige ‘leiding van de BUN’ verantwoording afgelegd over dit beleid. Grote problemen heb ik er niet mee. Gezien de haatgevoelens van de film ‘Fitna’ en de heftige reacties die ze opriep in 2008, kan ik me de vredestichtende rol van de BUN wel voorstellen.

(2) De eerste zinnen van de samenvatting vind ik te kort door de bocht. We weten helemaal niet of de “de aangesloten boeddhistische verbanden verdeeld” waren of zouden zijn geweest over bedoelde “islamkritische uitingen”; in het openbaar reageren is had m.i. het BUN-bestuur best kunnen doen. Raar vind ik ook dat dat de ex-voorzitter openbaarheid niet in het belang van de BUN-leden achtte.

(3) Het hele hoofdstuk (dat is: het interview) bevestigt de populaire visie dat het boeddhisme buitengewoon tolerant is ten opzichte van andere religies en ook buitengewoon vredelievend en vredestichtend is.
Het is fijn als boeddhist om zo waargenomen te worden. Maar klopt het ook?
Die vraag moet ik op twee niveaus beantwoorden:
(a) Op het niveau van de leer, de Dharma.
In alle boeddhistische tradities wordt – voorzover ik weet – vredelievendheid en non-agressie gepreekt.
Maar tolerantie ten aanzien van andere religies of zelfs ten aanzien van andere boeddhistische tradities is toch maar beperkt. De Boeddha bestrijdt (zeker in de Pali Canon) onjuiste visies met grote stelligheid en duidelijkheid want die brengen degene die daarin gelooft, niet tot ‘Ontwaken’. En sommige Mahayana-teksten zijn soms ronduit beledigend voor wat ze Hinayana noemen. Ook hoor ik wel eens over het elkaar bestrijden van Tibetaans-boeddhistische scholen.
(b) Op het niveau van de politiek.
In het Westen en zeker in Nederland is het boeddhisme geen politieke factor van enige betekenis. Maar in Aziatische landen wel en daar wordt wel degelijk machtspolitiek gevoerd door boeddhistische regimes die bepaald niet (alleen) gebaseerd zijn op principes als vredelievendheid en tolerantie. Soms met expliciete steun van monniken, zoals in Sri Lanka. Een ander voorbeeld: Bhutan.
En zelfs in en om onze eigen Nederlandse BUN is er wel machtsstrijd: niets menselijk is ons (boeddhisten) vreemd.

(4) Wat vindt het Boeddhisme (liever gezegd: ‘een boeddhist') eigenlijk van de Islam? Los dus van de politieke en soms gewapende strijd in landen als Thailand (met een islamitische minderheid in het zuiden van het land), puur als religie dus?
Mijn indruk is dat de meeste autochtone boeddhisten in Nederland er eenvoudigweg geen mening over hebben, of hoogstens vaag dezelfde mening als vergelijkbare niet-boeddhisten uit dezelfde maatschappelijke en culturele klasse (blank, goed opgeleid). Anders en à la Geert Wilders gezegd: het zijn geen “Henken en Ingrids”, het zijn nogal wereldburgers. Dat ze dus vaag-tolerante opvattingen hebben in de trant van ‘leven en laten leven’, maar ook ‘ver van m’n bed’..
En hoe de allochtone boeddhisten in Nederland (bv Chinezen en Thai) over de Islam denken, daar weet ik helemaal niets van, niemand volgens mij.
Bijna alle autochtone boeddhisten hebben zichzelf als (jong)volwassene tot boeddhist bekeerd, of tot iemand met affiniteit tot het boeddhisme zoals velen graag zeggen. Daar is wel enige religie-vergelijking aan voorafgegaan dus, moet ik aannemen, bij mij was dat in ieder geval wel zo.
Stel nou dat zo’n boeddhist de Islam puur als religie bekijkt, zou dat hem of haar aanspreken? Ik denk het niet, afgezien dan van de mystieke stromingen binnen de Islam, zoals de Soefi.
Christenen en moslims kunnen mogelijk hun religies zinvol met elkaar vergelijken, daarvoor zijn er genoeg aanknopingspunten. Maar die tussen Boeddhisme en de Islam zie ik nauwelijks.
Is dat erg? Misschien wel voor degenen die vinden dat alles één is. Niet voor wie accepteert dat er verschillen zijn die ook best als (onoverbrugbare) verschillen benoemd mogen worden.


Samenvatting en verbanden [pagina 197 van het rapport]
Op de vijf islamkritische uitingen die in dit onderzoek centraal staan, is door de BUN-leiding niet openbaar gereageerd. Zij zag dit niet als haar taak of in het belang van haar leden. Over dergelijke kwesties zijn de aangesloten boeddhistische verbanden verdeeld. Wel heeft de BUN zich in de context van het negatieve klimaat over de islam in Nederland aangesloten bij de inter-levensbeschouwelijke verbanden van de jaarlijkse Prinsjesdagviering en In Vrijheid Verbonden waarbinnen ze contact heeft met vertegenwoordigers van islamitische organisaties. Ook werkt ze graag samen met de stichting Islam & Dialoog. In naam van de BUN heeft V deelgenomen aan het Fitna-beraad van de ministers Hirsch Ballin en Vogelaar met vertegenwoordigers van een twintigtal levensbeschouwelijke en etnische organisaties. Op dat beraad kijkt hij met zeer veel tevredenheid terug.
“Met al die moslimorganisaties en ik zat er namens de boeddhisten in en iemand van het humanisme en van de katholieken en van de protestanten, gewoon om de moslims bij te staan van: hoe ga je hier nou mee om, hier in Nederland? Nou, dat is gewoon heel goed gegaan.” (Interview V)
De BUN-leiding ziet de vrijheid van godsdienst als een zeer belangrijke grondslag voor het vreedzaam samenleven van de zeer uiteenlopende levensbeschouwelijke groeperingen in Nederland. Ze hecht aan de vrijheid van meningsuiting, maar vindt tegelijkertijd dat die vrijheid niet gebruikt mag worden ten koste van anderen, bijvoorbeeld moslims. Vanwege de inhoudelijke afstand loopt de band met islamitische instellingen doorgaans via de lijn van inter-levensbeschouwelijke verbanden. V loopt warm voor interreligieuze uitwisseling en contacten. Volgens hem zijn boeddhisten geen partij in de spanningen die in interreligieuze verbanden weleens tussen organisaties van monotheïstische religies de kop opsteken en kan de BUN daarbij soms een relativerende en bemiddelende rol spelen.
Het optreden van de BUN-leiding op het terrein van islamkritiek en interreligieuze contacten is deels toe te schrijven aan de ambitie van V, als voorzitter van de BUN tussen 2007 en 2009, om het boeddhisme “maatschappelijk te verankeren” en de BUN op het terrein van de inter-levensbeschouwelijke dialoog actief te laten zijn. Dat optreden wordt ingegeven door waarden en karaktertrekken die het boeddhisme volgens V kenmerken. Volgens hem staan in het boeddhisme waarden als ‘mededogen’, ‘compassie’ en ‘respect’ centraal en is het boeddhisme een niet-dogmatische, inclusieve levensbeschouwing die andere spirituele stromingen niet uit-, maar insluit en zich daarmee gemakkelijk laat verbinden. De humoristische en relativerende rol die V de BUN toekent bij interreligieuze spanningen houdt mogelijk verband met de positie die zij in het levensbeschouwelijke veld inneemt. Het boeddhisme is een spirituele stroming in Nederland die buiten de monotheïstische godsdiensten staat. Wellicht omdat de BUN een relatief jonge en kleine organisatie is die weinig belangen te verdedigen heeft, kan zij binnen inter-levensbeschouwelijke verbanden gemakkelijk de ‘doorbrekende’ rol van een “hofnar” spelen
.”

woensdag 4 april 2012

Een enkeltje BUN; bijdrage aan de evaluatie als zendende instantie voor Justitie

Afgelopen februari schreef ik een aantal blogs over de boeddhistisch geestelijke verzorging (BGV), de opleiding daartoe, de rol van de BUN daarin en de evaluatie daarvan.
Sindsdien hebben m’n collega’s van http://openboeddhisme.nl veel informatie opgeduikeld en gepubliceerd over de achtergrond van de BGV bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Eén van die vondsten was dat erkenning van de BUN door Justitie en het in dienst nemen van academisch gevormde BGV-ers wettelijk gezien helemaal niet nodig was en is.
Zie als meest recente tekst .

In de reacties van lezers is er een discussie over de vraag of een universitaire opleiding (master plus ambtsopleiding) voor het goed kunnen geven van geestelijke verzorging wel nodig is. Men tendeert naar het overbodig verklaren daarvan, in plaats daarvan wordt de juiste attitude (‘het hart op de juiste plaats hebben’) doorslaggevend geacht om goed steun te kunnen bieden. In zekere zin is dat in lijn van de boeddhistische traditie dat studie, en zeker een intellectuele benadering van de Dharma, niet tot wijsheid leidt. Bijna geen van de leraren van sangha’s in Nederland heeft een academische opleiding, en zeker niet als boeddhistisch geestelijk verzorger; dat is om leraar te kunnen zijn geen probleem, en dus ook niet om in dat kader raadsman of raadsvrouw van een leerling te kunnen zijn. Maar formeel werd het dat door de eisen van Justitie – waarin hoogstwaarschijnlijk het toenmalige BUN-bestuur zelf de hand heeft gehad – wel.

Eerlijk gezegd sta ik nogal ambivalent tegenover deze opleidings-thematiek.
Aan de ene kant vind ik het zijn van geestelijk verzorger een professie waarvoor een formele opleiding hoort met als onderdeel daarin niet alleen toetsing van kennis maar ook van bekwaamheden. Daarom is het goed dat er een beroepsvereniging van geestelijk verzorgers is (de VGVZ) en kwaliteitsregister geestelijk verzorgers en opleidingen. Ik vind dus de eis van Justitie dat uiterlijk november 2011 een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar had moeten zijn, terecht. Alleen begrijp ik niet waarom de V.U. bij het voorbereiden van de start daarvan (op z’n vroegst als master september 2013, dus twee jaar te laat) gebruik gaat maken van het fenomeen ‘ambtsopleiding’, bedoeld voor dominee’s en daarmee vergelijkbare functies (ik begrijp alleen dat de V.U. denkt daarmee extra geld van het ministerie van Onderwijs te verkrijgen)

Aan de andere kant heeft de keus van Justitie en de BUN ruim drie jaar geleden om een beperkt aantal BGV-ers aan te stellen grote nadelen. Lang niet alle boeddhistische tradities en subtradities hebben daarmee iemand van de eigen cultuur als BGV-er. Het maatwerk van de wettelijke regeling uit 2002, aangepast in 2007 had veel voordelen, met name het flexibele ervan, ook boeddhisten zonder universitaire opleiding kunnen daarmee voor bepaalde gedetineerden BGV-er zijn. Waarom is dan niet van deze regeling gebruik gemaakt? Het belang van de (Directie) Dienst Geestelijke Verorging en een aantal individuele boeddhisten heeft tot een andere keus geleid: die van de noodzakelijke erkenning door Justitie van de BUN.

Juist het bestaan van allerlei organisatie- en eigen-belangen heeft een goede discussie over deze thematiek verhinderd.
De hoop was er op gevestigd dat de noodzakelijke evaluatie van de tijdelijke erkenning, zoals vastgelegd november 2008, tot verheldering zou leiden.

Deze evaluatie wordt op dit moment door het instituut KASKI uitgevoerd.
Helaas is niet duidelijk wat precies de vraagstelling bij dit onderzoek is, welke literatuur bestudeerd wordt en wie geïnterviewd wordt, ik vrees: alleen de leden van de BUN.


Dit alles als inleiding tot een brief van mij gedateerd 3 april 2012 aan het KASKI die ik hieronder weergeef. Ik heb gebruik gemaakt van vragen die kennelijk leidraad zijn van het KASKI bij hun interviews.

Aan het KASKI, t.a.v.
dr. Ton Bernts,
prof. dr. Paul van der Velde
drs. Joris Kregting

Betreft: Evaluatie boeddhistische geestelijke verzorging

Geachte heren

Hoewel ik mezelf wel had aangemeld voor een gesprek ten behoeve van de evaluatie van de ‘erkenning’ van de Boeddhistische Unie Nederland door de minister van Veiligheid en Justitie, heb ik nog geen uitnodiging van u gekregen.
Terwille van de tijd lijkt het me handzamer dat ik uw vragen schriftelijk beantwoord. Het lijkt me ook niet nodig of wenselijk deze inhoudelijke reactie via de directeur DGV van DJI te spelen.

1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben in totaal vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000
Het totale aantal boeddhisten in Nederland is zeer moeilijk te schatten, vermoedelijk is het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal. Ook het Commissariaat voor de Media is bij haar besluitvorming over de aanvraag van een omroeplicensie in 2009 tot een schatting van die grootteorde gekomen.
Dat betekent dat de BUN slechts zo’n zes procent van de boeddhisten in Nederland representeert. Pogingen van diverse ongebonden boeddhisten, hier verbetering in aan te brengen hebben in de periode van 2009 tot nu geen enkel effect gesorteerd.

2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?Vast wel, maar expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.

3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?Nee. Bij allerlei ontwikkeling staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om.
Ook in de ontwikkeling van een academische opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. lijken allerlei belangen een rol te spelen, maar de BUN is slechts toeschouwer. Overigens is er nog geen opleiding in de zin van master plus ambtsopleiding aangevraagd, slechts een zeer generieke en niet op geestelijke verzorging gerichte bachelor. Dat de BUN zich daar zorgen over maakt, is nergens uit af te leiden.
Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl/

4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?Nee. Hoewel ik niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet, tot welke traditie ze behoren, is het duidelijk dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is.
Ethnische boeddhisten, met name degenen met Chinese, Vietnamese en Thaise wortels kunnen geen geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.

5. Is er voldoende aandacht voor de wensen, behoeften en respons van de boeddhistische ingeslotenen?Naar mijn inschatting niet. Zie m’n antwoord op vraag 4


Hopenlijk zijn dit bruikbare antwoorden op uw vragen
Indien u nog aanvullende informatie van mij wilt ontvangen, wil die graag proberen te geven

Hoogachtend

Joop Romeijn
....(adres)

vrijdag 24 februari 2012

De vertaling van de evaluatie van de BUN

Op 13 februari schreef ik in m’n blog : “Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (...). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.” Deze stelling wil ik hier toelichten.

Op de Kaski-website staat:
Het functioneren van de ... BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger

In de vergelijking hieronder noem ik deze vier de nieuwe criteria.

Licht ingekort zegt de ‘Erkenningsovereenkomst’, in artikel 2 :
Lid 3 - “Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden
van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap,
alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische
geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.
”
Het tweede deel van deze passage is ‘vertaald’ in het 2e nieuwe criterium genoemd ‘aanbod’. Aan alle justitiabelen, benadrukt de ‘Overeenkomst’ dus ook aan ethnische boeddhisten door iemand die hun achtergrond goed kent en hun rituelen beheerst.

Lid 4 - “De representativiteit van de BUN, als bedoeld in
het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1
genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria :
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen
die de BUN vertegenwoordigt;
b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect
van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;
c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;
d. de toegankelijkheid ....
”
Al deze punten a t/m d worden zeer kort door de bocht samengevat met het woord ‘representativiteit’ als 1e nieuwe criterium. Ik mag aannemen dat de Kaski in haar onderzoek al de vier aspecten meeneemt. Daarbij vraag ik speciaal het feit van belang dat de BUN alleen en uitsluitend boeddhisten aangeslotenen bij haar leden representeert; alle andere boeddhisten (mogelijk het tienvoudige van de aangeslotenen) worden expliciet niet gerepresenteerd. Het ‘expliciete’ zit in het feit dat de BUN juist met dit doel haar statuten in 2009 heeft gewijzigd. De discussie over zogeheten ‘ongebonden boeddhisten’ zeurt bij de BUN nu al jaren door.

Het 3e nieuwe criterium, ‘functioneren als zendende instantie' vindt geen basis in de Erkenningsovereenkomst. Het lijkt mij nietszeggend; er zijn inderdaad een aantal boeddhistisch geestelijk verzorgers door Justitie in dienst genomen; of wordt er meer bedoeld? Van het ‘zenden’ naar andere sectoren dan Justitie (bv de gezondheidszorg of krijgsmacht) is geen sprake.

Tot slot nog een opmerking over het 4e nieuwe criterium ‘beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger’. In de ‘Erkenningsovereenkomst’ staat het iets stelliger:
“Lid 5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de
voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding
boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.
“
Het verschil zou kunnen zijn dat een informele aankondiging dat deze opleiding in september 2013 gaat starten nu als voldoende wordt geaccepteerd terwijl die opleiding volgens de Erkenningsovereenkomst er november 2011 al had moeten zijn.

Maar hopenlijk is mijn argwaan overdreven en kan de “deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten” (ik citeer het Kaski) met behulp waarvan het Kaski gaat evalueren, een betrouwbaar resultaat opleveren.
Ik heb al vast twee vragen (in m’n eigen vragenlijst):
- Wie heeft eigenlijk de voorwaarden van de Erkenningseenoverkomst ‘vertaald’ in de nieuwe criteria: Justitie of het Kaski ?
- Het is bij dit type onderzoek zeer gebruikelijk dat een begeleidingscommissie wordt ingesteld waarin mensen van het ministerie van Veiligheid en Justitie (bv van de DGV en de DJI) zitten en die een advies aan de staatssecretaris Teeven opstelt over de definitieve erkenningen, op basis van de conclusies van de evaluatie. Is dat zo en wie zitten er in? In dit geval zou het onjuist zijn als ook vertegenwoordigers van BUN/BZI en Hindoeraad in zo’n commissie zouden zitten: die zijn al te belanghebbend

maandag 13 februari 2012

De evaluatie van de BUN is begonnen

Het KASKI, expertisecentrum over religie en samenleving, verbonden met de Radboud Universiteit Nijmegen, gaat op verzoek van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de evaluatie van de BUN ter hand nemen.
Dit blijkt uit een recent bericht op hun website :

Evaluatie hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging
Enkele jaren geleden heeft de Minister van Justitie de Hindoe Raad Nederland (HRN) en de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) erkend als zendende instanties die verantwoordelijk zijn voor de hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging bij de Dienst Geestelijke Verzorging (DGV). Deze erkenningovereenkomsten kennen na twee jaar een evaluatiemoment. Het Kaski is door de DGV gevraagd beide evaluaties uit te voeren. Indien uit deze evaluaties blijkt dat het functioneren van de HRN en de BUN voldoende is, worden de overeenkomsten omgezet naar onbepaalde tijd.

Het functioneren van de HRN en de BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger.

Het onderzoek zal worden uitgevoerd door middel van deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. Ton Bernts, prof. dr. Paul van der Velde (hoogleraar Aziatische Religies, met name Hindoeïsme en Boeddhisme) en drs. Joris Kregting.
De twee onderzoeken worden uitgevoerd in de periode februari tot en met mei.



Een puntsgewijs eerste kommentaar op deze mededeling, ik kom er ongetwijfeld op terug:
Goed dat deze evaluatie nu plaats gaat vinden en dat het publiekelijk wordt bekend gemaakt.
De keus van het instituut KASKI lijkt me een goede.
Dat de BUN en de Hindoeraad (als zendende instanties) tegelijk worden geëvalueerd heeft wel nadelen; de twee 'religies' vertonen wel enige verwantschap maar sociologisch zijn het hindoeisme in Nederland en het boeddhisme in Nederland nauwelijks met elkaar te vergelijken.
Dat in het tweede criterium alleen 'hindoeistische verzorging' wordt genoemd, is een slordigheid van Justitie, neem ik aan.
Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (zie hieronder). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.


Artikel 2 van de 24 november 2008 door de minister van Justitie en de BUN-voorzitter getekende Erkenningovereenkomst

1. De erkenning geschiedt voor een periode van drie jaar vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst en eindigt van rechtswege. Na twee jaar zal de Minister van Justitie het functioneren van de BUN als zendende instantie evalueren.

2. Na drie jaar zal bij positieve uitkomst van de evaluatie de overeenkomst voor onbepaalde tijd worden voortgezet, tenzij de uitkomsten uit de evaluatie de Minister aanleiding geven om deze overeenkomst voor een bepaalde periode te verlengen

3. Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap, alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.

4. De representativiteit van de BUN, als bedoeld in het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen die de BUN vertegenwoordigt;

b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;

c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;

d. de toegankelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de BUN openstaat voor een aanvraag van een boeddhistische organisatie die lid wil worden van de BUN, mits de organisatie een substantiële en representatieve boeddhistische stroming vertegenwoordigt en indien de organisatie bereid en in staat isbinnen het kader van de toepasselijke wet- en regelgeving, bij te dragen aan de taken van de Dienst Geestelijke Verzorging. De statuten van de BUN bevatten een procedure voor de aansluiting bij de BUN.

5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.

zaterdag 28 januari 2012

Boeddhisme opleidingen bij de VU vanaf september Informatie en kommentaar

Op zaterdag 11 februari heeft de Vrije Universiteit (VU) een voorlichtingdag waar VWO-ers die mogelijk in september 2012 bij de VU willen gaan studeren. Zie hier
Elders las ik hier over: "Indien je meer wilt weten over deze boeiende opleiding , bezoek dan de voorlichtingsronde van 10.00-10.45 op de Bachelorvoorlichtingsdag, welke plaats vindt op 11 februari aan de Vrije Universiteit. Schrijf je in op www.vu.nl/bachelorvoorlichtingsdag."

Eén van de opleidingsvormen – een nieuwe – is bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme.
Op de website van de faculteit der Godgeleerdheid staat daarover onder andere het volgende:
“De bachelor-opleiding Religie en Levensbeschouwing traject Boeddhisme concentreert zich op de verschillende boeddhistische tradities die vanuit Azië naar het Westen zijn gekomen, vanuit de context van hun ontmoeting met de moderniteit, en hun dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities.
Deze bachelor-opleiding is een combinatie van boeddhistische vakken en seculiere religiestudie-vakken. Je leert niet alleen om religies met elkaar te vergelijken vanuit een wetenschappelijk perspectief, maar ook om tot een doorleefde verdieping van verschillende boeddhistische tradities te komen. Vanuit die verdieping kun je vervolgens als academisch gevormde boeddhisme-deskundige bijdrage aan de verdere integratie van het boeddhisme in de Nederlandse samenleving, en vanuit het boeddhisme meedenken over spirituele oplossingen voor maatschappelijke problemen in Nederland en daarbuiten.
Jouw profiel: Je wordt geraakt door het boeddhisme, hebt misschien al eens kennisgemaakt met meditatie, en zou je graag meer verdiepen in de diverse boeddhistische tradities. Je vindt het belangrijk om kennis te maken met de bronteksten uit die tradities. Je wilt begrijpen hoe ‘religie’ werkt. Je wilt het boeddhisme doordenken en in praktijk brengen in de huidige Europese context
.”
En vervolgens:
“ Zo is de opleiding ingedeeld
In het eerste jaar van de bachelor wordt er een begin gemaakt met het bestuderen van de drie belangrijkste boeddhistische tradities: theravada, zen en Tibetaans boeddhisme. Daarnaast zijn er de algemene religiestudie-vakken zoals religietheorieën en inleiding sociale wetenschappen, christendom, en geschiedenis van de filosofie. Het tweede jaar bouwt daarop voort met vakken over het lezen van klassieke boeddhistische teksten, naast algemene vakken zoals godsdienstfilosofie, antropologie van de religie, en godsdienstfenomenologie. Het derde jaar is voor de helft een vrije ruimte, de zogenaamde minor (thema: India en het Westen). In de tweede helft is er tijd voor verdiepingsvakken als (boeddhistische) ethiek, terwijl het derde jaar uitloopt op het schrijven van je bachelor-scriptie over een zelfgekozen onderwerp.
”

Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme.
Informatie daarover moet nog komen.
[Op 31 januari nagekomen bericht van André van der Braak: "Overigens kunnen geïnteresseerden in de pre-master ook op 11 februari komen, ze hoeven niet te wachten tot 17 maart."]

==========================================================================

Tot zover de feitelijke informatie die ik op verzoek van André van der Braak, de pas benoemde bijzonder hoogleraar boeddhisme, op dit boeddhisme blog zet.
Op persoonlijke titel wat kommentaar op deze ontwikkeling:
Met deze aangekondigde opleidingen komt een groot aantal institutionele belangen bij elkaar:

1. De VU dat graag het landelijk centrum van (de studie van) de interreligieuze dialoog wil worden en na de Islam - en uiteraard het Protestantisme - nu ook het boeddhisme heeft binnengehaald, en kennelijk ook een het hindoeisme. Een compleet kwartet dus.

2. De Stichting Nicolaas Pierson en 'hun' hoogleraar Andre van der Braak die tegelijk geïntegreerd is geraakt in de VU en de doelstelling van de Stichting voor een deel kan realiseren, althans in de vorm van geven van college's. Dat doel is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, het geven ‘onderwijs’ maar vooral ook ‘onderzoek’ en dialoog van het boeddhisme met andere religies (zie noot *).

3. De BZI als verlengde van de BUN die, als Justitie er tenminste genoegen mee neemt want het is nog geen echte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger (zie noot **), kan zeggen dat nu aan de erkenningseis van Justitie is voldaan en niets meer de definitieve erkenningsovereenkomst kan tegenhouden (nou, niets ....de relevantie van de BUN zelf was ook een voorwaarde).

4. Het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf die nu zelf ook een kwartet levensbeschouwelijke richtingen in hun GV-pakket heeft. Een dubbelkwartet zelfs als ik goed tel.

Twee belangen ontbreken in dit rijtje maar die zijn dan ook een stuk minder institutioneel:
5. Die van de studenten - jonge boeddhisten (of misschien jonge ‘andersdenkenden’ met belangstelling voor het boeddhisme) die nu een mooi vak kunnen gaan doen, weliswaar met een zeer onzeker betaald-beroepsperspectief.

6. Die van oude(re) boeddhisten en degenen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme, verblijvend in zorgvoorzieningen die straks ook boeddhistische geestelijke verzorging kunnen krijgen, als ze daar behoefte aan hebben en als die betaalbaar is tenminste.
Ik noem gedetineerden die graag BGV willen niet, want daarvoor heeft Justitie al voldoende mensen in dienst en uitbreiding lijkt niet nodig. Ook noem ik GV in de Krijgsmacht niet want daar werken nauwelijks boeddhisten, is mijn indruk, in ieder geval is het boeddhisme daar geen erkende levensbeschouwing, en dat moet maar zo blijven, is mijn persoonlijke mening.

Hoe verhouden deze belangen zich ten opzichte van elkaar ?
Voor degenen die (als geestelijk verzorger) in organisaties gaat werken, en dus ook voor degenen die daarvoor gaan studeren, is het goed het krachtenveld te begrijpen waarin men verkeert.
Dit is eveneens voor besluitvormers binnen elk van bovengenoemde instituties met belangen relevant.
Tenslotte: voor mij als boeddhist en buitenstaander is transparantie en zuiverheid in praten en handelen een centraal punt.

Een paar punten:
Het belang van de Nicolaas Pierson Stichting en prof. van der Braak (#2) valt – in mijn visie – niet samen met dat van de faculteit Godgeleerdheid van de VU (#1). Van der Braak is bijzonder hoogleraar met een bijzondere opdracht en het kan toch niet zo zijn dat een hele VU-opleiding op deze bijzonder hoogleraar leunt ?
Voorzover de belangen van de VU en van der Braak (namelijk het onderzoek en onderwijs van het boeddhisme in relatie tot andere religies) overlappen (1# en 2#), moeten ze uitsluitend ten dienste staan van de studenten en van (nogal abstract) de interreligieuze discussie. Andere institutionele belangen (3# en 4# bijvoorbeeld) mogen daarbij geen rol spelen !

Lang niet alle studenten van de komende bachelor zullen de ambitie hebben, boeddhistisch geestelijk verzorger te worden. Ook andere beroepen of functies als vrijwilliger worden genoemd. Toch zal ik het in deze blog over de geestelijke verzorging hebben omdat dat de sector is waarin ik me heb verdiept. Voor hen geldt: de opleidingen die in september gaan starten, vormen de basis voor de opleiding tot geestelijk verzorger.
Het belang van BZI en BUN op dit moment is dat het beschikbaar zijn van een opleiding voorwaarde is voor de erkenning van de BUN en het voortbestaan van de BZI. Zie voor de details hieronder.
In hoeverre de belangen van Justitie (3#) en BUN/BZI (4#) overlappen is in deze beschouwing wat buiten de orde; persoonlijk denk ik dat de BZI zich de afgelopen jaren – wat betreft geestelijke verzorging aan gedetineerden - te sterk met Justitie geïdentificeerd heeft.

Tenslotte de objecten van geestelijke verzorging, hierboven als #6 aangeduid.
Daarvan is niet zoveel bekend. Er zijn vast wel bewoners van zorginstellingen (van langdurige zorg) en patiënten in ziekenhuizen die het liefst geestelijke verzorging door een boeddhist krijgen. Maar hoeveel en welk soort (gesprek, samen doen van rituelen, meditatie, algemeen boeddhistisch of volgens een specifieke traditie), daar is niets van bekend.
Het lijkt me een goed idee dat een onderzoek naar deze behoefte wordt gedaan; niet een snel marketing-onderzoek maar de diepte in. Zelfs de grootte-orde is onbekend: zijn er tien nodig of vijftig ... ?
Boeddhistische geestelijke verzorging dient uiteraard betrouwbaar te zijn, een instrument daarvoor is een geaccrediteerde opleiding van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Een master van de VU is dat, zie de webpagina .
Interessant is ook het toetsingskader bij deze accreditatie in de pdf : je moet wel kennen en kunnen als geestelijk verzorger in een zorginstelling!

===========================================================================

Noot *
Uit de advertentie van de VU, mei 2011
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken
."


Noot **
Een eis van (toen nog) het ministerie van Justitie bij het voorlopig erkennen van de BUN in november 2008 luidde: “Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.”
De periode van drie jaar is met een paar maanden verlengd; ik vermoed omdat niet tijdig de evaluatie kon worden voltooid waarin duidelijk moesten of was voldaan aan bovengenoemde eis en die van de representativiteit van de BUN (wat betreft breedheid van de overkoepeling; effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland; continuïteit en stabiliteit van de BUN; en de toegankelijkheid).

Ik vermoed dat met de bachelor zoals hierboven beschreven nog niet is voldaan aan de eis van Justitie. Dat vermoeden baseer ik op eerdere uitlatingen over een nog komende ambtsopleiding boeddhisme.

Opvallend is dat op de website van de VU geen informatie is te vinden over deze te starten ambtsopleiding boeddhisme waarover het bestuur van de BZI begin november 2011 de leden van de BUN berichtte:
“... Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.”

Als ik de onderwijssystematiek goed begrijp volgen de master en de ambtsopleiding na de door de VU nu bekend gemaakte bachelor en de erop volgende pre-master. Inhoever opleidingen in hetzelfde jaar gecombineerd kunnen worden, weet ik niet.
De BZI-notitie vervolgt met: “Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen.
...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. ... Door hun vertrouwdheid met zowel de traditioneel boeddhistische context als die van het moderne leven zullen boeddhistische chaplains in staat zijn vernieuwing en traditie in het juiste licht te plaatsen en te voorzien in een in de samenleving levende behoefte aan kennis over het boeddhisme die zowel in de boeddhistische praktijk als het academische denken geworteld is.
De huidige stand van zaken is, dat vanuit de VU eind november een subsidieaanvraag zal worden ingediend bij het ministerie van OCW voor de eenjarige postdoctorale ambtsopleiding.
...
Indien de subsidie daadwerkelijk door OCW wordt verleend, zal de opleiding in september 2012 aan de VU van start kunnen gaan.
“

Of de VU daadwerkelijkheid eind verleden jaar deze aanvraag bij OCW heeft ingediend en of – indien dit het geval is – OCW daarover al positief gaat beslissen (dat wordt belist geen hamerstuk, is mijn inschatting), is niet bekend. Hopenlijk wordt deze duidelijkheid binnen een paar maanden gegeven.

Op de via de website van de BUN te bereiken pagina staat:
“Tijdens deze voorlichting (van de VU, op 11 februari dus, zie boven) zal je (de aanstaande student dus), naast de praktische informatie en een minicollege over de bachelor opleiding, ook geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”

Deze informatie heb ik niet op de website van de VU gevonden. Mogelijk is het wat voorbarig; minstens betekent het een jaar uitstel ten opzichte van de hierboven geciteerde informatie van november 2011.
Als ik meer gegevens krijg, geef ik (Joop Romeijn dus, nogmaals: dit alles schrijvend op persoonlijke titel) dat op deze blog door.

zaterdag 21 januari 2012

Gaat de BUN zichzelf opnieuw uitvinden ?

In november gaf ik een groot deel van het rapport weer van de werkgroep die zichzelf de naam heeft gegeven van de Lotus Bloem. Oorspronkelijk heette ze B3 omdat ze de spanningen tussen drie van de landelijke boeddhistische organisaties moest proberen te beschrijven en er oplossingen voor moest formuleren: BUN, BOS en BZI. dit op verzoek van de ledenvergadering van de BUN.
Ik voorzag deze rapportage van mijn kommentaar en gaf het de titel ‘monsterverbond’, een term die in het rapport werd gebruikt om (de samenwerking tussen) een aantal kritische boeddhisten, waaronder ik, te typeren.

De rapportage bleek een interimrapportage te zijn (dat had ik in november niet begrepen, de ledenvergaderingen van de BUN zijn niet openbaar en ook achteraf gaf de website van de BUN geen informatie). De leden vonden het nuttig maar ook noodzakelijk het plaatje compleet te maken.
In ieder geval hebben de onafhankelijke leden van de werkgroep (er zitten ook bestuursleden BUN, BOS en BZI in, en van de laatste twee ook – in zekere zin - beroepskrachten) het gewenst gevonden ook de kriticasters te interviewen die met de onjuiste naam ‘ongebonden boeddhisten’ werden aangeduid.

Uit deze verbreding van de opdracht en de kring van geïnterviewden leid ik af dat het de Werkgroep nu om meer gaat dan herstel van de verstoorde relaties tussen BUN, BOS en BZI, het wordt nu ook nuttig gevonden de relatie met de wereld buiten dit cluster onder de loep te nemen.
Met andere woorden: het gaat ook om de identiteit van de BUN.
Wil de BUN alleen een vereniging zijn van een stuk of veertig (overwegend lokale) boeddhistische groepen? Of wil ze een ‘religieus genootschap’ zijn (die term bedenk ik niet maar staat in de Mediawet, waarop het bestaan van de BOS gebaseerd is) die alle boeddhisten en mensen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme verbindt ?

Ik geef toe, ik interpreteer wellicht een beetje als ik die identiteitsvraag zo centraal stel, maar het is toch ook wel de indruk die ik heb gekregen van het gesprek dat ik eerder deze week met twee leden van de werkgroep ‘De Lotus Bloem’ heb gevoerd.
Hieronder geef ik twee mails weer die ik aan de Werkgroep heb gestuurd, één als reactie op de uitnodiging en één na afloop van het gesprek. Ik heb de teksten enigszins aangepast: hier en daar uitgebreid, dat geef ik cursief aan; geschrapte passages geef ik met puntjes aan.

Wat zal het resultaat zijn van dit gesprek en de andere die de Werkgroep gaat voeren?
De volgende ledenvergadering van de BUN is op 21 april a.s.; ik neem aan dat dan de eindrapportage wordt besproken.
Tegen de tijd zal zo ongeveer ook wel een besluit zijn genomen door het ministerie van Veiligheid en Justitie n.a.v. de evaluatie van de ‘Erkenningsovereenkomst’ tussen BUN en Justitie; dat wordt spannend volgens mij.

Dan weten we of de BUN ook de noodzaak ziet zichzelf opnieuw uit te vinden. (Net als de FNV bijvoorbeeld nu aan het doen is).


Eerste mail aan de Werkgroep
Beste ... (onafhankelijke leden van de Werkgroep B3),
Hartelijk dank voor de uitnodiging voor een gesprek. Ik ben daar blij om en neem aan dat het met mij en anderen (... ) individuele gesprekken zijn; onze situaties en onze opvattingen zijn in een aantal opzichten nogal verschillend.
...
Dan heb ik wat onduidelijkheden over de procedure, ik ben immers niet bij de ALV van 5 november aanwezig geweest. Is het rapport door Bestuur en ALV van de BUN als besluit aangenomen of slechts ter kennisneming; is het een concept dat niet alleen aangevuld maar ook gewijzigd kan. En is het deel dat gereed was al vanaf 5 november van kracht? Geldt dat ook àlle aanbevelingen? Ik heb bv ... begrepen dat het BOS-bestuur geen haast zal maken met het uitvoeren van aanbeveling 11 (bv de daarvoor noodzakelijke BOS-statuten wijzigen); of zelfs ronduit niet zal uitvoeren.
Graag heb ik het ook over mijn suggesties ter verbetering van het functioneren van de PAR, zie bv mijn blog

Dan wat betreft mijn positie ten opzichte van de BUN; hier ... de mail die ik 24 november 2011 aan Andre Kalden als BUN-voorzitter heb gestuurd, na z´n derde telefoontje aan mij over activiteiten van mij waar hij wat verdrietig over was.
Concreet betekent dit o.a. dat ik het in het gesprek niet alleen over toekomstige samenwerking tussen BUN, BOS en BZI wil hebben, ...; maar ook de suggestie wil bespreken waarom het voor de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland beter zou zijn als de BUN zichzelf opheft (benevens suggesties hoe de BOS dan gecontinueerd kan worden).

De vraag hoe ik m’n eigen betrokkenheid bij het boeddhisme in Nederland zie heb ik deels in m’n mail aan André aangestipt. Die is groot, vanaf m’n aanzet tot de oprichting van de Werkgroep Geëngageerd Boeddhisme zo’n acht jaar geleden en m’n initiatief ‘Dharma-vrienden’, hieronder genoemd.
M’n betrokkenheid als kritisch boeddhist (...) wordt bepaald door bezorgdheid over van wat ‘spiritualiteit in de uitverkoop’ is genoemd, de commercialisering, de vermarkting van het boeddhisme. Daardoor werd ik ook steeds kritischer op de BUN die daar aan mee heeft gedaan (een heel lang verhaal om uit te leggen hoe); en die gretig inging op de verleiding van de overheid om een boeddhistische zuil in te richten. ...
Ook de steun van de BUN bij het oprichten van de Mandalaschool had niets met betrokkenheid op kinderen te maken maar op verzuilingsfantasieën.
Het is inmiddels duidelijk geworden dat vrijwel niemand (behalve misschien ...) aan het boeddhisme meer dan een droge boterham kan verdienen.
...
Dat jullie het over het thema´ongebonden boeddhisten´ willen hebben, vind ik schattig. Immers ik heb (met twee anderen) daarover het BUN-bestuur in het verleden al concrete suggesties gedaan, die zijn nog steeds uitstekend, hoewel voor mij tegenwoordig een stuk minder interessant. Kort samengevat: het Duitse model, zie »Buddhistische Gemeinschaft«. En door ons in 2008 aan het bestuur gestuurd stuk; en een uit 2009 aan de leden, dat over meerdere onderwerpen ging (...). Het BUN-bestuur heeft een door ons aangevraagd gesprek daarover afgehouden en geen van de leden liet iets van zich horen. Negativiteit? (Zo luidde het kopje van de paragraaf uit de rapportage die o.a. over het zogeheten monsterverbond ging; ten onrechte vind ik dus)

Drie aanvullende opmerkingen daarbij:
(1) Het is afgezaagd het weer te moeten zeggen, maar ik ben geen ongebonden boeddhist, ik ben verbonden aan een sangha (een m.i. door velen slordig gebruikte term), tevens BUN-lid. Wel heb ik me meestal op persoonlijke titel met BUN-zaken bemoeid . En heb ik geprobeerd, belangeloos, de situatie van ongebonden boeddhisten te verbeteren.

(2) Belangrijker om de situatie van ongebonden boeddhisten te verbeteren dan te kunnen participeren aan het BUN-beleid is het bevorderen dat ze samen het boeddhisme beoefenen. Daarover heb ik in het verleden (in 2008) al wat suggesties gedaan (zie blog); ook aan bestuur en BUN-leden.
Dit voorstel is sterk gebaseerd op ervaringen met de Spirit Rock organisatie in de V.S. (Zie hun website) en geïnspireerd door Stephen Batchelor.

(3) De afgelopen jaren heeft zich het merkwaardige verschijnsel voorgedaan dat het aantal boeddhisten direct verbonden met de BUN (via BUN-leden) niet is toegenomen en misschien wel afgenomen; terwijl de schattingen van het totaal aantal boeddhisten in Nederland exponenteel groeide; daardoor zakte de representatativiteit van de BUN steeds verder. De BUN kan die representativiteit verhogen niet alleen door de ongebondenen te binden maar ook door die schattingen realistischer te maken (bv naar de grootte-orde van 50.000 à 100.000)

Wat dat laatste betreft moet me, en dan heb ik het direct over de relatie BUN-BOS, van het hart dat de BUN alsnog excuses aan moet bieden aan bv het Commissariaat voor de Media voor het klakkeloos meegaan in die onbehoorlijke claims van aantal beroepsboeddhisten. Kunnen we het daar ook over hebben?

Nog een opmerking over de BZI (en de gewenste relatie BUN-BZI) Veel interessanter dan bestuurlijke constructies is de beantwoording van de vraag: heeft het boeddhisme (en dus vooral: de boeddhisten) in Nederland in het algemeen behoefte aan geestelijke verzorging? Als pastorale functie dus zoals (in het verleden) door christelijke kerken werd verricht? Pas als die vraag is beantwoord, is het interessant of boeddhistische geestelijke verzorging ook aan personen in ‘totale instituties’ zoals gevangenissen, verpleeghuizen etc moet worden gegeven. Dat is allemaal overgeslagen en dat wreekt zich nu.

Tenslotte verwijs ik graag naar nog wat andere teksten uit mijn blog van de afgelopen jaren, alle onderdeel van het publieke domein. ...


Tweede mail aan de Werkgroep
Beste ... (onafhankelijke leden van de Werkgroep B3),
Tamelijk aan het eind van ons – in mijn ogen prettig verlopen – gesprek vroegen jullie me naar criteria.
Dat betrof het thema hoe het zou moeten met de BUN na de opheffing van de BUN, van een zichzelf opnieuw uitvindende BUN. Een poging daartoe

Vanmorgen beschreef ik een scenario van: eerst moet de crisis verdiepen, de BUN heft zich op, dan een jaar of wat niets en dan opnieuw iets gaan doen.
Wellicht vinden sommigen dat te heavy en is een milder scenario denkbaar; die heeft wel gevaren in zich net zo als iemand na een half uitgeziekte griep weer voluit gaat werken waardoor de ziekte terugkomt.

Allereerst kunnen jullie als Werkgroep een stap verder zetten in de rol van ‘Verzoeningscommissie’ (als destijds in Zuid Afrika): de strijders worden bij elkaar gebracht en sparen elkaar niet. Op menig punt zal dit een agree-to-disagree conclusie hebben, maar dat geeft niet, boeddhisten hoeven het niet altijd met elkaar eens te zijn, onenigheid is niet hetzelfde als ‘negativiteit’.

Een onderdeel van die ‘Verzoening’ is dat de BUN excuses aanbiedt aan het Commissariaat voor de Media, Justitie en anderen over de claim (in 2009 door de BOS mede namens de BUN gedaan) dat er 900.000 boeddhisten zouden zijn. Dit omdat men best wist dat het aantal ver onder de 250.000 zat, (misschien zelfs in de buurt van de 100.000, denk ik, maar daarover zitten we nog in een ontkenningsfase.)

Voordat de BUN zichzelf deconstrueert en opnieuw uit gaat vinden, moet een borging voor het voortbestaan van de BOS gezorgd worden. Mijn voorstel: de PAR wordt (met statutenwijziging BOS zoals ik voorstelde) verzwaard; met het Commissariaat voor de Media wordt overlegd of de PAR tijdelijk (tot maximaal 2015) ‘religieus genootschap’ als bedoeld in de Mediawet kan zijn.

Vervolgens zijn een aantal verdere (in mijn ogen noodzakelijke) ontwikkelingen:

De VU ontwikkelt opleidingen zoals ze zich voornemen, maar zonder de druk dat dit moet omdat anders de ‘Erkenning’ van de BUN door Justitie beeindigd wordt.
Het ministerie van Justitie wordt gemeld dat geen waarde meer wordt gehecht aan erkenning van de BUN door Justitie maar wel van erkenning van het boeddhisme voor Nederland. Als Justitie echt geestelijke verzorging van gedetineerden, ook in boeddhistische zin, zo belangrijk vindt, bedenken ze wel een oplossing.

Op een aantal plaatsen (dus op lokaal niveau) en tijdstippen vinden discussies plaats met als behulpzame tekst passages uit het rapport ‘boeddhisme als richting’ van de Onderwijsraad. (zie m’n blog daarover)
Dus niet over structuren maar over de inhoud.

Pas dan – we zijn inmiddels zo’n anderhalf jaar verder - gaan we nadenken over nieuwe structuren:
Ik zie drie mogelijkheden:
(1) Een opgetuigde BUN, d.w.z. met rol ongeorganiseerden, het Duitse model
(2) Een minimale BUN, lichte service en formeel t.b.v. de BOS
(3) Echt iets nieuws, een vereniging waarvan boeddhisten rechtstreeks en als individu lid kunnen worden

Ik geef sterk de voorkeur aan het derde model waarbij natuurlijk nog het nodige duidelijk moet worden over de (eventueel getrapte) besluitvorming in een club met meer dan tienduizend leden.
Maar het lijkt me niet verstandig ons nu te fixeren om die problemen, dan wordt het niets.
Ook de manier waarop deze vereniging tot stand moet komen en hoe de eerste honderden leden geworven moet worden, kan later. Geef elkaar de ruimte, de eerste jaren is de eis van representativiteit geen thema, we laten ons niet meer door de overheid (die dat graag wil) onder druk zetten.

Met name bij dit derde model lijkt me een variant op de door de Werkgroep B3 voorgestelde ‘Raad van leraren’ zeer nuttig. Namelijk een ´ethische commissie´ die op verzoek van leden of bestuur maar ook op eigen initiatief adviezen aan de BUN-Nieuwe Stijl uit kan brengen. Daarin kunnen leraren zitten, maar ook ethici, rechtsgeleerden en andere boeddhisten (leken). Maar niet nu dus, eerst zal de BUN zich opnieuw moeten uitvinden!

Vriendelijke groet

Joop Romeijn

vrijdag 2 december 2011

BUN, BOS, de plaats van het boeddhisme bij de VPRO (en een bemoeial)

Twee weken geleden stuurde ik – op persoonlijke titel - een brief aan het Commissariaat van de Media, en een afschrift daarvan aan de directeur van de VPRO. Dit naar aanleiding van berichten in de pers over het samengaan van BOS en VPRO die ik deels niet begreep en deels mij ongewenst voorkwam. Zie mijn blog van 18 november.
Zoals ik daar in een ‘comment’ over schreef, kreeg ik naar aanleiding daarvan een telefoontje van de voorzitter van de BUN.
Daar reageerde ik de volgende dag op:

Verstuurd 24 november 2011
Beste André

Ik heb nog eens nagedacht over je telefoontje van gisteren.
Geen probleem dat je me belt, ik houd van gesprekken met betrokken en intelligentie mensen en vind discussie, met name over de verschillen tussen de boeddhistische tradities, broodnodig.
Maar misschien is het goed te weten dat ik nu nadrukkelijk buiten de BUN sta.
Dat is in het verleden anders geweest, daarom zeg ik het maar expliciet.


In afgelopen acht (!) jaar ben ik bij de BUN betrokken geweest, de eerste periode erbinnen, met de mede door mij opgerichte werkgroep geëengageerd boeddhisme, in de tweede in voortdurende pogingen de BUN tegen een m.i. foute ontwikkeling te beinvloeden. De lengte van die periode geven me in eigen ogen mede het recht me minstens evenveel met de BUN te bemoeien als nogal wat bestuurlijke passanten.

Aan rijtje van zaken waar ik niet in geloof (God, reïncarnatie) heb ik nu de BUN toegevoegd
Feitelijk was dat eind december verleden jaar al het geval toen Francisca en jij er abrupt mee stopten, maar nadat jij en nog iemand met Richard op de proppen kwamen, heb ik mijn ongeloof weer onderdrukt. Nu is dat over, de (interim)rapportage van B3 met de term ´monsterverbond´ maakten dat makkelijker.

Mailtjes als verleden week naar de VPRO stuur ik alleen als ultimum remedium, nadat pogingen er rechtstreeks iets aan te doen,op niets zijn uitgelopen. Dat is het geval, vgl mijn mail aan de Werkgroep B3 van begin september (het was toch de bedoeling die werkgroep informatie te verschaffen?) met suggesties over o.a. een onafhankelijke programmaraad, ik kreeg zelfs geen ontvangstbevestiging.
Dus maak je geen zorgen, als de BUN transparant is, is er voor mij geen reden anderen te bestoken.

Overigens vind ik het jammer dat je over deze actie van mij druk maakt en niet over m´n blog over het advies van de Onderwijsraad van een jaar geleden.
Het is toch betreurenswaardig dat niemand in boeddhistisch Nederland publiekelijk op dat advies heeft gereageerd ?

Vriendelijke groet

Joop

PS
Ik heb geen bezwaar tegen verspreiding van bovenstaande tekst




Een dag later krijg ik een reactie van Gertjan Mulder, directeur van de BOS, die mij op verzoek van zijn VPRO-collega antwoordt. Zij interpreteren de brief van de minister zo dat er geen verplichte fusie tussen (bijvoorbeeld) de BOS en de VPRO nodig is. Verder wordt mij verteld dat dit al tijdens de ledenvergadering van de BUN op 5 november is uitgelegd en dat ik dat van de vertegenwoordiger van het BUN-lid waarmee ik me verbonden voel, had kunnen horen.
Mijn antwoord daarop:


Verstuurd 25 november 2011
Beste Gertjan

Dank voor je reactie, die was vriendelijker dan ik had durven hopen.
Zoals je aan de adressering kan zien, val ik de VPRO niet verder lastig. Maar goed, Lennart had (in het aan hem toegeschreven citaat in www.nu.nl) de missie van het boeddhisme - want van de BOS - in mijn ogen afgeserveerd en daar moest iets van gezegd worden, dat is nu gebeurd. Dat hij verder de BUN afserveerde, is mijn probleem niet, daar hebben vast anderen iets van gezegd.
Wel stuur ik een CC naar een vertegenwoordiger van de stichting SIM

In mijn mail stelde ik, verwijzend naar mijn blog, twee thema’s aan de orde:
 de eis dat het aantal omroepen moet worden teruggebracht tot acht, en dus niet acht plus de 2.42 omroepen. Ik ben het dus niet met jullie interpretatie eens dat fusie niet onvermijdelijk is. Dat de ALV jullie interpretatatie deelde, zegt niet zoveel. Ik denk dat zeer weinigen daar de brief van de minister (het kabinet) hebben gelezen en het Kamerdebat daarover eind juni hebben gevolgd, zoals ik. Hoe zou zonder die fusie de ingeboekte bezuiniging, met name aan overheadkosten, ooit worden gehaald? Wie er gelijk heeft wordt vast het komende halfjaar wel duidelijk.

 De eis van de minister van een onafhankelijke programmaraad. Ik heb daarbij twee stellingen:
a. Die eis is reeds nu ingegaan, de minister spreeks immers over een overgangsmaatregel totdat de nieuwe wetgeving is gerealiseerd.
b. De huidige PAR is een goed begin maar voldoet niet geheel aan die eis, daarvoor heb ik vier aanvullingen voorgesteld (zie hieronder). Of ik daarin gelijk heb moet het CvdM maar zeggen, immers, zo schrijft de minister: "... Het is aan de betrokken partijen om in samenspraak met het Commissariaat voor de Media aan deze verplichting invulling te geven. "


Als toetje van deze mail nog een puntje dat als het een boek was, de titel kreeg van "Wat gebeurde er met de bruidschat van de 2.42-omroepen?"

32 827 Toekomst mediabeleid
Nr. 14 MOTIE VAN HET LID VOORDEWIND
Voorgesteld tijdens het Notaoverleg van 27 juni 2011
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
Constaterende, dat het kabinet een bezuiniging doorvoert op 2.42-omroepen;
van mening, dat het onwenselijk is dat het bezuinigde geld ten goede komt aan alle omroepverenigingen;
verzoekt de regering om het geld van de bezuiniging op 2.42-omroepen te koppelen aan 2.42-fusieomroepen en niet over alle omroepen te verdelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Voordewind


Onze Joël spreekt van fusieomroepen, wat dom van hem, of zou ik dan toch gelijk hebben? Want de VPRO zelf is geen fusieomroep
De motie is op 30 juni aangehouden, terwijl de minister er positief over was. Ik heb niets gelezen over de reden daarvoor. Mijn duiding: VVD en vooral PVV waren er mordicus tegen. Hoe lang zal dit ´aanhouden´ duren?

Vriendelijke groet

Joop

 
Bijlage
Voorgestelde aanvullingen op artikel 16 van de BOS-Statuten

A. De onderwerpen waarover het BOS-bestuur verplicht advies moet vragen, moeten worden benoemd (zo is de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 niet ter advisering aan de PAR voorgelegd).
De PAR in de functie van onafhankelijke programmaraad zal moeten kunnen bewaken dat de omroep zich wat betreft de BOS-uren aan zendtijd beperkt tot de specifiek levensbeschouwelijke (in ons geval dus boeddhistische) taken, zoals het kabinet voorschijft op pag 18 van de brief van de minister.

B. Verder moet worden geregeld op welke wijze het bestuur met de adviezen omgaat: schriftelijk en beargumenteerd.

C. Ook moet de invloed van de "leden van het uitvoerend bestuur " (lees: de directeur) in de PAR aan banden worden gelegd. Dit om de eis van de minister van onafhankelijkheid te waarborgen.

D. Tenslotte moet geregeld worden op welke wijze (met trots gemeld op pag. 4 in de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 aan het Commissariaat voor de Media maar verder altijd ongenoemd gelaten gehouden) ongeorganiseerde boeddhisten tot de PAR kunnen toetreden. Ik citeer: "...Deze participatieraad staat ook open voor niet-BUN aangesloten boeddhistische centra en bovendien kunnen niet-georganiseerde individuen op uitnodiging zitting nemen in dit adviserende orgaan ."

vrijdag 11 november 2011

Het advies 'Boeddhisme als richting' van de Onderwijsraad - en het ontbreken van reacties daarop

Een jaar geleden bracht de Onderwijsraad – het belangrijkste adviesorgaan van de minister van Onderwijs – een advies uit onder de titel ‘Boeddhisme als Richting’. Op basis van dit advies besloot de minister dat er geen boeddhistische basisschool mag komen.
Formeel geldt dit advies wellicht alleen de Onderwijswetten, maar gezien de strekking zullen ook andere overheidsdelen er door geraakt worden, zeker als er van een subsidiererelatie met OC&W sprake is, zoals een boeddhistische ambtsopleiding.

Ik zal de niet-puur-bestuurlijke delen van dit advies samenvatten en er wat kommentaar op geven.
Eerst wil ik er echter m’n verbazing over uitspreken dat het afgelopen jaar geen boeddhist of boeddhistische organisatie op dit advies heeft gereageerd. De strekking immers is dat het boeddhisme in Nederland geen richting is (op basis waarvan een subsidierelatie acceptabel is).
De Mandalaschool heeft wel beroep bij de Raad van State aangetekend tegen het negatieve besluit van de minister maar mijn indruk is dat dat vooral bestuurlijk van aard was en nauwelijks inhoudelijk. Dat beroep is inmiddels – door geldgebrek – ingetrokken (zie hier).
Maar tot een fundamentele weerlegging van het advies voelde kennelijk niemand in Nederland zich geroepen.


Relevante passages uit de samenvatting van het advies (zoals verwoord in pag. 7 en 8)

Dit advies geeft een antwoord op de vraag van de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) of het boeddhisme is te beschouwen als richting, zoals genoemd in de onderwijswetten. De concrete aanleiding vormt het voornemen van de gemeente Amsterdam om een bijzondere basisschool op boeddhistische grondslag
op het gemeentelijk plan van scholen te plaatsen.
De raad hanteert bij de beantwoording een aantal criteria zoals die gevormd zijn in uitspraken van de rechter en in andere raadsadviezen over de richting van (nieuw te stichten) scholen. Beslissende ijkpunten zijn daarbij de vraag of de grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als godsdienst of levensovertuiging, of er voldoende uitwerking plaatsvindt in de statuten, of er sprake is van een – zoals de rechter het heeft geformuleerd – aan het onderwijs “ten grondslag liggende geestelijke stroming die zich in een binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt” en tot slot of er voldoende draagvlak is.
...
Getoetst aan de criteria is het op de eerste plaats duidelijk dat het boeddhisme een (wereld)godsdienst of levensbeschouwing is. Het boeddhisme kent een zeer gevarieerde invulling. Als de raad het goed ziet is in de beleving van ‘westerse’ boeddhisten eerder sprake van een levensbeschouwing (een wijze van leven) dan een
godsdienst. De raad heeft geen oordeel of het boeddhisme nu als godsdienst of levensbeschouwing is op te vatten; het volstaat dat er voldoende onderscheid is ten opzichte van andere richtingen en dat het niet gaat om een pedagogische stroming.
...
Ten aanzien van het criterium voldoende waarneembare stroming in de Nederlandse samenleving is op te merken dat deze vraag lastig is te beantwoorden, omdat betrouwbare cijfers over het precieze aantal boeddhisten ontbreken. Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke
wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden (dit is met name een zaak van zelfdefinitie). Omdat de omvang van boeddhistische stroming onduidelijk is, vindt de raad het van belang dat er bestaande instituties zijn voor verschillende activiteiten en leeftijden die wijzen op een bewezen inbedding in de Nederlandse samenleving.
Dit kan als borging worden beschouwd voor de toekomstige continuïteit van activiteiten in het onderwijs (voldoende en blijvende aanwas in leerlingental en in personen betrokken bij het bestuur en de organisatie).
Er is weliswaar sprake van een (kleine) omroep en er zijn enkele geestelijke verzorgers actief in gevangenissen, maar de raad vindt dat onvoldoende om te spreken van ‘een waarneembare stroming’. Er zijn bijvoorbeeld nog geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen.
...
De raad adviseert de minister het boeddhisme niet te erkennen als richting zoals bedoeld in de WPO. Deze constatering geldt voor dit moment. Het is volgens de raad goed mogelijk dat in de toekomst de conclusies anders kunnen zijn, mits de brede maatschappelijke inbedding, de statuten en het draagvlak voldoende vorm hebben gekregen.



Kommentaar

Veel van wat de Onderwijsraad in dit advies zegt, is voor mij duidelijk:
Dat aantal boeddhisten discussiepunt is, is een understatement. Het aantal geclaimde boeddhisten is in diverse aanvragen de recente tijd veel te hoog geweest: wel vijf tot tien maal te hoog, de strijd daarover is bitter (geweest).
En een groot deel van degenen die boeddhist genoemd kan worden, participeert inderdaad niet in een groep (sangha genoemd), zodat velen niet in een religieus genootschap (een landelijke organisatie) gerepresenteerd worden; het is de vraag of zij dan wel behoefte hebben aan een boeddhistische voorziening, bijvoorbeeld van onderwijs of gezondheidzorg.
Dat er geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen zijn, vind ik veel minder problematisch. Het boeddhisme is inderdaad geen zuil in de traditionele eerste-helft-twintigste-eeuw-zin; maar: so what ? Die waren er in de boeddhistische Aziatische landen ook niet.
Wel wordt een standpunt van het boeddhisme op actuele politieke en maatschappelijk thema’s soms pijnlijk gemist en ontbreekt er iets als boeddhistische journalistiek.
Het feit dat er geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria bestaan om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden, omdat dit is met name een zaak van zelfdefinitie, vind ik geen probleem: ook dit is juist kenmerkend voor het boeddhisme (in Azië).
Veel belangrijker – en slechts indirect in dit advies aan de orde komend – is dat er in Nederland nauwelijks of niet van HET boeddhisme gesproken kan worden. De verschillen tussen de drie grote tradities (Theravada, Zen en Tibetaans boeddhisme) zijn aanzienlijk en daarbinnen zijn er ook weer allerlei varianten. Ik denk dat de verschillen groter zijn dan in andere religies, in Nederland beoefend. Wat daarbij extra compliceert is dat discussie daarover tussen de beoefenareen nauwelijks plaatsvindt: men kent elkaars traditie niet en lijkt er ook niet in geïnteresseerd.
Samengevat: HET boeddhisme in Nederland heeft geen identiteit, is diffuus; dat is voor een individu die een van de vormen ervan beoefent, geen probleem; dat wordt pas een probleem in interactie met de overheid die graag met duidelijke entiteiten om gaat. Het georganiseerde boeddhisme moet met dit dilemma om kunnen gaan.

Mijn conclusie: '
Voordat er weer een aanvraag wordt gedaan bij de overheid voor een boeddhistische voorziening, moet eerst serieus een antwoord op dit advies van de Onderwijsraad geformuleerd en intern bediscussieerd worden.

Joop


Bijlage: inhoudsopgave van het advies

Samenvatting 7

1 Aanleiding, adviesvraag en adviescriteria 9
1.1 Aanleiding en adviesvraag: aanvraag door Stichting Mandalaschool in Amsterdam 9
1.2 Toetsingscriteria: jurisprudentie en eerdere adviezen rond richtingsaanvragen 9
1.3 Opbouw van het advies 10

2 Boeddhisme als stroming in de Nederlandse samenleving 11
2.1 De boeddhistische godsdienst of levensbeschouwing en het perspectief van onderwijs 11
2.2 Aantal boeddhisten in Nederland en boeddhistische organisaties 13
2.3 Erkenning door de overheid 14

3 Toetsing op de richtingscriteria 16
3.1 Toetsing aan de omschrijving van godsdienst of levensbeschouwing 16
3.2 Toetsing van de statutaire grondslag 17
3.3 Toetsing aan het element van voldoende maatschappelijke doorwerking en draagvlak 17
3.4 Conclusie: geen richting als bedoeld in de onderwijswet 18

4 Conclusies en aanbevelingen 19
4.1 Conclusies 19
4.2 Aanbevelingen aan de minister 20

Afkortingen 22
Literatuur 23
Geraadpleegde personen 24

woensdag 2 november 2011

Monsterverbond

Vooraf
Toen ik een paar weken geleden dit blog weer activeerde heb ik ook wat oude teksten (artikelen en brieven) – van datum van schrijven ervan voorzien – opgenomen. Dat was een klein deel van wat ik geschreven had; het meeste was gedateerd en dus oninteressant geworden.
De kans bestaat dat onderstaand stuk dat over een half jaar ook is; so be it. De reden dat ik het toch ‘publiceer’ is dat er volstrekt geen boeddhistische journalistiek bestaat, slechts heel af en toe, hap en snap, besteden dag- en weekbladen aandacht aan ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme, en ‘boeddhistische media’zoals BOS en het tijdschrift ‘Boeddha Magazine’ (voorheen ‘Vorm en Leegte’) al helemaal niet. Iemand moet het doen, want openbaarheid is nuttig. En zelf zulke stukken op hun website zetten is bij georganiseerde boeddhisten ook ongebruikelijk.

In de ledenvergadering van de BUN van juni 2011 ging het er heet aan toe. Een voorstel van het bestuur, de relatie met de BOS (Boeddhistische Omroep Stichting) en BZI (Boeddhistische Zendende Instantie, die over geestelijk verzorgers gaat) te herzien, riep heftige weerstand op.
Als oplossing voor het verrezen conflict werd gekozen voor het instellen van een werkgroep.
De voorzitter van de BUN vond het zijn plicht niet te wachten op het resultaat van deze werkgroep, ook gezien de wijze waarop deze geformeerd was (de meeste leden hadden belangen). Hij informeerde het ministerie van Veiligheid en Justitie (die met de BZI te maken heeft) en het Commissariaat van de Media (die toezicht op de BOS houdt) over de ontwikkelingen.
Gevolg was dat er afzettingsprocedure tegen hem gestart werd, de voorzitter trad zelf af en gaf naar aanleiding daarvan een ‘persbericht’ uit (zie www.boeddhistischeomroep.nl/uitzending.aspx?lIntEntityId=1449&lIntType=1&lIntYear=2011 )
De werkgroep heeft eind oktober 2011 een rapport uitgebracht, waarvan ik hieronder een belangrijk deel publiceer. Het rapport wordt zaterdag 5 november tijdens een ledenvergaderingn van de BUN besproken.
Een waarschuwing voor de lezer: in deze rapportage wordt gesproken over “het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden”
Het zou wel eens kunnen dat de schrijvers mij als één van die monsters beschouwen.
Ik beperk me tot het kommentaar dat het (Nederlandse) boeddhisme niet met oppositie om kan gaan.
Geruststellend is de aanbeveling t.a.v. BUN-bestuursleden “Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn” Ik denk dat de Boeddha niet door de ballotage gekomen zou zijn, en de Dalai Lama of Thich Nhat Hanh ook niet.
Nog eens voor de duidelijkheid: het onderstaande is een citaat.


6.1 Verslag en aanbevelingen interviewgroep
De onafhankelijke leden van de werkgroep Lotusbloem hebben een aantal interviews gehouden met de bedoeling om de spanningen in de BUN te onderzoeken en om mogelijke oplossingsrichtingen te bespreken. Deze hebben plaats gevonden in de maanden juni – september 2011. Ze zijn gehouden door Jan Willem Houthof, Aad Verboom, Matthijs Schouten en Marijke Vulink. Omdat Bert Koopmanschap nog slechts kandidaat bestuurslid was en de capaciteit (ivm vakanties ea) anders onvoldoende zou zijn, is in overleg met de voorzitters van de BUN, BOS en BZI besloten dat hij als voldoende onafhankelijk kan worden beschouwd en derhalve tot dit viertal is toegetreden.
In eerste instantie is ervoor gekozen 9 personen te interviewen. De keuze voor deze personen is gemaakt op grond van hun betrokkenheid recent of in het verleden bij het besturen van BUN en/of BZI en/of BOS Acht van de negen personen zijn geinterviewd. Richard de Jong reageerde tot twee maal toe niet op een uitnodiging en daarna heeft hij zich teruggetrokken als voorzitter. De personen die wel geïnterviewd zijn, zijn Gertjan Mulder (directeur BOS), Andre Kalden (waarnemend voorzitter BUN), Artho Jansen (voorzitter BZI), Varamitra (directeur BZI), Rinus Laban (secretaris BUN), Michel Dingarten (bestuursvoorzitter BOS), Wanda Sluyter en Francisca Boel (voormalig voorzitter BUN). Er is in de werkgroep gesproken over een uitbreiding van het aantal interviews na de 1e ronde, maar binnen het gegeven tijdsbestek bleek dat niet mogelijk. Het lag in de bedoeling van de werkgroep om ook schriftelijke informatie bij de analyse te betrekken. Binnen het gegeven tijdsbestek is dat beperkt gebleven tot het inzien van stukken die door de geinterviewden tijdens het interview getoond werden. In het onderstaande vindt u op hoofdlijnen een overzicht van de informatie uit deze interviews. Om de vertrouwelijkheid van de gesprekken te waarborgen is deze informatie thematisch geordend en vindt er geen verwijzing naar specifieke interviews plaats. Het eerste deel is vooral een beschrijving van de situatie in de zomer van 2011. De delen daarna gaan in op de in het kopje genoemde onderwerpen. Zonder volledig te willen zijn, zijn de verschillende visies die de werkgroep tegenkwam bij deze onderwerpen benoemd en naast elkaar gezet Getracht is om een onderscheid te maken tussen feiten en ervaringen zoals deze uit de interviews naar voren kwamen en aanbevelingen. Deze aanbevelingen worden vervolgens in een apart afsluitend hoofdstuk geresumeerd. Met name deze aanbevelingen zijn vervolgens besproken met de (vice)voorzitters van de 3 organisaties.

De 5 thema’s
Thema 1: De algemene ledenvergadering van 11 juni 2011.
Dit verslag begint met een schets van de situatie die we aantroffen tijdens de ALV van 11 juni jl. Tijdens die ALV is onze commissie ingesteld. Derhalve is dat het startpunt van ons onderzoek. Hoe was m.a.w. de situatie ten tijde van de ALV en wat is daaraan vooraf gegaan?
Na de verkiezing van Richard de Jong als voorzitter van het BUN bestuur heeft hij, meestal samen met de secretaris , diverse gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van BOS en BZI en later met vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, en het Commissariaat van de Media. Deze gesprekken zijn niet gevoerd op basis van een besluit van de ALV. Ook was ALV hierover niet geïnformeerd. Deze gesprekken zijn daarbij niet vooraf inhoudelijk afgestemd met de BOS. De angst dat die gesprekken schade toegebracht hadden aan (de geloofwaardigheid en het vertrouwen in) BOS en BZI was aanwezig bij een deel van de ALV in juni 2011 en is in de brief aan de ALV door BOS en BZI nadrukkelijk beschreven. Daarnaast heeft het BUN-bestuur voorstellen gedaan aan BOS en BZI waarin de facto werd voorgesteld om de beide stichtingen in hun huidige vorm op te heffen.
Tijdens die ALV verzorgde de voorzitter een presentatie over zijn beleid ten aanzien van BUN, BOS en BZI.
Een ander deel van de leden van de ALV had tijdens de juni vergadering de indruk dat er door BOS en BZI in het verleden onvoldoende openheid was gegeven over hun handelen en dat het noodzakelijk was dat hiertegen actie werd ondernomen, zodat deze informatie bekend zou worden binnen de BUN. Deze wens werd mede ingegeven omdat het al jaren rommelt tussen de diverse BUN-besturen en de BOS.
Er werd daarom besloten niet te stemmen over de voorstellen (zie notulen ALV 11 juni 2011). Unaniemwerd door de ALV besloten tot het instellen van een commissie, waarbij ook vertegenwoordigers van BOS en BZI zouden worden opgenomen. Het BUN bestuur steunde de instelling van een onderzoekscommissie en liet zich daarin vertegenwoordigen door kandidaat bestuurslid Bert Koopmanschap. Expliciet is niet gekozen voor een commissie met externen vanuit de overweging dat een volstrekt onafhankelijke commissie niet samen te stellen zou zijn.
De commissie heeft vervolgens in haar eerste overleg de opdracht uitgewerkt en besloten dat de onafhankelijke leden (dus zonder de vertegenwoordigers van BOS en BZI) de interviewcommissie zouden vormen. Er werd door de volledige commissie besloten dat daartoe ook het kandidaat bestuurslid in het BUN bestuur deel zou nemen.

Thema 2: Verhouding BUN – BOS - BZI
Thema 2 gaat over de oprichting van BOS en BZI vanuit de BUN. Daarbij doet zich het probleem voor dat vanuit een pure vrijwilligersorganisatie als de BUN, met niet betaalde bestuursleden, die veelal dit werk in hun vrije tijd doen,een organisatie voortspruit, waarin betaalde krachten werken, die veelal niet alleen meer tijd hebben, maar ook makkelijker toegang hebben tot informatiebronnen. Dat geeft de nodige wrijvingen tussen de niet-professionele moeder en de professionele en deskundige dochters. Je zou hier ook al aanbevelingen kunnen doen: Enerzijds dient moeder te voorkomen dat ze een leidende rol claimt jegens de dochters, want dat geeft alleen maar irritatie bij de dochters. Anderzijds dienen de dochters respect te tonen naar de moeder en moeder te informeren en consulteren. Daar de moeder een veelal aanzienlijke informatieachterstand heeft t.o.v. de dochters en het door de dochters bestreken veld maar zeer beperkt kan overzien, staat het de dochters overigens zonder meer vrij gemotiveerd van adviezen van de moeder af te wijken. In wezen is het een ragfijn spel, waarin moeder de dochters de ruimte moet geven voor een eigen beleid, en de dochters vanuit respect de moeder informeren en consulteren.
Een thema dat regelmatig terugkwam in de gesprekken was de oprichting van BOS en BZI en de aard van de samenwerking met de BUN.
Zowel de BOS als de BZI zijn ontstaan vanuit de BUN. De andere aard van deze organisaties, nl een ander wettelijke kader en financiering, leidde tot lastige situaties bv tot uiting komend in het ontbreken van ondersteuning van de BUN bestuurders t.o.v. betaalde ondersteuning van de BOS bestuurders.
Vanuit de BOS werd door sommigen in de eerste jaren na de oprichting eenzelfde probleem ervaren nl dat zij een vorm moest vinden voor het andere wettelijk kader dan de BUN met daarbij behorende eisen. Er werd daarom voortvarend gewerkt aan een professionele organisatie met een eigen toezichthouder en een eigen organisatie van de achterban (PAR). Een deel van de ALV ervaarde dat als dat de BOS zich los maakte van de BUN. Zowel van het toezicht van het bestuur als van de ALV. Personen binnen de BOS geven aan dat zij expliciet het contact met de BUN gezocht hebben en daar onvoldoende gehoor kregen.
Eén van de onderwerpen, waarbij het verschil tussen professionele en vrijwillige medewerkers zichtbaar werd, was toen de BOS geconfronteerd werd met acties van de individuele boeddhisten. De BOS vroeg dwingend om steun van het bestuur van de BUN. Ze vroeg om actie van bestuur en ALV van de BUN om deze acties te stoppen. Een situatie waar het BUN bestuur ook last van had en zich niet tegen opgewassen voelde. Over een wijze van aanpak en hoe die eruit zou kunnen zien, is echter nauwelijks gesproken.
Bij het bestuur van de BZI is er verbazing over de aanvankelijke desinteresse voor het werk van de BZI vanuit bestuur en ALV. Anders dan bij de BOS kwam het initiatief voor het aanstellen van Boeddhistisch Geestelijk verzorgers niet van de BUN maar van het Ministerie van Justitie (D.I.) Al vrij snel na de oprichting van een apart bestuur voor de BZI (een verplichting van het ministerie), is met het toenmalige bestuur afgesproken dat het BUN-bestuur tegelijk met de ALV-vergadering zou worden geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen de BZI. Feit is dat er verschillende visies zijn over verkregen informatie en in hoeverre die verstrekt is.
Het bestuur van de BUN drong er bij BOS op aan de afgesproken informatieverplichting door beide organisatie na te komen. Er bestaat verschil van mening over in hoeverre dit tot stand gekomen is. Deze situatie versterkte bij de opvolgende besturen van de BUN de twijfels over het functioneren van BOS en BZI t.a.v. de financiële en organisatorische gang van zaken. Specifiek voor de BZI kwam daarbij dat door het bestuur van de BZI initiatieven werden genomen tot het opzetten van een opleiding tot boeddhistisch verzorgen zonder dat het BUN bestuur hierin werd gekend.

Thema 3: Negativiteit
Thema 3 gaat over de negativiteit vanuit de BUN-achterban naar de bestuurders van BUN, BOS en BZI. Het gaat om het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden. Natuurlijk mag kritiek geuit worden, maar de manier waarop dat is gebeurd ging alle perken te buiten (zoals het bestoken van bestuursleden met mail en telefoon), is zeer schadelijk geweest, heeft vele goedwillende bestuursleden het leven vergald en een effectief bestuur onmogelijk gemaakt. Wat dit betreft kunnen we niet duidelijk genoeg zijn. Er moet gewerkt kunnen worden vanuit positiviteit, en niet vanuit negativiteit.
De negativiteit moet stoppen. Een belangrijke manier waarop het stoppen van de negativiteit gerealiseerd kan worden, is door meer bestuurlijke kracht te tonen: dat zullen de besturen gezamenlijk moeten doen, zonder dat er een wig gevormd wordt door eenlingen, zoals dat in de afgelopen periode is gebeurd. Gezamenlijk moet worden uitgestraald dat de meerderheid van de ALV beslist. Iedereen die zich daar niet aan conformeert diskwalificeert zich om mee te doen aan de besluitvorming. Hierbij dient nog een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen leden en niet-leden. Leden maken onderdeel uit van het beslissingsproces, niet-leden kunnen alleen informatie krijgen en aan hen dient verder niet onevenredig veel tijd besteed te worden.
Door de betrokken sangha’s en een aantal ongebonden boeddhisten werd steeds beweerd dat het ging om het zuiver boeddhistisch handelen van zowel BOS, BZI en BUN bestuurders. Dat werd door betrokkenen in twijfel getrokken c.q. betwist. Twijfels werden geuit over integriteit.
In sommige interviews werd geopperd dat er een relatie was tussen deze groep en ex voorzitter Richard.

Thema 4: BUN-bestuur
De BUN is een vereniging met sangha’s als leden. Een vereniging dient de belangen van haar leden te behartigen. Dat is de kerntaak van de BUN.
De overheid merkt de BUN aan als de vertegenwoordiger van het boeddhisme, een van de religieuze hoofdstromingen, in Nederland. Het grote aantal aangesloten sangha’s die met elkaar het brede scala aan boeddhistische stromingen vertegenwoordigen, rechtvaardigt dat. Aan ieder van de vertegenwoordigers van de hoofdstromingen, en dus ook aan de BUN, kent de overheid rechten toe. De BUN heeft de uitvoering van die rechten gedelegeerd aan BOS en BZI. Omdat de financiële middelen door de overheid verstrekt worden, dienen BOS en BZI over de besteding van die middelen verantwoording af te leggen aan die overheid.
Anders dan in Duitsland verstrekt de overheid geen gelden aan de moederorganisatie zelf. De BUN heeft dan ook nauwelijks financiële middelen. De BUN is dus enerzijds de peiler waarop BOS en BZI drijven, anderzijds een pure vrijwilligersorganisatie die gezien de minimale financiële middelen geen invulling kan geven aan een leidende rol. Het gebrek aan inzicht in c.q. erkenning van deze situatie en de gevolgen die de verschillen hebben voor activiteiten en verantwoordelijkheden en dus voor onderlinge samenwerking leidt tot talloze complicaties en spanningen. De spanningen ontstaan, omdat de rolverdeling niet duidelijk is en er dientengevolge geen goede afspraken gemaakt zijn tussen BUN en BOS en BUN en BZI.
Zo heeft de overheid op grond van wetgeving de BUN vanuit haar hoedanigheid als vertegenwoordigende koepelorganisatie een positie als zendgemachtigde gegeven. De overheid stelt de BUN daarbij verantwoordelijk voor de delegatie van de operationalisering van die rechten zoals in de wet bedoeld. Het is dus vanuit die door de overheid gegeven positie dat de BUN een eindverantwoordelijkheid draagt m.b.t. de uitvoer van de delegatie-overeenkomst, zowel richting haar achterban (die het ontvangen van die rechten legitimeert) als richting maatschappij (die deze rechten geeft en financiert). Simpelweg stellen dat deze eindverantwoordelijkheid met een delegatie overgedragen is, en dus geheel bij de BOS ligt, is onjuist. Waarover in de loop der tijd discussie is ontstaan tussen BOS en BUN-bestuur is of, en zo ja in welke mate, de BUN als vereniging(eind)verantwoordelijk is voor het feit dat de producten van de BOS binnen het wettelijk kader vallen, en in welke mate het BUN-bestuur (eind)verantwoordelijkheid draagt op operationeel gebied en hoe daar invulling aan te geven. Maar als het om verantwoordelijkheden gaat, dient de BUN te onderkennen, dat zij geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor de wijze waarop BOS (en BZI) de aan hen gedelegeerde taken uitvoeren. En BOS (en BZI) dienen te beseffen, dat zij de BUN niet verantwoordelijk mogen houden voor zaken waar de BUN geen invloed op kan hebben, gezien haar positie of gezien het ontbreken van middelen. Zolang dat besef ontbreekt, zijn de wrijvingen legio.
Voor wat de relatie met de sangha’s betreft dient het BUN-bestuur zich te realiseren dat ze de taak heeft de belangen van haar leden te behartigen en dat ze niet de dharma tot taak heeft. De BUN dient zich te richten op het bevorderen van de samenhang tussen de sangha’s. De BUN kan een bindend element zijn tussen de sangha’s.
Het bestuur van de BUN kent al jaren een sterke wisseling van bestuursleden en vertegenwoordigers van de leden naar de ALV toe. Bijzonder is het ontstaan en faciliteren van het ontstaan van BOS en BZI. De relatie tussen deze drie organisaties kenmerkt zich al jaren door het praten over rechten en plichten. Noch het elkaar gunnen van een eigen rol noch het vormgeven van samenwerking is door de interviewgroep gesignaleerd.

4.1 Korte schets van de juridische verschillen
De BUN is een vereniging met een ALV en een bestuur, dat alleen uit vrijwilligs bestaat. Het bestuur heeft uitsluitend een statutair recht op vergoeding van de onkosten.
BOS is een stichting gefinancierd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) met eigen toezichthouders en een eigen organisatie van de achterban (PAR).
De BZI is een stichting met vrijwillige bestuurders, die mensen ‘zendt’ richting het Ministerie van Justitie. Na zending vallen deze mensen voor het overgrote deel onder de verantwoordelijkheid van Justitie en houdt de BZI slechts marginaal toezicht en dan vooral vanuit een boeddhistische invalshoek. Het vrijwillige bestuur krijgt geen onkostenvergoeding. De overige bestuurskosten komen ten laste van de BUN.

Thema 5: De leden, sangha’s en persoonlijke verhoudingen
Zonder draagvlak bij de leden opereert een verenigingsbestuur in het luchtledig. De leden hebben vele wensen, maar zijn niet of onvoldoende bereid gebleken daadwerkelijk aan het werk van de BUN bij te dragen. Enerzijds leidt dit tot een grote beleidsvrijheid van het BUN-bestuur, want ze opereren per slot in een vacuüm. Anderzijds heeft dat het risico dat persoonlijke ambities een exorbitante rol gaan spelen, zonder dat tijdig wordt afgeremd. Door het gebrek aan participatie door de sangha’s is er ook een groot verloop onder de bestuursleden, want als je niet gedragen wordt, valt veelal de animo weg. Betrokkenheid van de leden bij het werk van de BUN is daarmee één van de grote opgaven voor de toekomst.

In meerdere interviews werd de sterke rol van met name de BUN voorzitters genoemd. Ook het rouleren van die BUN bestuursleden naar een functie bij BOS en BZI. Daarbij werd opgemerkt dat in het verleden het aantal actief betrokkenen bij de BUN minimaal was. Het leek daarom voor de hand te liggen en soms zelfs de enige mogelijkheid te zijn voor functies bij BOS en BZI uit dezelfde beperkte groep te kiezen. Door anderen werd ditzelfde feit negatief gewaardeerd.
Meerdere keren kreeg de interviewgroep de indruk dat het bestuurlijk spel tussen BUN, BOS en BZI persoonlijk werd gespeeld met te weinig aandacht voor de functies. Een aantal mensen voelt zich in hun functies persoonlijk beschadigd. Opvallend daarbij is dat de voormalig vrijwillig bestuurders, die een overgang hebben gemaakt naar BOS en BZI nu vanuit die nieuwe positie zich niet lijken te kunnen verplaatsen in de positie van de vrijwillige BUN bestuurders. Of in ieder geval niet tot een goede samenwerkingsrelatie kunnen komen
Binnen de interviewgroep hebben we ons afgevraagd hoe het kan dat mensen elkaar binnen een boeddhistische setting met goede bedoelingen zo kunnen kwetsen. Daarbij zagen we veel idealistische, bevlogen en gepassioneerde mensen.
Sangha´s rekenen de Dharma tot hun taak. Zij zijn voornamelijk naar binnen gericht d.w.z. niet op de maatschappij gericht. De beoefenaars op hun leraar, de leraar op zijn leerlingen. De BUN is gericht op de samenhang tussen de sangha´s en naar buiten op de maatschappelijke taken.
Als aandachtsgebieden voor de BUN zijn bijvoorbeeld te onderscheiden:
* BOS
* BZI
* Interreligieuze contacten
* Opleidingen en Scholen
* Hospice
De non participatie van leraren m.b.t. het bestaan en het functioneren van de BUN werd door enkelen als een risico gezien. Dit is één van de factoren waardoor het BUN bestuur los kan gaan functioneren van de sangha´s. Van belang is dat de ALV leden de band met de sangha’s kunnen versterken dan wel verzwakken. Borging van het contact met de sangha´s garandeert een bestuur dat namens de sangha’s opereert. Gevaar is anders dat voorzitters hun eigen koers bepalen. Een aantal voorzitters heeft geprobeerd dit contact met de sangha’s te organiseren. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat dit niet is gelukt. Het zou aanbeveling verdienen als ook de leraren zich minder exclusief op hun eigen sangha richten, en meer verantwoording zouden nemen voor de samenhang van de diverse sangha’s en voor de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland als geheel.
Als BUN zijn we nog niet volgroeid. De BUN zou meer een platform kunnen zijn voor het uitwisselen van ervaringen tussen de sangha´s. Het is bijzonder dat stromingen met elkaar in contact komen. En elkaar weer ontmoeten.
In die zin worden de ervaringen van de afgelopen jaren door de commissie gezien als mogelijke groeistuipen. Die doen pijn. Geconstateerd wordt een groot verantwoordelijkheidsgevoel bij alle betrokkenen. Van daaruit werd steeds meer tijd gestoken is diverse onderwerpen, niet altijd met een positief resultaat.
Tot slot geven wij aan, en dan zijn we al flink in de richting van aanbevelingen terecht gekomen, welke competenties we zien als noodzakelijk voor BUN bestuurders:
Bestuurlijke ervaring, laat weten welke toekomstvisie je hebt, communicatieve vaardigheden, verbindend, motiverend. Evenwichtig, loyaliteit, gemotiveerd maar niet bevlogen.

Aanbevelingen
Aanbeveling 1: Selecteer bestuurders op bestuurlijke vaardigheid, loyaliteit, evenwichtigheid en communicatieve eigenschappen.

Aanbeveling 2: Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn. Die eigenschappen – hoe verdienstelijk op zich ook - verstoren het delicate evenwicht tussen algemeen en deelbelang, tussen bestuur en leden en tussen besturen en uitvoering.

Aanbeveling 3: Formeer een commissie van leraren aan wie periodiek vragen door BUN, BOS en BZI worden voorgelegd over actuele maatschappelijke kwesties. Die kwesties kunnen betrekking hebben op politiek en ethische onderwerpen, maar dienen met name gericht te zijn op verbetering van de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en op verbetering van de communicatie tussen de sangha’s en BUN, BOS en BZI.

Aanbeveling 4: De leraren zullen in hun sangha’s meer aandacht vragen voor de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en zullen nagaan welke sanghaleden een bijdrage zouden kunnen leveren aan bestuurs- dan wel uitvoeringstaken op landelijk niveau.

Aanbeveling 5: De leraren zullen er op toezien, dat bestuursleden de sangha op de ALV vertegenwoordigen.

Aanbeveling 6: De sangha’s zeggen hun steun toe aan het bestuur van de BUN. In geval van negatieve kritiek zal de leraar daarover met de sanghaleden in gesprek gaan. Als de leraar van oordeel is dat de kritiek een kern van waarheid lijkt te hebben zal hij/zij daarover contact opnemen met leden van het bestuur van de BUN om navraag te doen en tot een open vorm van communicatie te komen.

Aanbeveling 7: Het verdient aanbeveling afspraken te maken over de wijze van communicatie tussen de besturen van BUN, BOS en BZI. Voor welke zaken kan email worden ingezet? Wanneer verdient het aanbeveling om de telefoon te pakken? Welke kwesties verdienen een gesprek onder vier ogen? En in welke gevallen verdient het aanbeveling dat besturen met elkaar om de tafel gaan zitten?

Aanbeveling 8: Stel een communicatieplan op over de wijze van communiceren met de pers in geval van negatieve uitingen in de pers.

Aanbeveling 9: Informatie. BOS en BZI informeren het BUN-bestuur periodiek volgens een door BUN, BOS en BZI nader uit te werken schema. BOS en BZI informeren voorts de ALV over het voorgenomen beleid op de voorjaarsvergadering, en over het gevoerde beleid op de najaarsvergadering.

Aanbeveling 10: Consultatie. BOS en BZI consulteren het BUN-bestuur over voorgenomen plannen tot fusie, relevante beleidsaanpassingen en benoemingen.

Aanbeveling 11: Participatie. De voorzitter van de Participatieraad van de BOS wordt door het BUN-bestuur benoemd na consultatie van het BOS-bestuur. De leden van de Participatieraad worden door het BOS-bestuur benoemd na consultatie van het BUN-bestuur. De voorzitter van de Participatieraad heeft geen zitting in het BOS-bestuur.

Aanbeveling 12: Begrensde autonomie. De besturen van BOS en BZI zijn autonoom. Afgezien van informatie, consultatie en participatie als voornoemd bepalen zij op welke wijze hun organisaties bestuurd worden. Bij afwijking van adviezen van bestuur dan wel ALV van de BUN wordt die afwijking gemotiveerd in het jaarverslag.

Aanbeveling 13: Overigens is het hierbij van belang om een onderscheid te maken tussen negativiteit bij leden en bij niet-leden.
Het is aan het BUN-bestuur om de BUN als koepelorganisatie te besturen binnen de kaders die de ALV daarvoor aangeeft. Daarbij is het onder meer de verantwoordelijkheid van het BUN-bestuur toe te zien op de invulling van de overeenkomsten die zij met derde partijen namens de ALV sluit. Dit toezicht dient plaats te vinden op een wijze waarin de ALV zich kan herkennen.
Waarin het bestuur zich realiseert dat het streven naar het zuiver handelen en andere belangrijke uitgangspunten van het Boeddhisme in onze gezamenlijke beoefening zich per definitie niet laten vertalen naar een organisatie of de samenwerking tussen organisatie.